Essay: Joden tussen kapitaal en onderkast

Einde van een verlegenheid

Herman Vuijsje deelt met andere joden niet een bepaalde mening over Israël of ritueel slachten. Wel maakt hij steeds meer werk van 4 mei en vindt hij Jiddisch de mooiste taal ter wereld. Hij betreedt het vage gebied tussen Joden en joden. Waarom? En waarom nu?

‘Kapitaal’ en ‘onderkast’ zijn typografische termen voor hoofdletter en kleine letter. In dit geval staan ze voor de schrijfwijze van ‘joden’ en ‘joods’. Vóór de oorlog gebeurde dat altijd met een beginkapitaal. De Duitsers maakten daar een eind aan – een kleine letter was voor joden goed genoeg. Bij latere Nederlandse spellingsherzieningen werd die praktijk overgenomen. Tot aan het Groene Boekje van 2005. Sindsdien geldt een tweesporenbeleid: ‘joden’ en ‘joods’ krijgen een beginkapitaal als het om leden van het Joodse volk gaat, en een kleine letter als we het hebben over aanhangers van het joodse geloof.

In haar onlangs verschenen autobiografie gaat Bloeme Evers op deze kwestie in. Joden verdienen altijd een grote J, vindt zij. Dat is een kwestie van respect, nadat de Duitsers met die kleine j iedere uiting van respect jegens joden teniet hadden wilden doen (ze schrijft ‘duitsers’ met een onderkast – oog om oog, tand om tand).

Ook een woord als ‘jodenkerk’ verdient een kapitaal, vindt Bloeme Evers, ‘want het gaat hier om het geloof van een volk. Het is eigenlijk helemaal niet ingewikkeld.’

Nou, dat weet ik niet zo zeker. Het Groene Boekje gunt Jodenkerk die kapitaal niet, het gaat hier immers om de godsdienst. Maar ook jodenfooi, jodenkoek en jodenstreek schrijft het Groene Boekje met een kleine letter, alsof die iets met geloof te maken hebben. Waarom dat nou weer?

Laten we die jodenkoek even als voorbeeld nemen. Dat is een dunne, droge koek, al meer dan honderd jaar een West-Friese lekkernij. Volgens één theorie, waarop het Groene Boekje zich klaarblijkelijk baseert, zijn het eigenlijk een soort matses, dus in de verte religieus geïnspireerd. Maar een andere verklaring wil dat jodenkoeken verwijzen naar de armoede van joden of dat ze geïntroduceerd werden door een joodse bakker of een bakker die De Joode heette. Dan moet je dus juist weer een hoofdletter hebben.

Waarom dan toch die onderkast? Misschien wilde het Groene Boekje de Moren en de negers niet beledigen: moorkop en negerzoen zijn ook allebei onderkast, en die willen óók respect.

Ik denk niet dat respect een vruchtbaar criterium is voor spellings­regels, zelf schrijf ik consequent een kleine j, omdat een grote J me te veel doet denken aan de oude man die in de tram uit eerbied opstaat voor een jonge jood.

Met het onderscheid tussen ‘kapitaaljoden’ en ‘onderkastjoden’ loop je in ieder geval vast. Dat er toch zo krampachtig aan wordt vastgehouden, is tekenend voor de dubbelzinnigheid die de positie van joden lange tijd heeft omgeven. Tekenend ook voor de draaikolk van joodse onzekerheid en trots die hiermee wordt gecodificeerd in een onwerkbaar polder­compromis.

Waar doet dat compromis me toch aan denken? Het schoot me te binnen toen ik in de Volkskrant het commentaar las van de bedrijfsleider van slagerij Marcus op het onlangs gesloten ‘convenant ritueel slachten’. ‘Het convenant is opgesteld door mensen die van achter hun bureau regels bedenken die in de praktijk niet werken’, zei hij. Een convenant, bedoeld om de kool en de geit te sparen: eerst mocht het wel, ritueel slachten, daarna niet, en nu – misschien! – half wel en half niet. Hetzelfde verhaal als dat van kapitaal en onderkast. En resultaat van dezelfde dubbelzinnigheid.

Ze heeft een lange geschiedenis, deze dubbelzinnigheid. Zo lang dat we haar bijna als normaal zijn gaan beschouwen. Maar past ze nog wel in deze tijd? Zijn joden nog wel zo bijzonder als ze altijd zijn geweest?

Ik vertel mijn verhaal vanuit een persoonlijk perspectief: als ‘vaderjood’ behoor ik tot degenen die met deze dubbelzinnigheid in dubbel opzicht worden geconfronteerd. Volgens de regels van het orthodoxe jodendom wordt iedereen met een joodse moeder zonder meer als jood beschouwd – een joodse vader betekent niets. Wij vaderjoden zwerven dus meer dan wie ook tussen kapitaal en onderkast. Horen wij nou wel of niet bij de club? En bij welke club dan precies? Willen wij, om Groucho Marx te parafraseren, wel lid zijn van een club die ons niet als lid wil hebben?

Aan mijn eigen opvoeding was niets helemaal joods. Alles wat joods was, was met ongewisheid omgeven. In de eerste plaats de oorlog natuurlijk – vooral een kwestie van zwijgen en onbeantwoorde vragen. Daarnaast busjes op de schoorsteen en collectes aan de deur, waarbij vreemde woorden hoorden die iets met Israël te maken hadden. Verder een absoluut kerstboomverbod – waarom snapte ik niet. Ik ging wel eens stiekem naar de bovenburen, die waren katholiek en hadden d’r een. Mocht van m’n ouders; die buren waren goed geweest in de oorlog.

Soms ging mijn vader opeens een beetje echt joods doen. Met Pesach bijvoorbeeld, ‘joods Pasen’, dan werden er matses gegeten. En als we op bezoek waren bij onze echt-joodse familieleden, ging hij joodse woorden gebruiken.

Die woorden – die kende ik wel. Uit de boeken van Meyer Sluyser, die allemaal bij ons in de kast stonden. Ik vond het dan ook behoorlijk irritant dat mijn joodse tante het, iedere keer dat er zo’n woord viel, nodig vond om me toe te fluisteren ‘Da’s een joods woord’ en dan de vertaling erbij te leveren.

Als mij wordt gevraagd of ik als ‘halfjood’, zoals het vroeger werd genoemd, wel eens ben gediscrimineerd, kan ik naar waarheid antwoorden: ja, door joden. Het sterkst op de Jozeboko, de Joodse Zee- en Boskolonie in Wijk aan Zee, waar ik een keer naartoe werd gestuurd tijdens de vakantie van m’n ouders. En alles deed wat God verboden had.

Die ‘discriminatie’ gebeurde natuurlijk niet uit kwade bedoelingen. Ze was een uitvloeisel van die dubbele dubbelzinnigheid. Mijn tante kwam met die vertalingen om ons op ons gemak te stellen. Om ons niet in verlegenheid te brengen. Misschien ook omdat zij zélf verlegen was met ons.

Voor mijn tante bestond de wereld vanaf de oorlog uit twee soorten mensen: de joden en de anderen. De joden waren in principe te vertrouwen, de anderen niet. Ik begreep dat heel goed en was erg op haar gesteld. Alleen pasten wij toevallig niet helemaal in dat plaatje.

Bij de laatste joodse volkstelling, gehouden in opdracht van Joods Maatschappelijk Werk in 2009, werden wij semi-semieten ruimhartig meegerekend, waarmee een flinke uitbreiding van de doelgroep werd gerealiseerd. Het aantal ‘joden’ in Nederland steeg met 12.000 naar 52.000. Wel werd daarmee die dubbelzinnigheid tussen kapitaal en onderkast in zeker opzicht versterkt. Het aandeel ‘joden’ dat ook joods leeft en gebonden is aan joodse organisaties, toch al een minderheid, daalde daarmee immers nog verder en bedraagt nu nog maar veertien procent. Verreweg de meeste kapitaaljoden zijn dus geen onderkastjoden meer.

Tegelijk is er iets raars aan de hand. Hoewel een steeds groter deel van de Nederlandse joden geen vanzelfsprekende en eenduidige relatie meer heeft met het jodendom is er ook een duidelijke opbloei van hun deelname aan cultureel-joodse activiteiten. Die traditionele dubbelzinnigheid is klaarblijkelijk geen reden meer om je afzijdig te houden.

Lakmoesproef is voor mij de jaarlijkse 4 mei-herdenking. Waar te gedenken? Vroeger ging ik naar de Dam, maar daar voelde ik me ongemakkelijk te midden van de militaire uniformen en de nadruk op de ‘gevallenen’ voor het ‘vaderland’. Ik wist wel waar mijn soort gevallenen werd herdacht – in de Hollandsche Schouwburg – maar daar durfde ik niet heen: ik voelde me niet joods genoeg.

Totdat ik een paar jaar geleden terechtkwam bij de herdenking in de Amsterdamse Transvaalbuurt, waar mijn ouders opgroeiden en elkaar ontmoetten in de ajc, de sociaal-democratische jongerenorganisatie. De Transvaalbuurt had voor de oorlog een duidelijke joodse signatuur, maar godsdienst speelde daarbij een ondergeschikte rol, en de ‘halachische’ voorschriften over wie er wel en niet als jood meetelde, interesseerden niemand. Hier was het jodendom aan de orde op een manier waarbij ik me thuis voelde. Hier hoefde ik niet moeilijk te doen over de mate van mijn joods-zijn, hier waren alle varianten even vanzelfsprekend, en dat gaf me een gevoel van vrijheid.

Toch kan ik me niet voor honderd procent verplaatsen in dat Transvaalbuurt-jodendom van mijn vader. Er is ook een kardinaal verschil. Zoals elke groep die zich emancipeert, deden de Transvaalbuurt-joden alles samen. Dat gold ook voor de ajc-afdeling Transvaal, die voor negentig procent joods was. Ik zag het in de fotoalbums van mijn ouders: samen eropuit, vaak in gesloten gelederen achter blokfluit en mandoline, gekleed in uniform.

Dansen deden die ajc’ers ook groepsgewijs – niet in de synagoge maar rond de meiboom op het Transvaalplein of op de Paasheuvel. Volks­dansen… mijn moeder kon maar niet begrijpen waarom wij daar geen zin in hadden. Zelf begreep ik het toen ook nog niet helemaal. Natuurlijk – de emancipatie was voltooid, het Ik-tijdperk kwam eraan, waarom zou je je voegen naar de regels van een groep?

Pas later realiseerde ik me dat er ook nog iets anders aan de hand was. Dat ik me niet prettig voel onder grote groepen mensen die allemaal hetzelfde doen omdat het zo hoort, heeft natuurlijk ook te maken met de oorlogsherinnering. Grote groepen zijn gevaarlijk. Individuen die hun eigen baan gaan en nee durven zeggen, outsiders, randfiguren, dáár moet je het van hebben.

Dat is voor mij de essentie van het diaspora-jodendom, die door die oorlogsherinnering nog eens werd versterkt. Nergens bij willen horen, volgens de wet van Groucho. En ik ben daarin niet de enige. Vooral bij de naoorlogse generatie bestaat een toenemende neiging om ‘op individualistische en eclectische wijze inhoud te geven aan hun jood-zijn’, lees ik in het onderzoek De joden in Nederland anno 2000.

Wat blijft er aan gemeenschappelijks over? Ik heb een dochter en een kleinzoon. Hebben zij iets overgenomen van dat joodse kantje van mijn identiteit? Mijn dochter is dichter, in haar gedichten komen de oorlog en de daardoor aangerichte verwoestingen af en toe aan bod. Daarnaast herken ik maar één ander aspect van die joodse erfenis in haar, en trouwens ook in mijzelf – en in mijn kleinzoon. Dat is de neiging om met taal te willen spelen, en met logica, de behoefte om waar te nemen en commentaar te leveren, het plezier in leren, tegenspraak leveren en ruzie maken. Al dat soort dingen – die een ander misschien kortweg ‘eigenwijsheid’ zou noemen – maken voor mij samen met de oorlogsherinnering de joodse kant van mijn identiteit uit.

Gek genoeg mis ik dat aspect nogal in de pogingen om in kaart te brengen wat hedendaagse joden in Nederland bindt. In dat onderzoek naar de Nederlandse joden in 2000 zie ik, als het gaat om ‘de betekenis van jood-zijn’, pas op de vierde plaats iets staan wat er in de buurt komt: een gevoel ‘van binnen joods te zijn’. Het gaat daarbij om ‘persoonlijkheid, manier van voelen, denken en gedragen’, maar bij mij gaat het om een heel bepaald aspect van dat gevoel; in andere opzichten voel en gedraag ik me helemaal niet joods.

Zo deel ik met andere joden niet een bepaalde mening over Israël of ritueel slachten, een liefde voor kippensoep of een diepe verontrusting over hedendaags antisemitisme in Nederland. Ik ben ook niet erg gevoelig voor die joods-culturele initiatieven die de laatste tijd tot ontwikkeling komen. Je zult mij niet gauw zien in een joodse gespreksgroep of een joods café, laat staan op een seideravond, de feestelijke maaltijd waarbij de joodse uittocht uit Egypte wordt herdacht.

‘Kom je bij ons seideravond vieren?’ Het wordt me de laatste tijd herhaaldelijk gevraagd. ‘Het is héél bijzonder, je moet het echt een keer doen.’ Joden die joden proberen te bekeren tot het niet-religieuze jodendom – gekker moet het niet worden. Seideravond zegt mij weinig. Bij ons thuis deden we er niet aan; waarom zou ik er dan nu mee gaan koketteren? Als ik de gebruiksaanwijzing in joodse blaadjes doorlees, zinkt de moed me trouwens al bij voorbaat in de schoenen. Dan doen we dit, dan dat, dan zijn we blij… Wat moet dat, met dat ‘we’? Ik maak zelf wel uit wat ik doe. En daar hoort niet bij om met z’n allen te gaan rondspringen in een soort praise the lord-achtige blijheid. Dat is iets voor joden in Anatevka of in New York, niet voor Transvaalbuurt-joden.

Toch geloof ik niet dat er een principieel verschil is tussen mij en degenen die me voor zo’n seideravond proberen te rekruteren. Allemaal zijn we niet gelovig maar wel in zekere mate gevoelig voor culturele en etnische identificatie met het jodendom. Het verschil zit hem vooral in de intensiteit van dat gevoel.

Zelf maak ik de laatste tijd steeds meer werk van 4 mei, ga ik af en toe naar joodse films – onlangs nog naar Tevye der milchiker – en vind ik Jiddisch de mooiste taal van de wereld. Vroeger zou ik dat niet zo gauw hebben gedaan en gezegd. Klaarblijkelijk ben ik nu zo ver dat ik dat vage gebied tussen kapitaal en onderkast, dat ik altijd heb gemeden, durf te betreden. Dat ik de dubbelzinnigheid en verlegenheid achter me kan laten.

Als dat zo is, en als dat ook voor anderen geldt, is de vraag: waarom? Waarom nu? En wat betekent dat dan voor de positie van al diegenen die zich aan de marge van de joodse gemeenschap bevinden?

Om daarover iets te zeggen, ga ik in het kort na hoe die dubbelzinnigheid is ontstaan. Vóór de joodse emancipatie van 1796 vormde de Joodse Natie een welomschreven kader waarbinnen je als jood je hele leven kon leiden. De positie van de Nederlandse joden was toen niet onproblematisch maar ook niet dubbelzinnig. Na de emancipatie werd het steeds minder vanzelfsprekend elkaars anders-zijn te erkennen, signaleerde M.H. Gans, de schrijver van het Memorboek. ‘Joden gingen er ook geheimzinnig over doen. Dat begreep de niet-joodse bevolking weer niet.’

Sinds 1796 hoorden de joden erbij en waren toch ‘anders’. In de twintigste eeuw kreeg die dubbelzinnigheid een enorme impuls door de massamoord. Joden waren op de meest extreme manier in een uitzonderingspositie geplaatst – een feit waarmee niemand menselijkerwijs op een ‘normale’ manier kon omgaan. De dubbelzinnigheid nam nu de vorm aan van verlegenheid, schaamte en schuldgevoel – zowel bij de overlevenden als bij de ‘omstanders’, die voor het overgrote deel passief hadden toegezien.

Zo schreven de historici Jan en Annie Romein kort na de oorlog: ‘Zeker is dat het weten omtrent Jood en niet-Jood dat ons in de oorlog werd opgelegd, ons in de huid is gedrongen. Voor de niet-Jood betekende dat: een haperende geremdheid, een redeloze vrees om te kwetsen, die soms alleen maar mal, maar soms ook – kwetsend is, en de beste vriendschap af en toe vertroebelen kan.’

Ook de joden worstelden met gevoelens van verlegenheid en schaamte. Deze schaamte bij degenen die daar op het eerste gezicht juist geen reden toe hadden, is uitgebreid gedocumenteerd. ‘Het besef te behoren tot een groep die straffeloos kon worden vernederd en mishandeld, was schaamteverwekkend’, constateerde psychiater Louis Tas al lang geleden. ‘Schaamte is het gevoel dat je in de ogen van anderen compleet waardeloos bent en dat ze daarin nog gelijk hebben ook.’

Ook de Nederlandse overheid droeg bij tot een verdere toename van de dubbelzinnigheid – paradoxaal genoeg juist door joden angstvallig als ‘gewone’ burgers te behandelen. Joden mochten als oorlogsslacht­offers niet in een uitzonderingspositie worden geplaatst, dat zou positieve discriminatie zijn. Ze mochten in het openbaar domein ook geen eigen herinneringstekens oprichten. Ongeveer zoals het ook toeging in de Sovjet-Unie: de massamoord op de joden was niet meer dan één van de spaanders die in de hakpartij nu eenmaal waren gevallen.

Vanaf de jaren zestig en zeventig, toen de naoorlogse generatie oud genoeg was om vragen te gaan stellen, werden de gevoelens van verlegenheid en schaamte – die tot dan toe vooral in het verborgene hadden geleefd – manifest. De uitzonderingspositie van de joden als oorlogsslachtoffers werd nu volmondig erkend, maar tegelijk kreeg de dubbelzinnigheid in de relatie tussen joden en niet-joden – en later bij uitbreiding tussen autochtone en allochtone Nederlanders – een nieuwe impuls. Onder invloed van een doorgeslagen politieke correctheid werd de verlegenheid aangelengd met omzichtigheid. Als het over joodse kwesties ging, moest je op je woorden passen, want voor je het wist, was je een antisemiet.

Tekenend was het zendingswerk van de Anne Frank Stichting in de jaren tachtig, goed bedoeld maar met het effect dat de bestaande dubbelzinnigheid werd geprolongeerd en versterkt. In de Anne Frank Krant die op alle lagere scholen werd verspreid, was bijvoorbeeld te lezen dat ‘Joodse mensen’ niet aan hun uiterlijk te herkennen zijn en er net zo verschillend uitzien als ieder ander. ‘Het beste kun je zeggen dat iemand Jood is als die zichzelf Jood voelt.’

Intussen zijn we weer dertig, veertig jaar verder. Politieke correctheid heeft plaatsgemaakt voor een nieuwe openhartigheid, die soms over de schreef gaat maar die mij toch veel liever is dan de besmuiktheid van eind vorige eeuw. Etniciteit is – ook voor joden – geen taboe meer. Integendeel, het is een van de manieren om je als individu te profileren.

Een belangrijke reden waarom dat nu mogelijk is, lijkt mij dat met die dertig, veertig jaar ook de tijdsspanne die ons scheidt van de oorlog is toegenomen. Sonja Barend, Maurice de Hond en Bram Moszkowicz vertelden dit jaar voor het eerst over de verwoesting die de oorlog in hun familie heeft aangericht. Zij durfden ‘uit de kast’ te komen met hun verhaal.

Dat komt niet doordat de oorlogsherinnering verjaart of in vergetelheid zou raken. Wat voorbijgaat, is niet de intensiteit van die herinnering – die lijkt mij alleen maar toe te nemen – maar het gevoel van schaamte dat eraan kleefde. Onder meer daardoor lijkt er een kentering op te treden in die trend van toenemende dubbelzinnigheid, verlegenheid, schaamte en omzichtigheid met betrekking tot de joodse identiteit.

Van belang is ook dat joden hun positie van enige echte ‘minderheid’ zijn kwijtgeraakt; zij hebben in Nederland niet meer het anders-zijn in pacht. De moslimgemeenschap, meer dan tien keer zo groot, heeft nu veel sterker te kampen met de daarmee gepaard gaande onzekerheidsgevoelens.

Tekenend was een recent interview van Daniëlle Pinedo in NRC Handelsblad met joodse en islamitische zegslieden over die kwestie van het ritueel slachten. Ronnie Eisenmann, voorzitter van de Joodse Gemeente Amsterdam, stelde voor om samen met de moslims een professioneel lobbyist in te schakelen. Waarop Amin Abed Ali van het Contactorgaan Moslims en Overheid hem geschrokken aankeek: ‘Denk je niet dat wij daarop worden aangekeken? Moslims liggen onder een vergrootglas. Wij krijgen veel over ons heen en stellen ons daardoor terughoudend op.’

‘Ik begrijp je angst’, zei Eisenmann. ‘Maar toch zeg ik: als minderheid moet je je tegen de klippen op profileren. Laten zien wie je bent en waar je voor staat.’ Zou hij zoiets vroeger ook hebben durven zeggen? Ik denk het niet: zelfbewust naar buiten treden, dat bracht toen het gevaar met zich mee ‘risjes te maken’, anti-joodse gevoelens te prikkelen. Nu zijn het de moslims die bang zijn om risjes te maken.

Het is even wennen, maar joden lijken hard op weg om gewone Nederlanders te worden. Dat geldt ook voor de ontwikkeling van de joodse ‘kerkgenootschappen’, zoals ze in Nederland al twee eeuwen lang worden aangeduid. Net als in de christelijke kerken is er sprake van secularisatie in de vorm van een geleidelijke maar continue afkalving van kerkelijkheid, die gepaard gaat met behoud of zelfs opleving van een kleine groep ultra-orthodoxen.

Tegenwoordig kun je, aldus Harry van den Bergh in een column op crescas.nl, figuren op straat zien lopen, ‘gekleed in direct uit het Oost-Europa van de achttiende eeuw afkomstige kleding’. Hij stelt voor de Amsterdamse joodse gemeente op te splitsen in een radicaal-orthodox clubje voor die ‘baardmannen’ en een gematigd-orthodox deel waar bijvoorbeeld ook homoseksuelen welkom zijn. Een ontwikkeling die bij de Nederlandse protestanten al veel eerder heeft plaatsgevonden, bij de katholieken onmogelijk nog lang op zich kan laten wachten en bij de islamieten meer dan wenselijk zou zijn.

Als we kijken naar het andere uiterste van het religieuze spectrum – de vrijzinnige kant – kun je zelfs zeggen dat de joden in Nederland de voorhoede vormden van de secularisatie. ‘Het religieus getinte gedrag van velen is tot op zekere hoogte geseculariseerd’, schreef Marlene de Vries in het onderzoekverslag van De joden in Nederland anno 2000. Al voor de oorlog was er een ontwikkeling waarbij joden ‘steeds minder joods’ werden – zie bijvoorbeeld de Transvaalbuurt.

‘Cultuurjoden’, zou je dus kunnen zeggen, waren voorlopers van de ‘cultuurchristenen’ die tegenwoordig in de protestantse en katholieke kerken de dienst uitmaken. Overal in kerkelijk Nederland wordt nu een god aanbeden waarin de meeste aanwezigen niet meer geloven op de manier waarop hun voorouders dat deden. De rituelen om die god te vereren en te vermurwen, gaan steeds meer lijken op toneelstukjes.

Dat wil niet zeggen dat religiositeit helemaal verdwijnt – wel dat de waarde daarvan steeds meer gezocht wordt in de oude betekenis van dat begrip: verbinding, en dan vooral: verbinding met andere mensen. Religiositeit wordt in Nederland steeds meer individueel beleefd en vormgegeven, waarbij het bovennatuurlijke aspect vervaagt en het sociale juist scherper wordt aangezet.

Onderdeel van die verschuiving in sociale en culturele richting is de oplevende belangstelling voor joods erfgoed, ook onder die 86 procent ongeorganiseerden. Ook het succes van de Liberaal Joodse Gemeente kan in dat licht worden bezien. Deze opbloei van het ‘vrijzinnig’ jodendom is opmerkelijk, omdat bij de christenen juist de meest vrijzinnige kerk­genootschappen, zoals de doopsgezinden en de remonstranten, de snelste afkalving laten zien.

Het heeft er alle schijn van dat de Liberale Gemeente vooral fungeert als een soort joods community center – een plek waar het voortbestaan van de joodse gemeenschap wordt gevierd. Zo ging een mij bekende joodse dame die ik nooit op enig religieus gevoel heb kunnen betrappen, met het lood in de schoenen naar de rabbijn om zich aan te melden. Was ze wel joods genoeg? Maar tot haar opluchting wilde de rabbijn het helemaal niet over God en religie hebben. Nu wist ze wel dat je bij de joden de naam van God niet mag noemen, maar dit ging verder: Don’t mention religion! leek wel het devies.

Is deze ontwikkeling goed of slecht nieuws? Daarover kun je van mening verschillen. Het slechte nieuws is dat het voortbestaan van een geprononceerd-joodse gemeenschap van enige omvang – ook door het toenemend aantal gemengde huwelijken – op langere termijn niet verzekerd lijkt. Het goede nieuws is dat deze ontwikkeling een bijdrage vormt tot het verminderen van de dubbelzinnigheid in de positie van de joden. Net als andere ‘ontzuilde’ Nederlanders ontwikkelen zij zich tot een gewone bevolkingsgroep met een gedeelde geschiedenis waarvan religie ooit een belangrijk bestanddeel was.

De overgang naar zo’n minder beladen en minder dubbelzinnige positie is voor velen niet gemakkelijk. ‘In het isolement ligt onze kracht’ was lange tijd voor veel joden het devies. Maar het koesteren van die uitzonderingspositie verhindert ook het afscheid van de dubbelzinnigheid. Evelien Gans waarschuwde daarvoor in haar boek Gojse nijd en joods narcisme; zij spreekt van een ‘narcistisch zelfbeeld van leed en trots’.

Onder anderen Alain Finkielkraut schreef over de naoorlogse ‘imaginaire jood’, die respect ontleent aan een lijden waaraan hij zelf geen deel had en dankbaar gebruik maakt van ‘het personage van de vervolgde’ zonder zelf ooit vervolgd te zijn. Zo zag ik onlangs een tweet van een jonge joodse schrijver met de tekst: ‘Ik ga zo’n EK-shirt van Heineken bestellen met als rugnummer 40-45.’ Ik moest me beheersen om hem niet een mailtje te sturen met de suggestie om zo’n geinig Auschwitz-nummer te laten tatoeëren, op z’n arm of op een ondeugend plekje.

Er zijn dus enkelingen die de oorlog gebruiken om te koketteren met hun joodse achtergrond. Maar eigenlijk vind ik een andere referentie aan de slachtofferpositie van de joden verbazender, omdat ze zich niet tot enkelingen lijkt te beperken. Uit onderzoeken – en ook uit de zelftest die je kunt doen op de site van het Joods Netwerk – blijkt steevast dat naast het oorlogsverleden de dreiging van antisemitisme het meest bepalend is voor het gevoel joods te zijn.

Ik ervaar die dreiging in Nederland absoluut niet. We hebben hier de eerder politiek dan etnisch geïnspireerde jodenhaat van een stelletje Marokkaanse rotjochies. Verder wordt er over joden niet vrijmoediger gesproken dan over Limburgers of Surinamers. Waarom dan toch vastgehouden aan dat beeld dat vooral antisemitisme de joden bijeenhoudt? Ik zie daarin een onbewust excuus om je te blijven vastklampen aan dat anders-zijn. Aan een positie die vertrouwd is, en in zekere zin zelfs comfortabel, maar die hoort bij een andere tijd: bij die twee eeuwen van verlegenheid en dubbelzinnigheid.

Nu daar een eind aan lijkt te komen, krijgt de Anne Frank Stichting toch nog gelijk: je bent zo joods als je je voelt!