Einde verhaal

Wie zich verdiept in de intellectuele handelsbalans tussen architectuur en filosofie, komt tot de conclusie dat deze allesbehalve evenwichtig is. De laatste decennia is er een wanverhouding ontstaan tussen het enthousiasme waarmee de architectuur filosofische concepten omarmt en de desinteresse onder filosofen voor de intellectuele implicaties, laat staan aspiraties van het bouwen. Een belangrijke reden hiervoor is dat de architectuur steeds verder werd onderverdeeld in twee kampen: het strikt artistieke en het strikt professionele.

Zo'n scheiding der geesten is nooit goed voor levendige wijsbegeerte. Maar nog belangrijker is het feit dat het de architecten toenemend ontbrak aan een cultureel motief, een roeping gebaseerd op zelfbewustzijn en -vertrouwen. Bij zulk een armoede is het altijd moeilijk om te geven.
De architectuur is dan ook in het algemeen weinig genereus waar het gaat om het aanbieden van ideeën waarvan het belang de directe kringgenoten ontstijgt. Zelfs bij grootheden als Charles Jencks of Rem Koolhaas moet hun verdienste toch vooral gezocht worden in het eerbetoon der vakgenoten, nauwelijks in het cultuurdebat in brede zin. De architectuur is al decennia bezig haar belang als cultuurdrager te redden en dat karwei kost zoveel energie dat ze niet ook nog paraat kan zijn bij de dageraad van werkelijk nieuwe ideeën. De laatste paar jaar komt daar ook nog eens de strijd bij om de architectuur als professie te redden. De aanblik van zo'n doodsstrijd is ook niet erg uitnodigend voor buitenstaanders.
De gastvrijheid van de architectuur zelf kende ondertussen nauwelijks grenzen. In haar pogingen haar intellectuele belang te handhaven werden tal van vakdiscussies vervangen door filosofische exercities. En hoe uiteenlopend de referenties en de bronnen ook waren, één begrip bleek steeds weer centraal te staan: Parijs. Wie de invloed van de filosofie op het architectuurdebat van de laatste dertig jaar onderzoekt, ziet een rij Parijzenaars langskomen: Barthes, Foucault, Lyotard, Derrida, Virilio en Deleuze. Het is uiteraard niet alleen de kunst der architectuur waarin deze eregalerij opgeld doet, maar zij is wel het onbeschaamdst eenzijdig in de adoptie van een rij namen, en van die namen vervolgens weer een rij begrippen die permanent ronddraaien in de gebedsmolen van de architectuurbeschouwing. Het niet-aflatende pogen uit de filosofie een externe rechtvaardiging te halen in plaats van een interne uitdaging, is funest geweest voor het filosofische gehalte van het gesprek over architectuur. Niet zelden werd een gedachtegoed simpelweg als doctrine verkondigd. Filosofie bedrijven werd een belang behartigen. Een tegenspraak.
Ga maar na: ‘de dood van de auteur’ (Barthes) leverde het ene spectaculaire, hoogstindividuele handschrift na het andere op. Een analyse van de macht (Foucault) kwam uit op een defaitisme zonder grenzen of een schaamteloze strijd om de schaarse opdrachten, te vergeven door diezelfde macht. Het 'einde van de grote verhalen’ (Lyotard) werd het grootste verhaal van de jaren tachtig, een onontkoombare mantra waar elke serieuze tekst mee begon. De theorie van de 'differentie’ werd een vrijbrief voor een eindeloze queeste naar steeds weer een ander verschilletje, totdat het onderscheid tussen al die verschilletjes zo klein werd dat er alleen nog een massieve consensus van het Verschil overbleef; precies de consensus waar het sterrensysteem op drijft. De 'dromologie’ (Virilio), ooit op schrift gesteld vanuit het unheimliche gevoel over de totale mobilisering van de wereld, werd door architecten opgevat als een pleidooi voor snelheid. En de vitalistische filosofie van 'het geplooide denken’ (Deleuze) is alweer lang en breed een complete metafoor geworden. En metaforen zijn allesbehalve vitaal.
De vraag is nu of er zich binnenkort weer een volgende naam aandient, of dat de balans inmiddels zo negatief is dat er andere middelen beproefd moeten worden, die wellicht helemaal niet filosofisch zijn.