Weer een Edwardiaanse tv-serie

Einde van de parade

Ook Parade’s End speelt zich af in Edwardiaans Engeland, maar in tegenstelling tot het zoete Downton Abbey vormt de nieuwe tv-serie een bittere pil.

De Edwardians! Daar zijn ze weer! De landhuizen, de vossenjachten, het grootgrondbezit!

Moeder des Vaderlands koningin Victoria was in 1901 op de respectabele leeftijd van 81 jaar oud dan weliswaar overleden, maar haar Empire was nog steeds zorgeloos; vanuit de koloniën stroomde het geld binnen, Edward VII besteeg met zijn 59 jaar, één meter zeventig en 112 kilo de troon en beloonde zijn nouveau riche-vrienden met adellijke titels en zetels in het Hogerhuis, terwijl de landadel zich overgaf aan bras- en jaagpartijen, hun vrouwen borduurden en champagne nipten en op Eton en Harrow hun kinderen met het bamboehout van de dons rechte ruggetjes en stijve bovenlippen werden geslagen. Such, such were the joys.

In deze idylle situeerde Julian Fellowes (Baron Fellowes of West Stafford, at your service) twee jaar terug nog het weeïg zoete en baldadig conservatieve Downton Abbey, een kijkcijferkanon in elk land waar het wordt uitgezonden. Ook in Nederland, bij de ncrv. Een tv-serie waarin mannen nog lords zijn en de kamermeisjes o zo serviel. De adel is edel, weet altijd what to do en hun bediening aanbidt ze. Een ongegeneerde rehabilitatie van de klassenmaatschappij. De onderlip van de kamerbediende trilt van trots, als een dakpan bij een aardbeving, wanneer de nieuwe erfgenaam hem vraagt zijn manchetknopen dicht te maken.

Godzijdank, want eerst wilde erfgenaam Matthew zelf zijn manchetknopen dichtdoen. Hoorden we daar iemand ‘faux-pas’ roepen? Jawel, zei graaf Crawley, natuurlijk kun je jezelf aankleden, my dear boy, maar we hebben allemaal een rol te spelen. Upstairs, downstairs, iedereen happy.

De historische werkelijkheid lag net even iets anders. Tussen de dood van koningin Victoria en het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog liep de politieke en financiële wereld onherstelbaar gezichtsverlies op door verregaande corruptieschandalen en werd de nationale economie van Engeland meermalen lamgelegd door stakingen van onderbetaalde mijnwerkers en havenarbeiders. De koloniën begonnen steeds meer te morren, xenofobie was wijdverbreid. Het was voor de aristocratische upperclass niet zo zeer ‘a day in the sun’ van anderhalf decennium, maar een ‘last hurray’: Democratisering (vrouwen wilden ook wel eens stemmen, arbeiders wel eens een weekendje vrij), Urbanisering (de plattelandsdorpjes die het van de adel moesten hebben stroomden leeg), Modernisering Internationalisering (voorheen lokale producten als wol en voedsel konden net zo makkelijk en goedkoper geïmporteerd worden) maakten de ‘splendid isolation’ onhoudbaar, en de goed oplettende lord kon in de verhardende internationale politiek ook nog eens die Grote Gelijkmaker zien aankomen, de Eerste Wereldoorlog.

Dat de rijke Edwardianen in zekere zin hun eigen ondergang zagen aankomen, verklaart wellicht hun appeal voor tv-kijkers, of voor romanschrijvers. Ze gingen zich er namelijk naar gedragen – zoals de kunstcriticus en romancier John Berger schreef in zijn Bookerprize winnende roman G. (1972): ‘If their way of life had to disappear, they would first apotheosize it by openly and shamelessly transforming it into a spectacle; if it was no longer viable, they would turn it into theatre (…): instead they performed a play upon a stage with its own laws and conventions. From the 1880’s onwards this was the underlying meaning of Social Life – the Hunts, the Shoots, the Race Meetings, the Court Balls, the Regattas, the Great House Parties.’

Het publiek, schrijft Berger, verwelkomde deze apotheose: ‘Like most audiences they felt that, to some degree, they owned the performing players.’

In het openingsshot van de eerste aflevering van de nieuwe bbc-miniserie Parade’s End (een coproductie van bbc, het Amerikaanse kwaliteitskanaal hbo en de Belgische vrt, regie: Susanna White, script: Tom Stoppard) pant de camera langzaam als vanaf het plafond door een chique hotelkamer, in 1908. We zien een kristallen kroonluchter, een boeket witte rozen, een dienstmeisje dat op haar knieën zit en heel zorgvuldig een koffer in- of uitpakt, terwijl haar werkgeefster, in een glamoureuze jurk met sleep, verveeld de telefoon opneemt (het doet, wat associatief, denken aan de typering van J.D. Salinger, in diens beroemde verhaal A Perfect Day for Bananafish: ‘She was a girl who for a ringing phone dropped excactly nothing. She looked as if her phone had been ringing continually ever since she had reached puberty’). Het is de glitter and glamour die we van tv-Edwardianen zijn gaan verwachten, al is hier meteen het verschil dat de vrouw aan de telefoon geen enkele poging doet voor haar dienstmeisje te verhullen dat het haar minnaar is die belt, ’s avonds laat, terwijl haar man buiten de deur is.

De glamoureuze vrouw is Sylvia Tietjens, de overspelige echtgenote van Christopher Tietjens, wiens volharding in het slagveld van zijn privé-leven, en daarna de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog, centraal staat in Parade’s End, de serie naar de veelgeprezen roman (bestaande uit vier novelles, 1924-1928) ­Parade’s End van Ford Maddox Ford (1873-1939). Het eerste moment waarop de kijker Tietjens in rust ­meemaakt, zit hij in de salon met een encyclopedie op schoot, terwijl zijn Sylvia tegen haar moeder de cryptisch verpakte achter­klaprubriek uit de krant voorleest. Mevrouw ­zo-en-zo, getrouwd met de Britse ambassadeur in Wenen, ‘geniet van een spelletje polo’ met kapitein die-en-die. Of het waar is weet ze niet, zegt ze, maar het publiek houdt van een vleugje seks, ‘coming off our crowd’, seks die als een geur in de lucht hangt, ‘als de stoom die van het water komt in het reptielenhuis in de dierentuin’.

Ze zegt het allemaal net even te hard, net even te gretig, met één oog op haar man die weigert te reageren. Hij leest de encyclopedie niet alleen, maar zit met een pen in zijn hand opmerkingen bij de lemma’s te maken. Zijn vrouw gilt het uit als ze het ziet: de Encyclo­pædia Britannica verbeteren! ‘Als ik je nu zou vermoorden zou geen jury me veroordelen!’

Het zijn van die fijne, slimme symbolen en verwijzinkjes waar de serie vol mee zit: ­Sylvia die zich bewust is van het belang van het publieke vertoon van haar sociale klasse en Tietjens die zo’n gevestigd, betrouwbaar ­instituut als de Encyclopædia Britannica moet moderniseren. De kennis in zijn boekenkast is achterhaald. Tijden veranderen snel. Tietjens maakt zijn notities bij een tekening van een dinosaurus – ook al zo’n uitgestorven diersoort.

Parade’s End is beeldschoon, in cinematografie en spel, met tal van Britse topacteurs die allemaal net even andere rollen spelen dan je van ze gewend bent. De frivole, wulpse Sylvia wordt gespeeld door Rebecca Hall (die normaal gesproken, zie Woody Allens Vicky Christina Barcelona, het serieuze, cerebrale meisje speelt), de Schotse literatuurcriticus Macmaster door Stephen Graham (meestal, zie Guy Ritchie’s Snatch, de proleterige wannabe-gangster) en de stijve, permanent verontwaardigde General Campion door Roger Allam (meestal de sleazy cynische politicus, zie The Thick of It). De stramme, gereserveerde Tietjens wordt gespeeld door Benedict Cumberbatch, een naam die klinkt als iets op een menukaart, die met rollen in Sherlock, Tinker Tailor Soldier Spy en binnenkort The Hobbit nog wel eens de acteur van zijn generatie zou kunnen worden. De voornaamste spanningsboog is of Tietjens zijn vrouw durft te verlaten om zich aan zijn sluimerende liefde voor de vrijgevochten suffragette Valentine over te geven.

In Downton Abbey is er in feite maar één echte bad guy, kamerbediende Thomas. Wat maakt hem zo slecht? List en bedrog, maar vooral omdat hij die inzet in een poging tot social climbing. Een grotere schuld bestaat er niet in Fellowes’ Edwardiaanse idylle: iemand die de natuurlijke hiërarchie probeert te doorbreken. In Parade’s End kun je stellen dat Christopher en Sylvia op hun eigen manier even erg zijn. Sylvia, die de vulgaire, egocentrische kant van het tijdperk belichaamt, is makkelijk aan te wijzen als de schurk van de serie en Christopher in zijn eindeloze geduld en zelfkastijding als held.

Maar tegelijk is het juist Christopher die zijn wereld uitholt, onecht maakt. In het openingshoofdstuk schrijft Ford Maddox Ford wat voor man Tietjens is, wat een gravitas hij op zijn 26ste al heeft, dat zijn superieuren op het ministerie beter naar hem luisteren dan je van iemand van zijn leeftijd en rang zou verwachten. Op de eerste bladzijde schrijft hij dat Tietjens tot de klasse behoort die wanneer ze een lompe politieagent zien op straat, of een onbeleefde treinconducteur, of kapotte straat­lantaarns, er iets van zeggen, óf in hun Oxford-Engels, óf door ­middel van ingezonden brieven aan The Times: ‘Has the British This or That come to this!’

Nadat Sylvia voor de zoveelste keer is weggelopen, bespreekt Tietjens de stand van zijn huwelijk met zijn beste vriend, de criticus Macmaster. Ga toch bij d’r weg, zegt hij, vraag een scheiding aan. Tietjens wil er niet aan. Het hoort niet, zegt hij. ‘For a gentleman there is such a thing as… call it “parade.”’ Maar het is juist Christopher, met zijn prominente familienaam, met zijn goede baan aan het ministerie, met alle middelen en gravitas tot zijn beschikking, die het tot Dit of Dat laat komen. In feite bepaalt hij de ‘parade’, niet de snobistische Sylvia. En zij geniet er tenminste nog een beetje van.

De ondergang van Christophers klasse duurt vijf afleveringen van een uur. Top tv.


Parade’s End is te zien op vrijdag 7 september, 14 september en 21 september, op BBC 2, 22.00 uur. Dit najaar zal de serie door de Belgische VRT worden uitgezonden