De radicalisering van Coulibaly en de Kouachi-broers

Eindelijk waren ze iemand

Chérif Kouachi en Amedy Coulibaly leerden elkaar kennen in Fleury-Mérogis, een beruchte Franse gevangenis. Al snel kwamen ze onder invloed van een charismatische islamist. ‘Ze vonden een substituut-familie die hun houvast bood.’

Medium marijnkruk

Parijs Eind 2008 benadert een ex-gedetineerde uit de beruchte Fleury-Mérogis-gevangenis de Franse krant Le Monde. Hij zegt te beschikken over illegaal gemaakte opnamen van het gevangenisleven. Hij vertelt over de verwaarloosde staat van de gevangenis en over het gewelddadige klimaat. Hij is op zoek naar een medium dat bereid is de situatie in Fleury-Mérogis aan de kaak te stellen. Het komt tot een ontmoeting. ‘Wie in de bak zit, ziet talloze televisiedocumentaires voorbij komen’, houdt de jonge man de journalist voor. ‘Maar die tonen nooit hoe het werkelijk is, want de gevangenisleiding organiseert dergelijke bezoeken en ziet er strikt op toe dat alles wat getoond wordt in perfecte staat verkeert. Wij willen laten zien hoe het er werkelijk aan toe gaat.’

Naar blijkt hebben hij en een paar anderen in de laatste fase van hun detentie in het grootste geheim camera’s naar binnen weten te smokkelen. Ze beschikken over bijna drie uur film. De journalist ruikt een geweldige scoop. Het Franse gevangenissysteem is berucht en bungelt in Europese lijstjes van mensenrechtenorganisaties steevast onderaan. Wie destijds de speelfilm Un prophète (2010) zag, vermoedde al dat het daar geen lolletje was met corrupte cipiers, aftandse cellen, afrekeningen en maffiose bendes. Maar nu zijn er dus ook echte beelden van.

De fragmenten die Le Monde krijgt te zien (en later op haar website plaatst) tonen de deplorabele staat van het cellenblok met aftandse douches en kapotte ruiten. Maar ook een vechtpartijtje, waarbij één man door een groep in elkaar wordt geslagen. ‘Het is de wet van de sterkste’, weet de jongen, die aangeeft zelf niets te vrezen te hebben. ‘Ik ben een van de bazen daar.’

De ex-gedetineerde maakt er geen geheim van dat hij geld wil zien. ‘We moeten ons indekken’, zegt hij. ‘In ieder geval zodanig dat we onze advocaten kunnen betalen.’ Hij stelt in onderhandeling met verschillende televisieproductiemaatschappijen te zijn. Maar geld is niet de enige drijfveer. Niet voor niets benadert hij eveneens een geëngageerde krant als Le Monde. Hij wil óók een onrecht aan de kaak stellen. Het gebrek aan deugdelijke zorg bijvoorbeeld. ‘Ze behandelen ons met pijnstillers, gediplomeerde artsen zijn er nauwelijks’, zegt hij. Hij wil dat de Franse overheid de situatie aanpakt. ‘De gevangenis is verdomme de beste leerschool voor de criminaliteit. Op een en hetzelfde rondje kom je Corsicanen tegen, maar ook Basken, islamisten, overvallers, drugsdealers, groothandelaren en moordenaars. In het begin nam ik me nog voor te kappen, uit de criminaliteit te stappen. Maar na een tijdje dacht ik: bekijk het maar, ze maken me gek. Hoe wil je dat ik rechtvaardigheid leer wanneer ik alleen maar onrechtvaardigheid krijg?’

De naam van de ex-gedetineerde in kwestie: Amedy Coulibaly. Ruim zes jaar later, op dezelfde ochtend dat Saïd en Chérif Kouachi de redactie van Charlie Hebdo decimeren, schiet Coulibaly een ongewapende politieagente dood even ten zuiden van Parijs. Twee dagen later loopt hij een koosjere supermarkt nabij Porte de Vincennes binnen en vermoordt daar drie joodse klanten. Een werknemer die hem een wapen probeert af te pakken laat eveneens het leven. In een video die later opduikt maakt Coulibaly kenbaar dat hij handelde uit naam van Islamitische Staat. Hij stemde zijn acties af met die van de Kouachi-broers, stelt hij. Om zo ‘maximale impact’ te bewerkstelligen.

Chérif Kouachi en Coulibaly leerden elkaar kennen in Fleury-Mérogis. En belangrijk voor het vervolg van hun parcours: ze kwamen onder de invloed van Djamel Beghal, een charismatische islamist om wie een zweem van het internationale jihadisme hangt. Dat werpt de vraag op welke rol de gevangenis speelt in het radicaliseringstraject van de huidige generatie jihadisten van eigen bodem.

‘In het begin nam ik me voor te kappen, uit de criminaliteit te stappen. Maar na een tijdje dacht ik: bekijk het maar’

Volgens Farhad Khosrokhavar is de gevangenis nog steeds een plaats waar indoctrinatie plaatsvindt. ‘Maar veel minder dan een jaar of tien geleden’, zegt de Frans-Iraanse socioloog in zijn werkkamer aan de befaamde Ecole des hautes études en sciences sociales te Parijs. Khosrokhavar publiceerde uitvoerig over radicalisering in Franse gevangenissen en dat maakte hem de afgelopen weken in Frankrijk tot een veelgevraagd commentator. ‘De gevangenis is bovenal een plek waar men zijn haat tegen de samenleving cultiveert en tegen de verkeerde mensen aan loopt, met name in de maisons d’ârret (de plaats waar verdachten hun voorarrest uitzitten in afwachting van een definitieve veroordeling – mk). De leefomstandigheden zijn daar notoir slecht.’

Amedy Coulibaly is de zevende telg uit een gezin van tien kinderen. Hij is van Malinese afkomst en hij groeit op in La Grande Borne, een probleemwijk in de gemeente Grigny, zo’n 25 kilometer ten zuidoosten van Parijs. Amedy’s negen zussen vinden relatief soepel hun weg binnen de Franse samenleving, maar hijzelf raakt onder invloed van verkeerde vrienden op het slechte pad. Bij een motordiefstal wordt zijn beste vriend doodgeschoten door de politie. Het gaat snel van kwaad tot erger. In 2002 berooft hij een bank in de stad Orléans en aansluitend twee cafés in Parijs. Hij wordt ingerekend en veroordeeld tot zes jaar cel.

Als Fleury-Mérogis een goede leerschool is voor criminelen, dan is ze dat bepaald ook voor aspirant-jihadisten. Coulibaly raakt er al spoedig in de ban van een veertigjarige Algerijn die in de jaren negentig radicaliseerde en een tijdlang een geziene figuur was in de beruchte Finsbury Park-moskee in Londen. In 2000 reisde Beghal naar Afghanistan, waar hij onder het goedkeurend oog van de Taliban een koranschool voor kinderen van Arabische veteranen opzette. In Fleury-Mérogis zit hij een lange straf uit wegens de voorbereiding van een aanslag op de Amerikaanse ambassade in Parijs. Hij bekeert diverse roofovervallers. Ook Coulibaly zet hij op het pad van de radicale islam, al zullen Beghals werkelijke bedoelingen pas enkele jaren later blijken.

Chérif Kouachi arriveert rond dezelfde tijd in Fleury-Mérogis, maar anders dan Coulibaly is hij al lang en breed geradicaliseerd. Sterker: hij is gearresteerd op het moment dat hij op het punt stond af te reizen naar de jihad in Irak. In 2008 is hij veroordeeld voor zijn activiteiten voor de zogeheten ‘Buttes-Chaumont-groep’, vernoemd naar het gelijknamige park in het Parijse negentiende arrondissement.

Een jaar of acht eerder is Chérif met zijn twee jaar oudere broer Saïd naar Parijs verhuisd. Hun middelbare-schooltijd brachten ze door in Treignac, een dorpje in de Corrèze-streek. Na het overlijden van hun moeder (hun vader was jaren daarvoor al gestorven aan leverkanker) waren ze ondergebracht in een tehuis. Desondanks leken de beide broers het er goed van af te brengen: Saïd werd gekozen tot klassenvertegenwoordiger; Chérif blonk uit in het lokale voetbalelftal. Jeugdfoto’s die de afgelopen weken in de Franse pers opdoken, tonen twee zorgeloze en breed lachende tieners.

Maar in de hoofdstad kunnen de twee hun draai niet vinden. Aanvankelijk wonen ze in bij een oom, maar die zet hen op een goed moment op straat. Ze dolen van plek naar plek en belanden uiteindelijk in de eenkamerwoning van een bekeerling van Franse origine, in het negentiende arrondissement, een volkswijk met een sterk multicultureel karakter. Chérif wisselt een baan als pizzabezorger af met kleine criminaliteit: diefstal, drugs, onduidelijke handeltjes. Hij houdt van rap en van een blowtje. Saïd werkt als bordenwasser en klust hier en daar zwart bij. Ze delen een eenpersoonsmatras; het is een bestaan zonder doel of dromen. Hun heil zoeken ze in de Adda’wa-moskee in het negentiende arrondissement.

‘Dat soort jongens hebben het idee dat ze ergens bij horen wat hen overstijgt, als bij een sekte’

Hier leert Chérif ene Farid Benyettou kennen, een dan 22-jarige prediker aan wie een diepe kennis van de islam wordt toegedicht. Hij sluit zich aan bij het groepje jongeren dat zich om de self-styled imam heeft gevormd. Overdag werkt Benyettou als onderhoudsmonteur, ’s avonds geeft hij koranles aan huis. Op het programma: een gestaalde vorm van salafisme, neigend naar het jihadisme. ‘Chérif was de perfecte kandidaat’, zal zijn advocaat later zeggen. ‘Hij vond een substituut-familie die hem een ideologisch kader bood en houvast. Dat soort jongens hebben het idee dat ze ergens bij horen wat hen overstijgt, als bij een sekte.’ >

De Amerikaanse invasie van Irak is in volle gang en Benyettou onderhoudt contacten met de groep jihadisten rond Abu Mussab al-Zarqawi, leider van al-Qaeda in Irak. De ene na de andere ‘student’ verdwijnt in die richting. Ook Chérif maakt zich op voor vertrek, verwoed loopt hij rondjes door het Parc des Buttes-Chaumont om zich te trainen. Maar de avond voor zijn vlucht naar Damascus zal vertrekken, worden hij en een zwik anderen opgepakt door de politie. Rouwig lijkt hij daar niet om: ‘Hoe sneller de vertrekdatum naderde, hoe liever ik ermee wilde kappen’, zal hij tijdens zijn proces zeggen. ‘Maar als ik daaraan toegaf zou ik voor een watje worden versleten.’

Veroordelingen volgen. Benyettou krijgt zes jaar, Chérif achttien maanden, gelijk aan zijn voorarrest in Fleury-Mérogis. Hier neemt Beghal Chérif onder zijn hoede en brengt hem in contact met zijn andere protegé: Amedy Coulibaly. De twee smeden een duurzame vriendschapsband.

Van de lotgevallen van Saïd Kouachi is tot dusver nog weinig bekend. Wel is inmiddels duidelijk dat hij een tijdje bij de gemeentereiniging werkt en daar ten slotte wordt ontslagen omdat hij te pas en te onpas verdwijnt om te gaan bidden en weigert om vrouwen de hand te schudden. Saïd trouwt, vestigt zich in Reims en verdwijnt van de radar van de politie totdat hij in 2011 plotseling opduikt in Jemen, in een trainingskamp van al-Qaeda op het Arabisch Schiereiland – al zijn er ook aanwijzingen dat het Chérif was die deze reis maakte, met het paspoort van Saïd.

Wanneer Chérif en Coulibaly in respectievelijk 2006 en 2008 de gevangenis verlaten, lijken ook hun levens in rustiger vaarwater terecht te komen. Chérif vindt werk bij de visafdeling van een supermarkt en trouwt ene Izzana uit Charleville-Mézières. Broer Saïd is hun getuige. Chérif offreert zijn bruid een pelgrimage naar Mekka. Wanneer Izzana en hij daarvan terugkeren wil ze alleen nog maar met een gezichtssluier over straat.

Coulibaly’s parcours vertoont veel overeenkomsten. Hij vindt werk bij de Coca-Cola-fabriek nabij Grigny en ontmoet een meisje, Hayet Boumeddiene, met wie hij eind 2009 trouwt. Coulibaly’s werkgever is dusdanig over hem te spreken dat hij wordt opgenomen in een groepje tweedekansjongeren dat president Sarkozy mag ontmoeten op het Elysée. Afgelopen week dook een foto op die Coulibaly tijdens dat bezoek met zijn telefoon van Sarkozy maakte. ‘Hem in het echt ontmoeten is indrukwekkend’, zei hij destijds tegen een lokale krant. ‘Of je nu voor hem bent of tegen, het is wel mooi de president.’

‘Hij doodt, zaait angst, maakt zich gehaat en put trots uit de aandacht die de westerse media hem nu opeens bieden’

Toch lijkt het erop dat Coulibaly juist in deze periode radicaliseert, samen met Boumeddiene, die zich, net als de vrouw van Chérif, weldra in een niqaab zal hullen, zelfs als haar dat haar baan bij een elektronicazaak kost. Coulibaly heeft aldoor contact gehouden met zijn mentor, en wanneer Djemal Beghal in juni 2009 vrijkomt en in afwachting van zijn uitzetting naar Algerije onder huisarrest in de Cantal-streek wordt geplaatst, zoekt hij hem daar op. Ook Chérif Kouachi begeeft zich bij herhaling naar de ruige streek in het Centraal Massief van Frankrijk. Hij en Beghal maken lange wandelingen, ver weg van de afluistermicrofoons van de politie. Bij gelegenheid gaan Coulibaly en Chérif samen. Soms is de zwaar gesluierde Boumeddiene ook van de partij. Vanachter een scherm vraagt ze Beghal religieus advies. Wanneer Coulibaly oefent met een geweer, oefent zij met een kruisboog.

Beghal heeft zo zijn eigen plannen met zijn pupillen. Hij hoopt ze in te zetten tijdens de bevrijdingsoperatie die hij aan het plannen is voor Smaïn Aït Ali Belkacem, een van de terroristen achter de golf van aanslagen op de Parijse metro in 1995. Belkacem zit een levenslange straf uit in een gevangenis in het departement Aube. Maar op 10 mei 2010 worden Beghal en veertien anderen gearresteerd, onder wie ook Coulibaly en Chérif. Beghal en Coulibaly worden veroordeeld en gaan terug het gevang in.

Tijdens een huiszoeking bij Chérif wordt een aantal contemporaine jihadi-teksten gevonden, zoals het bekende Afwijkingen en incoherenties bij de predikers van de decadentie, een werk dat het bestaan van een democratische islam, zoals gepredikt door Tariq Ramadan, afwijst. Uit verhoren blijkt dat hij niet langer de timide jongen is die heimelijk blij is dat de politie hem oppakt op de dag voordat hij richting de jihad zou vertrekken. Hij geeft geen krimp wanneer rechercheurs hem het vuur na aan de schenen leggen. Chérif wordt niet aangeklaagd. ‘We kunnen hem moeilijk een wandeling in de Cantal ten laste leggen’, zegt de procureur.

Gedurende het proces tegen Beghal cum suis komt Chérif dagelijks naar de rechtszaal om zijn vrienden te steunen. Sindsdien wordt amper meer van hem vernomen. In maart 2014 komt Coulibaly weer op vrije voeten. Ook hij houdt zich gedeisd. Naar nu blijkt hebben hij en Chérif via de telefoons van hun vrouwen al die tijd intensief contact gehouden. In de video die na de dood van Coulibaly opduikt, zegt hij de Kouachi-broers met ‘enkele duizenden’ euro’s te hebben ondersteund tijdens het beramen van hun aanslag op Charlie Hebdo.

De reden dat Chérif en Coulibaly niet aldoor scherp in de gaten werden gehouden, dient volgens veiligheidsspecialisten vooral te worden gezocht in tekortschietende opsporings- en afluisterbevoegdheden. Vorige week kondigde de Franse premier Manuel Valls aan dat het arsenaal antiterroristische maatregelen drastisch zal worden uitgebreid. Ook wil hij dat gewelddadige islamisten als Beghal voortaan van de overige gevangenen worden gescheiden.

Volgens Farhad Khosrokhavar is daar zeker iets voor te zeggen, maar volgens de socioloog is het belangrijk voor ogen te houden dat de gevangenis als zodanig niet radicaliseert. ‘Het is een van de stadia die een jihadist van eigen teelt doorloopt’, zegt hij. ‘Het eerste stadium is de periode van afwijkend gedrag na een jeugd in een disfunctioneel gezin: diefstal, alcohol of drugsgebruik, vaak van dien aard dat justitie eraan te pas komt en een verblijf in de gevangenis volgt. Hier daalt het besef in dat het leven weinig zin heeft, en dat effent de weg voor een “cruciale ontmoeting”, een charismatisch persoon die de jongere doet herleven. Dit is wat ik een born again noem, een religieus ontwaken van dien aard dat het direct naar de radicaliteit doorslaat.’

‘Die ontmoeting’, vertelt Khosrokhavar, ‘kan in de gevangenis plaatsvinden, maar ook op internet of dankzij de tussenkomst van vrienden. Niet in de moskee, die al lang niet meer de plaats is waar radicalen elkaar treffen. Ten slotte is er de initiatiereis, een verblijf van korte of langere duur in het Midden-Oosten of een brandhaard waar jihadisten vechten.’ Hij wijst erop dat zowel Mohamed Merah (die in 2012 zeven mensen vermoordde in en rond Toulouse) als Mehdi Nemmouche (die vorig jaar vier mensen doodschoot in het Joods Museum in Brussel) en Chérif Kouachi aan dit profiel voldoet.

In het geval van Frankrijk is het verleidelijk de radicalisering in verband te brengen met de aanwezigheid van problematische banlieues en een slecht verwerkt koloniaal verleden dat onder immigranten allerlei gevoelens van sociale uitsluiting voedt. Toch is de Franse specificiteit volgens Khosrokhavar in dit geval beperkt. ‘Het is in de eerste plaats een Europees verschijnsel, denk maar aan Engeland, België of Nederland, landen die allemaal jihadisten voortbrengen. De banlieues en het koloniale verleden accentueren het probleem, maar zijn er niet de oorzaak van.’

De oorzaak is volgens Khosrokhavar in de kern existentieel en dient te worden gezocht in de gebrekkige mogelijkheden waarover sommige jongeren beschikken om zich te doen laten kennen, om iemand te zijn, of ze nu een immigrantenachtergrond hebben of niet. ‘De jihadistische islam biedt zo iemand het statuut van mujahed, van strijder voor het geloof, waarvan hij zich tot heraut heeft uitgeroepen. Hij doodt, zaait angst, maakt zich gehaat en put trots uit de aandacht die de westerse media hem nu opeens bieden. Vanaf nu is hij iemand en in plaats van de minachting die hij ontwaarde in de ogen van degenen die hem eerst nog zijn existentie onthielden, leest hij nu doodsangst. Eindelijk is hij hen de baas.’


Beeld: Parijs, achttiende/negentiende arrondissement, een volkswijk met een sterk multicultureel karakter (Bruno Barbey / Magnum / HH).