Nederlandse film richt de camera op politiek drama

Eindelijk een echt lijk

De nalatenschap van Theo van Gogh omvat twee politieke drama’s: de televisieserie Medea en de bioscoopfilm 06/05. Beide films staan in een relatief jonge traditie. Want met de dood van Pim Fortuyn is de saaie Haagse arena veranderd in een borrelende ketel.

Tot tien jaar geleden bestond er vrijwel geen bioscoop- of televisiedrama van belang dat de Nederlandse politiek als onderwerp had. Daar waren goede redenen voor. De arena was hemeltergend saai. De meest scherpzinnige scenaristen en regisseurs beten zich er de tanden op stuk. Zij hadden niets om mee te werken. Schandalen beperkten zich tot het werpen van een asbak door een glazen kunstwerk (Vredeling), dronkenschap, al of niet achter het stuur (Pronk, Smallenbroek), gejok op een cv (Schwietert) en het meenemen van een fles wijn op een receptie van Italiaanse boerenbonden (Berkhouwer). In 1959 trad een minister af wegens een verhouding met een gescheiden vrouw. In 1978 verloor fractievoorzitter Aantjes van het CDA zijn positie na onthullingen over zijn oorlogsverleden. Navo-secretaris-generaal Luns bleek NSB-lid, maar bleef zitten, net als Bernhard (Lockheed), zij het met verlies van epauletten. Er was maar één verfilmbaar schandaal: de opkomst en ondergang van Ben Korsten, pr-adviseur van enkele KVP-ministers in de late jaren zestig. Korsten had zich in 1967 in een interview met zwier laten voorstaan op zijn invloed op het hoogste niveau. Daarmee werd zijn positie onhoudbaar. De KVP-top desavoueerde Korsten, die in een vrije val raakte en in 1969 stierf aan een overdosis morfine. In De mannetjesmaker van Hans Hylkema (1983) werd gesuggereerd dat iemand hem daarbij geholpen had. Dat was alles.

Nee, dan Engeland. In februari 1994 werd het Lagerhuislid Stephen Milligan dood aangetroffen op zijn keukentafel, slechts gekleed in dameskousen en jarretels. Over zijn hoofd had hij een zwarte plastic zak, in de mond een stuk van een mandarijntje en om zijn hals een eind elektriciteitsdraad. Milligan was gestorven tijdens een onhandig potje masturbatie-wurgseks of auto-erotic asphyxiation. Nu was Milligan niet zomaar een backbencher. Hij was de parlementair assistent van de staatssecretaris van Defensie, Jonathan Aitken, die later zou worden veroordeeld wegens zijn rol in dubieuze wapenverkopen via Saoedische tussen personen. Milligan was ongetrouwd. Twee dagen voor zijn dood had hij in een interview gezegd dat hij door het politieke werk zijn emotionele leven had verwaarloosd, maar dat hij van plan was een vaste relatie te beginnen, te trouwen en kinderen te krijgen. De wapen affaire ging over honderden miljoenen. De affaire lekte in 1993 uit, Aitken probeerde met smaadprocessen de zaak de kop in te drukken. Aitken was een erkend SM-liefhebber, Milligan niet. De plastic zak duidde op het gebruik van poppers (amylnitraat); het mandarijntje zou de nare smaak van die drug moeten wegnemen. De poppers werden echter niet aangetroffen. Werd Milligan vermoord, om Aitkens debacle te voorkomen? Bijna niemand vroeg het zich af. De morsige context maakte dat de politie en het Britse publiek uit gêne niet meer verder vroegen. Zij hoorden dat soort verhalen al te veel.

De scabreuze elementen van de Britse politiek worden al lang weerspiegeld in film en op tv. In de Major-jaren schitterde de BBC met een bloedstollende dramaserie over een fictieve chief whip, Francis Urquhart, die vanuit een nederige rol op de achtergrond («I couldn’t possibly comment…») Westminster naar zijn hand zet. Glimlachend baant hij zich een weg naar het premierschap. Hij gooit een journaliste van het dak en vergiftigt de cocaïne van een onderminister, een ware Macbeth in het Lagerhuis.

Nederlandse schrijvers en filmmakers is het – op een uitzondering na – niet gelukt een film of een serie te maken waarin de politiek op een vergelijkbaar dwingende en relevante manier wordt getoond. Ambities waren er wel, sinds het midden van de jaren negentig. Het jaar van de opvolging (Frans Weisz, 1998) verplaatste het koningsdrama Lubbers-Brinkman naar een fictieve opvolgingsstrijd in 2010. In De nacht van Aalbers (Theo van Gogh/Tomas Ross, 2001) probeerde een PvdA-leider een moord tijdens een partijcongres in de doofpot te stoppen. In Mevrouw de minister (Norbert ter Hall, VPRO, 2002) werd een minister van Sociale Zaken het slachtoffer van een vuil spelletje binnen haar fractie en viel het kabinet over gedwongen tewerkstelling van uitkeringstrekkers. Daarin klonken echo’s van het vertrek van staatssecretaris Elske ter Veld. Geen van deze series had succes van betekenis.

«Den Haag» stelde elke filmmaker immers voor een plaatstalen dilemma. Als een film over de Nederlandse politiek realistisch wil zijn, dan is die film per definitie saai. Als de film spannend wil zijn, en de schrijver een pakkende plot construeert, met een moord, een samenzwering of een uit de hand gelopen gevalletje wurgseks, dan gaat die film per definitie niet meer over Nederlandse politiek.

Het ware politieke drama zit verborgen in eindeloze commissievergaderingen, on leesbare nota’s, kalme telefoontjes tussen fractieleiders. Het proces is te reconstrueren, maar de precieze ogenblikken waarop een zaak schoof, een droom uiteenspatte, of een carrière werd beëindigd, zijn veel moeilijker te pakken. Wanneer zette het CDA zijn leider Heerma opzij? Wanneer begreep Van Nieuwenhoven dat ze het kamervoorzitterschap verspeeld had, en dat ze geen partijleidster zou worden? Wat was het moment dat Brinkman door Lubbers in de steek gelaten werd? Alleen de personages kunnen dat drama zichtbaar maken, en de personages in de Nederlandse politiek heten Jan Peter Balkenende, Clemens Cornielje of Annette Nijs. Ze zijn, dramatisch gezien, houten klazen, geen Mefistofelessen. Dit zijn geen mensen van exces, samenzwering of chantage. Dit zijn lieden die een bami-akkoord sluiten in een twee-onder-een-kap in Bergschenhoek. Zij vergiftigen niet, zij vergaderen. Je hebt een David Mamet nodig om daar pakkend drama van te maken. De uitzondering was Retour Den Haag (Peter de Baan, 1999), gebaseerd op authentieke memoires van minister Van Thijn. Daarin spraken politici werkelijk de taal van de politiek, en daarin werd hun doen en laten in volle onbenulligheid getoond. Een minister eet kroketten en patat in een parkeergarage, morst mayonaise op zijn nieuwe pak, en begrijpt dat hij verloren is. De serie kreeg glans door de briljante casting (Jan Decleir als Lubbers, Huub Stapel als Van Thijn, Anne-Wil Blankers als Dales, Thom Hoffman als Hirsch Ballin). Dit waren mensen van vlees en bloed. Gewiekste ploerten, sukkels soms, maar vooral mensen. Dat maakte het verschil.

De droge tijden zijn echter voorbij. De Nederlandse politiek heeft dankzij Volkert van der Graaf flink aan dynamiek gewonnen, tot vreugde der scenaristen. Nu kunnen zij opeens wél opschrijven dat een nieuwe partij met een charismatische buitenstaander in één klap 26 kamerzetels haalt. Nu lijkt een mallotige plot over een Amerikaans vliegtuigconcern dat een semi-terroristische cel van Veluwse dierenbevrijders gebruikt voor een politieke moord opeens niet meer volstrekt idioot. Er is immers een echte dode gevallen.

Theo van Gogh en Tomas Ross waren er het eerst bij. Hun 06/05 werd aangekondigd – en bij voorbaat bekritiseerd – als een serieuze thriller over de moord op Pim Fortuyn, aangevuurd door Van Goghs woede over de moord, zijn talent, en het vakmanschap van Ross, plotsmid par excellence. 06/05 zou het Nederlandse politieke drama verheffen tot het niveau van Oliver Stone’s JFK.

Ross en Van Gogh gingen uit van de toedracht op 6 mei 2002, vermengd met enkele bevindingen van de commissie-Van den Haak, die de beveiliging van Fortuyn onderzocht. Van den Haak stelde bijvoorbeeld vast dat leden van de BVD in januari 2002 een gesprek tussen Van der Graaf en een Wageningse kameraad hadden afgeluisterd, waarin Van der Graaf aankondigde dat er iemand doodgemaakt zou worden. Ook de opmerkelijke snelheid waarmee de politie op 6 mei op de plaats delict aanwezig was, namen Ross en Van Gogh op als aanwijzing voor een samenzwering.

Maar daarna neemt Ross’ fictie de zaak over. 06/05 stelt dat de Amerikaanse fabrikant van de Joint Strike Fighter een half dozijn hooggeplaatste Nederlandse (BVD-)functionarissen heeft omgekocht om de aankoop van dat vliegtuig zeker te stellen. Fortuyn is tegen die aankoop, en aangezien hij de verkiezingen dreigt te winnen, moet hij wijken voor een meer plooibaar type: Mat Herben. De groep BVD’ers maakt vervolgens gebruik van de vage plannen van Volkert van der Graaf en zijn vriend Wouter van Heemskerk. Een Turkse informante, ex-vriendin van Van Heemskerk, geeft op de ochtend van 6 mei door dat Fortuyn hun doelwit is. De BVD’ers schermen vervolgens het Mediapark af en laten de moordenaar zijn gang gaan. Helaas is er een societyfotograaf aanwezig, die de voorbereidingen vastlegt en zo op het spoor komt van de samenzwering.

Bij de première van de film op het Weerwoord Festival in Amsterdam sprak Tomas Ross met Theodor Holman (scenarist van Medea en Cool) over de sterke en zwakke punten van de film. Ross had van meet af twijfel gehad over de mogelijkheid van een geloofwaardige thriller op basis van de moord op Fortuyn. Er zat niks in. Alleen in de relatie met de JSF-aankoop zag hij een intrige. Tot zijn ergernis zag hij hoe Van Gogh elementen in het verhaal introduceerde die volgens Ross volstrekt onzinnig waren. Een BVD-ambtenaar, die bij een officier van justitie inbreekt en daarbij masturbeert op haar bed, met behulp van een van haar slipjes – daar wilde Ross niet zijn naam onder zetten. Zo gaat dat niet, in Nederland.

Holman en Ross gaven toe dat de plot van een film nooit Van Goghs forte was geweest. Hij was een meester scènebouwer en een briljant acteursregisseur, maar hij wilde nog wel eens verdwalen in het wijdere spin nenweb van het verhaal. Die kwaliteiten tekenen 06/05. De film presenteert het drama van de moord en de ontrafeling vaardig, maar in de plot zit helaas een gat als een sluisdeur dat in elke andere thriller een doodzonde zou zijn.

Daarmee kan de film echter niet worden afgedaan. In Van Goghs film is onmiskenbaar de JFK-factor in het spel. Het succes van die film, over de moord op Kennedy, wordt teweeggebracht door het gevoel van reasonable doubt, dat Oliver Stone weet aan te boren. JFK is een lasagne van samenzweringstheorieën die door een fenomenale maar hoogst discutabele vermenging van documentair en fictief materiaal de kijker aanspreekt op dat kleine stemmetje in zijn achterhoofd, dat minieme gevoel van onrust over de ware toedracht van Kennedy’s dood. De kijker twijfelt al aan de officiële versie, voor de film begonnen is. JFK’s meesterlijke betoog pakt hem vervolgens in zoals een goede strafpleiter dat kan.

Van Gogh lardeert zijn film met beelden van Fortuyns korte carrière, zijn dood en begrafenis, maar vooral van zijn tegenstanders – Paul Rosenmöller, Thom de Graaf, Marcel van Dam – in de overspannen woordenstrijd, die later «demonisering» is gaan heten. Die beelden hebben met de plot niets van doen. Ze wakkeren in de kijker het smeulende vuurtje van die onrustige tijd weer aan. Politici zijn geen houten klazen. Ze worden getoond als angstig, dubbelhartig en agressief. Zij hebben iets te verdedigen en iets te verbergen. Het is deze suggestie van vuil spel, niet een reconstructie ervan, die de kijker naar 06/05 over de zwaktes in het verhaal moet heen helpen. Het is een bedrieglijke methode.