50 jaar na het Tet-offensief

Eindelijk bevrijd van Vietnam?

Medium gettyimages 51335735
Een tank dienend als ambulance tijdens het gevecht om Hue, 1968 © John Olson/ The Life Images Collection / Getty Images

Kun je een oorlog winnen door een daverende nederlaag te lijden onder het toeziend oog van de wereld? Door met tienduizenden te sterven en al je doelen te missen, maar te winnen door het simpele feit dat je kwam opdagen? Misschien kunnen mensen zich daar wat bij voorstellen in onze tijd, waarin perceptie de werkelijkheid is en communicatie de eerste dimensie van oorlog. Maar het was verbijsterend toen dat ook daadwerkelijk gebeurde, toen het machtigste land ter wereld zich vast had gevochten in een uithoek van Azië, en het naoorlogse vooruitgangsgeloof in westerse landen dreigde te sterven in de jungles en rijstvelden van Vietnam. De Amerikaanse president Johnson was zijn burgers en iedereen die het wilde horen een paar maanden aan het vertellen dat het einde nu eindelijk in zicht was. En toen kwam het Vietnamese Nieuwjaar, eind januari 1968.

‘We hadden een enorme, collectieve zenuwinzinking’, schreef de cultschrijver Michael Herr in Hell Sucks, een van de delen van zijn oorlogsrelaas Dispatches. ‘Na afloop waren we als dat karakter in de popcultuur van soldaten, dood maar te dom om te gaan liggen. Onze grootste angst voor het gele gevaar was werkelijkheid geworden; we zagen ze nu sterven met duizenden tegelijk over het hele land, maar ze leken niet uitgedund, laat staan uitgeput, zoals het Hoofdkwartier claimde op de vierde dag. We namen terrein terug met totale paniek en bijna maximaal geweld. Zo kwam het grootste deel van het land weer terug onder wat we controle noemden, en zo bleef het in feite bezet door de Vietcong tot de dag dat er niemand van ons meer over was.’

In zijn hallucinerende taal ving Herr de betekenis van het Tet-offensief: een orgie van geweld met de Verenigde Staten als duidelijke winnaar – tenminste als je in de leugen geloofde van oorlog als het bezetten van land en het doden van vijanden – en als afgetekende verliezer als het ging om wil, zelfvertrouwen, en toewijding om te vechten. Dat knakte meer dan het Amerikaanse geloof in de juistheid van een verre oorlog. Het ondergroef centrale aanspraken van liberale democratieën in de wereldwijde botsing van ideeën tijdens de Koude Oorlog. En het verwondde permanent het land dat de naoorlogse wereld vormgaf.

‘De Verenigde Staten kennen sinds de Vietnamoorlog een cultuur van slachtofferschap’, zegt Christian Appy, hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Massachusetts en schrijver van vier boeken over de Vietnamoorlog, in een telefonisch gesprek. ‘Er zijn sindsdien bewuste pogingen geweest om het geloof in Amerikaanse uitverkorenheid weer bijeen te sprokkelen. Maar het zelfvertrouwen van de jaren veertig, vijftig is nooit teruggekomen. Het Amerikaanse nationalisme is defensiever, bombastischer, xenofober, het heeft sindsdien een gekrenkte en boze frustratie gekregen over vreemde, buitenlandse krachten die om onverklaarbare redenen de VS willen schaden.’

‘Het publieke gevoel is dat we destijds zijn verwond en de Vietnamoorlog blijft ook maar in de Amerikaanse cultuur en herinnering opduiken als een wond die nog altijd niet is geheeld. In boeken, documentaires en films over de Vietnamoorlog zie je steeds dezelfde aanwijzingen welke onderwerpen wel en welke niet geaccepteerd zijn om te behandelen. Ik zie weinig tekenen dat dit binnenkort zal veranderen. Het kostte honderdvijftig jaar om meer eerlijkheid te krijgen over de Burgeroorlog. Ik denk dat de hele Vietnam-generatie moet uitsterven voor we er eerlijk over kunnen praten.’

In de nacht van 30 januari 1968 kropen door heel Zuid-Vietnam tienduizenden mannen die jarenlang in de jungle hadden geleefd of een verborgen leven hadden geleid als geheime communistische kaders naar militaire bases van de Verenigde Staten of het regeringsleger van Zuid-Vietnam. Ze kwamen uit schuilplaatsen te voorschijn in de steden waar ze de voorgaande dagen binnen waren gesmokkeld, of begaven zich naar de adressen die op hun moordlijsten stonden. Jarenlang was het hun strategie geweest om ongezien te blijven, om weg te blijven uit de steden, en om directe slagen met het Amerikaanse leger te mijden. Dat zou in één klap veranderen.

De volgende ochtend vielen zij op hetzelfde moment meer dan honderd steden aan, inclusief de miljoenenstad Saigon en de oude keizerlijke stad Hue. De steden, die altijd veilig gebied waren geweest, waren door het hele land het toneel van wilde gevechten. Het was Tet, het Vietnamese nieuwjaar, waarop de strijdende partijen zich tot dan toe steeds aan een informele wapenstilstand hadden gehouden. Veel Zuid-Vietnamese soldaten hadden verlof, en het grootschalige offensief – de grootste operatie tot dat moment in de hele oorlog – verraste het Amerikaanse leger in Vietnam en het Zuid-Vietnamese regeringsleger volkomen. Het doel was niet om terrein te winnen of slachtoffers te maken. Het doel was het ontketenen van een revolutie.

Zo’n dramatische en gedurfde gok ging eigenlijk tegen de instincten en de koele, rationele planning in, waar de communistische zijde in de Vietnamoorlog zo goed in was. De communisten hadden in de jaren vijftig Frankrijk verslagen, waarna het land in tweeën was gedeeld en de VS het Zuiden waren gaan steunen. Noord-Vietnam was nu communistisch, onder leiding van president Ho Chi Minh. Het stuurde voortdurend soldaten naar het Zuiden. Ook het Nationaal Bevrijdingsfront was daar actief, de communistische guerrillabeweging die Vietcong werd genoemd. De VS hadden in de jaren zestig stap voor stap de oorlog en heel Zuid-Vietnam overgenomen. Er moest ‘een lijn in het zand komen’ tegen de wereldwijde opmars van het communisme, vond president Kennedy, en die trok hij in Vietnam, als etalage van de vastberadenheid van de VS.

De oorlog was echter al snel uitgelopen op een bloedige patstelling. Er waren dagelijkse gevechten op kleine schaal en hinderlagen door heel Zuid-Vietnam, plus Amerikaanse bombardementen op Noord-Vietnam en door Vietcong gecontroleerde gebieden in het Zuiden. Het was een slow bleed, met honderden slachtoffers per dag, maar weinig vooruitgang naar het einddoel: een kapitalistisch, pro-westers Zuid-Vietnam voor de VS, een verenigd, communistisch Vietnam voor Noord-Vietnam en de Vietcong.

In 1967 vonden in Washington en Hanoi opmerkelijk vergelijkbare debatten plaats. Voor beide zijden was de patstelling kostbaar en beschadigend. In beide hoofdsteden pleitten hardliners voor een drastische escalatie van de oorlog, terwijl gematigden onderhandelingen wilden en een vredesakkoord. In Washington koos president Johnson (zoals altijd) de middenweg: meer van hetzelfde. Maar in Hanoi wonnen de haviken, onder leiding van de harde maoïst Le Duan. Le volgde de strategische wijsheden van Mao Zedong, die voorschreef dat een revolutionaire strijd drie fasen kende. De eerste was een defensieve guerrillaoorlog. De tweede was een militaire patstelling. De derde was een beslissend offensief dat een volksrevolutie zou ontketenen. Le Duan achtte de tijd rijp – in werkelijkheid een forse gok.

‘Oorlogen worden tweemaal gevochten, de eerste keer op het slagveld, de tweede keer in de herinnering’

Om de aandacht af te leiden van de voorbereidingen voor het Tet-offensief begon Noord-Vietnam in 1967 met manoeuvres langs de grens met Laos. De Amerikaanse militaire en politieke top stortte zich met totale obsessie op het lokaas, met name op het beleg van de mariniersbasis in Khe Sanh. Toen het Tet-offensief uiteindelijk losbarstte, was dat daarom een complete verrassing. Niettemin wisten overal in het land binnen een paar dagen, soms slechts uren, het Amerikaanse en Zuid-Vietnamese leger zich te herstellen en de Vietcong te verdrijven. Alleen in Hue zou de Vietcong drie weken standhouden, en pas worden verdreven na intense huis-aan-huisgevechten die Vietnams mooiste stad in as legden. De tol was enorm: in de maanden na Tet (het offensief hield tot het begin van de zomer aan) zou de Vietcong ruim vijftigduizend man verliezen, evenveel als de VS in de hele oorlog, en nooit meer tot oude kracht terugkeren. Er was nergens ook maar een begin van een volksrevolutie geweest.

Evengoed was de impact van het offensief groot. Uit zorg om de dalende steun voor de oorlog had Johnson een ‘Succes-Offensief’ gelanceerd, een pr-campagne (met een rondtoerende generaal Westmoreland) die rondbazuinde dat de VS bíjna hadden gewonnen. Aan het einde van die campagne zette de bijna-verslagen vijand opeens heel Zuid-Vietnam in de fik, zonder dat iemand dat zag aankomen. Op hun tv-schermen zagen de Amerikanen hoe communistische commando’s urenlang vochten om de Amerikaanse ambassade in Saigon; op hun kranten prijkte de beruchte foto waarop een Zuid-Vietnamese generaal een vijand op straat executeerde, zo achteloos alsof hij een toilet doortrok.

Over het effect van dit alles zijn in de VS twee populaire en incorrecte mythes ontstaan. Ten eerste de ‘mediamythe’, die stelt dat ‘de media’ defaitistisch en negatief berichtten over het Tet-offensief, en daarmee de vijand in de kaart speelden. ‘De oorlog werd letterlijk de woonkamer, slaapkamer en keuken van Amerikanen ingepompt’, klaagde bevelhebber Westmoreland met een curieuze beeldspraak. Verschillende studies, ook aan militaire academies, hebben echter aangetoond dat Amerikaanse media juist uiterst braaf waren in hun berichtgeving over de oorlog. Na het Tet-offensief groeide weliswaar het aantal nieuwsberichten dat niet stelde dat de VS de oorlog aan het winnen waren, maar dat was natuurlijk ook de waarheid. Anti-oorlogssentiment bij de grote media bestond gewoon niet.

Een tweede mythe is dat de Amerikaanse bevolking zich door het Tet-offensief prompt tegen de oorlog keerde. Ook hier heeft een trits studies aangetoond dat de steun voor de oorlog lineair afkalfde: hoe langer het duurde en hoe meer slachtoffers, hoe lager de steun. ‘Tet’ had nauwelijks extra effect.

Waar dat offensief wél veel impact had, was waar het er het meeste toe deed. ‘Het effect van het Tet-offensief op Amerikaanse elites, in politiek, media en samenleving, was veel groter dan op het publiek’, zegt Jeffrey Record in een telefonisch gesprek. Record is emeritus-hoogleraar strategie aan Air War College, de universiteit van de Amerikaanse luchtmacht, en werkte voor de Amerikaanse Senaat. Ook werkte hij in 1968 en 1969 (als burger) in de Mekong Delta, waar hij de getuigenissen van gedeserteerde Vietcong-strijders analyseerde. Hij landde midden in het Tet-offensief en was aanvankelijk wekenlang opgesloten in Saigon, te midden van Amerikaanse soldaten en burgers die nog vol ongeloof waren over wat ze net hadden meegemaakt.

‘De militaire top zag in het Tet-offensief geen aanleiding om de strategie te wijzigen’, zegt Record. ‘Zij beschouwden het offensief als een nederlaag voor Noord-Vietnam en de Vietcong. Elites in de politiek en maatschappij reageerden heel anders, en daarom werd die militaire nederlaag ook een politieke overwinning. Het beïnvloedde sterk hoe president Johnson, de rest van de regering en politici in het Congres dachten over de oorlog’, stelt Record. ‘De regering was diep verdeeld over de militaire strategie van steeds toenemende escalatie. Het offensief liet de balans in de regering doorslaan naar degenen die weg wilden uit Vietnam.’

Niet het algemene publiek sloeg dus aan het twijfelen, maar de laag waar beleid wordt gemaakt en bedacht: columnisten en commentatoren, gedistingeerde heren in adviescommissies, hoge ambtenaren, politiek adviseurs. ‘Onze vijand, woest toeslaand door heel Zuid-Vietnam, heeft eindelijk het masker van officiële illusies kapotgeslagen waarmee we onze werkelijke situatie verhulden, zelfs voor onszelf’, zei de latere presidentskandidaat Robert Kennedy. ‘Nog maar kort geleden waren we sereen in onze rapporten en voorspellingen van vooruitgang. Niet in staat om onze vijand te verslaan of zijn wil te breken, moeten we actief op zoek naar een vredesverdrag.’

Met dit ineenstorten van de politieke consensus in Washington waren de VS inderdaad, zoals Michael Herr schreef, in feite verslagen maar te dom om te gaan liggen. Of beter: te trots om te gaan liggen. President Johnson en zijn opvolger Nixon wilden vanaf ‘Tet’ niets liever dan wegwezen uit Vietnam, maar alleen als het niet leek alsof de VS hadden verloren – het prestige van de VS en van hen persoonlijk stond niets anders toe. De VS zouden nog vijf jaar oorlog voeren en het aantal eigen slachtoffers en die bij de vijand verdubbelen voor zij eindelijk vertrokken. Twee jaar na het Amerikaanse vertrek – en na in totaal twee tot drie miljoen Vietnamese doden – viel Zuid-Vietnam.

Dit alles zou bijgezet kunnen worden in de vitrine van het verleden, ware het niet dat de Vietnamoorlog weigert uit het collectieve geheugen te verdwijnen. Dat geldt in de eerste plaats, al weten weinig mensen daarvan, voor Vietnam zelf. Herinnering in Vietnam is complex: het is een onvrij, totalitair land waarin het verleden traditioneel belangrijk is, maar waarin één historisch verhaal niet bestaat. Het land is een lappendeken van etnische, religieuze en sociale groepen en was van halverwege de negentiende tot eind twintigste eeuw onafgebroken bezet of in oorlog met Frankrijk, Japan, de VS, China, met buurland Cambodja en met zichzelf. Na de hereniging in 1975 verdween het land direct achter een gordijn van star communisme, internationaal geïsoleerd, economisch geruïneerd en het zuiden in feite bezet door het noorden – een enorme teleurstelling voor veel revolutionairen van het eerste uur. Toen in 1986 Vietnam liberaliseerde, in zijn eigen versie van perestrojka, verloor ook het nog altijd door de staat afgedwongen marxistische perspectief op de geschiedenis veel van zijn betekenis. Vietnam heeft daarom een overschot aan geschiedenis en een tekort aan manieren om het te herinneren. Het resultaat is dat de publieke herinnering ‘twee tegengestelde fenomenen combineert: hyper-mnemosis en verkozen geheugenverlies’, schreef Harvard-historica Hue-Tam Ho Tai in een studie daarover: een door de staat opgelegde stortvloed van herdenkingen en een opgelegd vergeten narratief over ontsnapping aan de tirannie.

Nothing Ever Dies van de Vietnamees-Amerikaanse schrijver Viet Thanh Nguyen, die in 2016 de Pulitzerprijs won met The Sympathizer, heeft hetzelfde thema. ‘Dit is een boek over oorlog, herinnering en identiteit’, begint het. ‘Het is geschreven vanuit het idee dat alle oorlogen tweemaal worden gevochten, de eerste keer op het slagveld, de tweede keer in de herinnering.’ Net als de Franse filosoof Jean Baudrillard voor hem observeert Nguyen dat Vietnam zich op het slagveld kon meten met de VS, maar op het terrein van herinnering kansloos was op alle culturele fronten buiten Vietnam zelf. Vietnam is via Hollywoodfilms en tv-series gedegradeerd tot een decor voor een Amerikaans drama.

‘Er blijft een grote behoefte om over de Vietnamoorlog te praten op een manier die ons er beter over laat voelen’

Evengoed bestaat er ook in de VS geen eenduidig perspectief. In de jaren zeventig had progressief Amerika de bovenhand in de strijd om de collectieve herinnering aan de oorlog. President Gerald Ford probeerde actief het doek over oorlogsherinneringen heen te trekken. ‘Laten we stoppen met onszelf wonden toebrengen’, zei hij, zodra de laatste Amerikaanse soldaten hun hielen uit Vietnam hadden gelicht, ‘de oorlog is over, wat Amerika betreft.’

Maar zo makkelijk ging dat niet. Born on the Fourth of July en andere memoires werden bestsellers en Apocalypse Now werd een van de meest besproken films aller tijden. Ook The Deer Hunter, Coming Home en andere films hielden de herinnering aan de Vietnamoorlog levend. Al die werken onderschreven het idee dat leefde bij links: dat de oorlog een vreselijke vergissing was geweest, een Amerikaanse ontsporing.

Maar de linkse visie op de Vietnamoorlog stuitte op grenzen. President Carter ging in 1979 voor veel Amerikanen te ver toen hij sprak over de ‘morele armoede’ van de Vietnamoorlog, die de VS in een ‘spirituele crisis’ had gestort. Binnen een jaar was links het monopolie op de herinnering aan de Vietnamoorlog kwijt. De nieuwe verkiezingscampagne, in 1980, werd een wedstrijd in chauvinistische borstklopperij, die werd gewonnen door Ronald Reagan. Hij wilde dat de Amerikanen zich ontdeden van hun ‘Vietnamsyndroom’ en de Vietnamoorlog omarmden als een ‘nobele zaak’.

Zijn overwinning ging gepaard met een uitgebreid revisionisme van de Vietnamoorlog, van de wetenschap tot de publieke herinnering. Voorheen marginale ideeën werden gemeengoed. Bijvoorbeeld dat de oorlog te winnen was geweest, als ‘de media’ en ‘de politiek’ het Amerikaanse leger niet de handen op de rug hadden gebonden. Een obsessie met vermeende Vietnamese kampen vol nimmer vrijgelaten Amerikanen golfde over de VS, en in belachelijke actiefilms bevrijdden Rambo of Chuck Norris legioenen aan onmenselijk vastgeketende krijgsgevangenen.

Ook het primaat van rechts hield niet stand. In de tweede helft van de jaren tachtig vonden links en rechts Amerika een manier om over de Vietnamoorlog te praten: door de aandacht niet te richten op de goede dan wel slechte daden in de oorlog, maar door te focussen op de gewone soldaat, die het allemaal ook niet had gewild en zijn best had gedaan. Het was als een bevrijding van het onderwerp ‘Vietnam’ en binnen drie jaar kwamen in de VS twintig Vietnam-films uit met de ‘nobele soldaat’ als onderwerp: Platoon, Casualties of War, Hamburger Hill, enzovoort.

In die nieuwe manier om over de Vietnamoorlog te praten mochten links en rechts allebei een paar stokpaardjes houden. Rechts behield de onpatriottische media, waardoor journalisten in Vietnamfilms vaak terugkomen als door soldaten gehate gluiperds – een totale verdraaiing van de broederschap die er in het veld bestond. Links behield de wreedheden tegen de lokale bevolking, hoewel die dan wel als ontsporingen van eenlingen moesten worden neergezet.

Maar dat het onderwerp ‘Vietnam’ hiermee werd bevrijd is slechts schijn, stelt historicus Christian Appy. Hij heeft recht van spreken, want er is waarschijnlijk niemand die meer onderzoek heeft gedaan naar de publieke herinnering aan de oorlog als hij. Zo interviewde hij voor zijn boek Vietnam: The Definitive Oral History, Told From All Sides over een tijdspanne van vijf jaar 350 mensen in de VS en Vietnam, van de generaals Westmoreland en Giap tot soldaten, verpleegsters, guerrilla’s, sjouwers op de Ho Chi Minh-route, gevechtspiloten, krijgsgevangenen, anti-oorlogsactivisten. ‘Als je goed kijkt naar hoe de Vietnamoorlog figureert in de Amerikaanse cultuur, zie je meteen dat er vaste thema’s zijn waarover wordt gepraat, en andere die worden verzwegen’, zegt Appy. ‘Het is een informele afspraak. De consensus is: “De Vietnamoorlog was een vreemde gebeurtenis in een ver land; we hadden er niet moeten zijn maar we moeten de mannen eren die we erheen stuurden.” Het wordt gezien als opzettelijke provocatie als iemand zich daar niet aan houdt, en het oogst bewondering als iemand een toon vindt waar zo veel mogelijk mensen zich in kunnen vinden.’

De nieuwe documentaire The Vietnam War van Ken Burns, die door miljoenen Amerikanen is bekeken, illustreert zijn punt. ‘Er zit veel interessant materiaal in’, zegt Appy, ‘maar het schroomt om werkelijk diep in te gaan op de manier waarop de VS de oorlog voerden of op de tol onder Vietnamezen. Een passende ondertitel zou zijn: Die nare oorlog die de VS zo moedig waren om te vechten. Een andere illustratie is de manier waarop Martin Luther King wordt geëerd. Iedereen heeft het over Kings antiracisme in Alabama, niemand spreekt over zijn verzet tegen de Vietnamoorlog en tegen het racisme in het Amerikaanse leger.’

De reden is dat het Vietnamtrauma nog altijd bestaat, meent Appy. ‘De meeste Amerikanen geloofden in de jaren zestig oprecht dat hun land, hun regering en hun instituties goed waren. Maar de realiteit was dat die VS een agressieve oorlog voerden op een extreem gewelddadige wijze, om een corrupt en gehaat regime te steunen in een land waar ze niet als bevrijders maar als bezetters werden gezien, en dat de Amerikaanse samenleving erdoor werd verscheurd. De publieke herinnering in de VS loopt om die realiteit heen door de cultivering van wat ik de “slachtoffer-helden” noem: de Amerikaanse veteranen. De VS eren hen niet alleen met monumenten, maar ook door een permanente verontwaardiging rond hen in stand te houden. Zo is het een algemeen aanvaarde visie dat een van de ergste aspecten van de oorlog was hoe veteranen thuis werden verwelkomd. Niet alleen was dat voor de meeste veteranen helemaal niet waar, maar het is ook een manier om niet te hoeven praten over wat het Amerikaanse leger daar heeft gedaan, over racisme of over de rijken die zich vrij konden maken.’

De veelgebruikte metafoor van de ‘open wond’ is daarom juist, vindt Appy. ‘Er blijft een grote behoefte in de VS om over de oorlog te praten, maar altijd op een manier die ons er beter over laat voelen, een die aanzet geeft tot genezing. Spreken over individuele soldaten provoceert andere Amerikanen niet, en is daarom veilig. De publieke herinnering toont een behoefte om de pijnlijke realiteiten van de oorlog te vermijden, maar erover te blijven praten op een therapeutische manier. Het toont dat de Verenigde Staten nog altijd niet een volledige afrekening met de Vietnamoorlog hebben gehad.’


In het kader van het filmfestival 1968: You Say You Want a Revolution vertoont Eye op 5 mei een compilatie van fragmenten uit Vietnam-oorlogsfilms, waarbij gasten spreken over de representatie van de Vietnamoorlog. Meer informatie