Economie

Einde van Zalm

Wijselijk probeert Nederland niet de voorzitter van de eurogroep te leveren. Het is toch lastig om andere landen de les te lezen, als Nederland zelf met een te hoog tekort worstelt en niet aan de Europese norm van drie procent kan voldoen. De tijd dat Nederland als beste jongetje van de klas het hoogste woord kan voeren, ligt achter ons.

Het beste jongetje van de klas was Gerrit Zalm. Bij zijn aantreden als minister van Financiën in 2004 heeft hij een scheiding tussen uitgaven en inkomsten geïntroduceerd, waarbij de uitgaven een trendmatige groei laten zien en de inkomsten met de economische conjunctuur variëren. De Zalm-norm brengt economisch stabiliteit. Bij een tegenvallende conjunctuur blijven de inkomsten bij de uitgaven achter en verslechtert het saldo van de overheid, en omgekeerd. Automatisch dempt de overheid een economische op- of neergang door een tegenbewegend saldo. Anticyclisch beleid. Het brengt ook bestuurlijk rust. Mee- of tegenvallers bij de inkomsten leiden niet tot een politieke discussie over extra bestedingen of extra bezuinigingen. Bovendien moeten door het plafond aan de uitgaven tegenvallers binnen de begroting opgevangen worden. Dit werkt disciplinerend. Een minister met een gat in de hand moet zelf het gat dichten.

Gerrit Zalm was als minister van Financiën toch vooral een praktisch politicus. Als het zo uitkwam, overtrad Zalm zijn eigen norm. Zo koos hij in 2006 voor een lastenverlichting: dat was een situatie van hoogconjunctuur maar ook een jaar van verkiezingen. De liberaal Zalm koos steevast voor lastenverlichting. Hij wist desondanks de overheidsschulden terug te dringen, door de verkoop van aardgas en andere overheids­bezittingen. Per saldo werd er in de jaren van Zalm, 1994-2006 ingeteerd op het overheidsvermogen, zo constateerde Bas Jacobs (niet zo) fijntjes in de afscheidsbundel voor de gelauwerde minister. Bovendien gold het plafond voor alle uitgaven behalve belastinguitgaven: de hypotheekrenteaftrek groeide, de belasting­vrijstelling van pensioenen nam toe, en vermogens­winsten bleven onbelast. Voor die uitgaven was de disciplinerende werking van een plafond niet gewenst. Het was en is een rechtse hobby om het vergaren van privaat bezit zo veel mogelijk aan te moedigen, desnoods met een overdaad aan publieke subsidies. Ook de zuinige boekhouder Onno Ruding was geen uitzondering op deze regel. Hij leek bereid in alle uitgaven te snijden om de overheidsfinanciën weer op orde te brengen, maar had als voorwaarde bij zijn aantreden toch ‘geen gerommel aan de hypotheekrente’.

De opvolgers, Wouter Bos en Jan Kees de Jager, hebben niet een blijvende bijdrage aan het begrotingsbeleid kunnen leveren. Integendeel, in beide perioden is een tussenformatie nodig gebleken en is het begrotingsbeleid tussentijds aangepast. In de periode van Bos is nog in de geest van de Zalm-norm gehandeld: in het zeer slechte jaar 2009 een hoog oplopend tekort en in latere, betere jaren een teruglopend tekort. In de periode van De Jager is zelfs de geest van de norm niet nageleefd. In het regeerakkoord is afgesproken en ingebakken dat bij een beetje tegenvaller extra bezuinigingen nodig zijn, ongeacht de economische situatie.

De oproep van Planbureau-directeur Coen Teulings in de Financial Times om niet extra te bezuinigen, is tevergeefs want veel te laat geweest. Dat de tegenvaller meer dan een beetje is, heeft het kabinet vooral aan zichzelf te wijten. De lastenverzwaring in 2012 en de bezuinigingsretoriek vanaf 2010 hebben de consumenten voorzichtig gemaakt en de economische groei onder druk gezet. Het begrotings­beleid is daarmee twintig jaar terug in de tijd gegaan: een tijd van tekorten van meer dan drie procent en ­tussentijdse ronden van bezuinigingen. Van de gulle lach van Zalm weer terug naar het zuinige mondje van Ruding.

De conclusie is dat de bijdrage van Zalm niet zo blijvend is geweest. Het idee erachter is goed en de retoriek erbij is nog beter. Maar economische stabiliteit en bestuurlijke rust zijn makkelijker voor te wenden in een ronkende dan in een sputterende economie. Zo heeft in de periode van Paars de motor van de Nederlandse economie volop gedraaid, opgestookt door de toenemende participatie, met name van vrouwen.

Bovendien moeten overschotten in goede tijden tekorten in slechte tijden compenseren. Maar de politieke druk om te besteden en niet te sparen is groot als de schatkist volstroomt en uitpuilt. Onder die druk is ook Zalm bezweken. Maar wees voorzichtig met een beschuldigend vingertje naar een praktisch politicus: ook u bent pas bereid bezuinigingen en ­hervormingen te aanvaarden als de economie ­sputtert, en niet eerder. En wees ­voorzichtig met het geheven vingertje naar die landen die hun overheidsfinanciën niet op orde hebben: ook Nederland heeft die niet op orde.

Nederland is niet meer het beste jongetje van de klas.