Watergevecht: dijkenbrekers versus dijkenbouwers

Eindeloze deining

Bangladesh staat weer blank. Ook elders in de wereld wordt gestreden tegen het stijgende water. Maar vanuit wateroverwinnend Nederland komt geen eenduidig advies. Zelfs de Deltawerken staan in eigen land ter discussie. Dijkenslechters versus dijkenverhogers.

«Na een aantal eeuwen moet de conclusie toch zijn dat het huidige gevecht tegen het water een heilloze strijd is. De blokkade werkt niet.» Aldus Toine Smits, hoogleraar milieukunde in Nijmegen en Rotterdam. Smits presenteerde onlangs het rapport Veranderende delta’s, nieuwe inzichten, waarin hij stelt dat Nederland een stuk veiliger was geweest als de natuur haar gang had kunnen gaan en we ons niet hadden verscholen achter dijken. Nu is bij een dijkdoorbraak de schade niet meer te overzien, omdat alles wat ons dierbaar is vlak achter de kwetsbare dijken ligt. Risico is kans maal schade: dat is de rekensom die ingenieurs hanteren. Daarom vraagt Smits zich in zijn rapport af of er nog wel toekomst is voor dijken en Deltawerken. Hij pleit voor drijvende woningen, steden en wegen, waardoor een overstroming niet langer een ramp kan worden. De voorbeelden zijn nu al te zien in Vancouver en Zaltbommel en binnenkort op Steigereiland in Amsterdam IJburg en Nesselande in Rotterdam.

Han Vrijling, hoogleraar waterbouw in Delft, ziet weinig tot niets in de plannen van Smits. Vrijling werkte mee aan de bouw van de Oosterscheldekering en presenteerde in juli een plan voor een kering in de Westerschelde. Vrijling: «Het plan van Smits beoogt een soort van bucolisch landschap waar het land aanslibt. Maar daar gaan duizenden jaren overheen. Wij willen alles nu, vandaag nog en niet morgen. Haastig zijn we het land gaan inpolderen. En niet in een genoeglijk tempo waardoor ons verre nageslacht kan genieten van de natuurlijke bescherming. Achter de dijken groeide het graan goed, daar groeiden de kinderen van, en al snel zat het land vol mensen die beschermd moesten worden tegen de zee. Maar dat mag van Smits en co allemaal niet, de natuurliefhebbers willen de polders leeg houden.»

Het zijn niet langer alleen de ingenieurs die geraadpleegd worden over bescherming tegen het water. Natuurbeschermers, ecologen, kroonprinsen en watermanagers hebben tegenwoordig een grote stem in het water beheer. Toch lijken de Deltawerken heilig, een toeristische trekpleister die vanuit de ruimte zichtbaar is, het grootste waterbouwproject aller tijden, dat hoort in het rijtje Amsterdam, Cruijff, Kinderdijk en Keukenhof. Maar niet voor Smits: «Veel mensen zien het als een aanval op beslissingen die in het verleden genomen zijn. Dat is het niet. Ieder van ons zou in die tijd hetzelfde hebben gedaan. Maar we zijn nu vijftig jaar verder en we weten meer. Als waterbouwers worden Nederlanders regelmatig om advies gevraagd in het buitenland en telkens steken we hetzelfde verhaal af.» Dat verhaal is het trotse relaas van vele jaren bouwen in de Zeeuwse wateren. Maar «we zijn heel kwetsbaar achter de dijken», aldus Smits: «Het zijn kunstwerken, en kunstwerken kunnen kapot. Zeker met mogelijk terrorisme ontstaat een situatie die we niet langer zelf in de hand hebben. De economie gaat door de knie en als de boel overstroomt.»

Een nieuwe watersnoodramp is volgens de wetenschappers in Delft echter zo goed als uitgesloten. Enne de Boer, universitair hoofd docent openbare werken en waterstaat: «Natuurlijk verdwijnt Middelburg niet als de dijk doorbreekt. Je moet bedenken dat de laagste plaatsen in Zeeland niet veel lager liggen dan de hoogste plaatsen, het scheelt een meter of wat. Het water verspreidt zich dus geleidelijk over het gebied. Als bewoner vlucht je gewoon naar de droge bovenste verdieping wanneer een dijk doorbreekt. We gaan natuurlijk niet lijdzaam toezien hoe het land onder water komt te staan. Je legt een schip tegen die doorgebroken dijk en dan zal het meteen niet meer zo’n vaart lopen met die overstroming. En dan laten we nog de delingsdijken buiten beschouwing, die ook bescherming bieden.»

Smits schuift deze relativering terzijde: «Leven met een rampenplan, is dat de toekomst voor Nederland? Dat is niet wat ik een duurzame samenleving noem. Het kan ook anders.» De huizen die Smits voor ogen heeft, zijn volgens hem niet duurder dan de huidige bebouwing, maar blijven wel droog bij een overstroming. In zijn plannen blijft de economie doordraaien als het water hoog staat. «Als we nu bij elk nieuw te bouwen huis deze constructie toepassen, dan hebben we over honderd jaar misschien een hele stad waarbij alleen de historische gebouwen nog waterschade kunnen oplopen», stelt Smits. Risico is kans maal schade. Geen schade is geen risico.

De discussie over extra ruimte voor de zee is relatief nieuw. Langer wordt er gesproken over ruimte voor de rivier. In 2002 adviseerde de commissie-Luteijn om noodoverloopgebieden aan te wijzen rond de rivieren, om zo het hoge water te kunnen beheersen.

Vrijling en De Boer nemen het rapport nauwelijks serieus. «Die noodoverloopgebieden zijn op zich een goed idee», zegt Vrijling: «Het zou kunnen werken wanneer ze een groter gebied nemen. We zitten hier in een wip vol. Kijk naar het stroomgebied van de Rijn: de poldertjes die ze aanwijzen als overloopgebied kun je niet eens zien op de kaart van Europa. Zet dan de Betuwe onder water, dan heb je het ergens over.» Enne de Boer maakt helemaal gehakt van het rapport van Luteijn: «Die discussie begint hilarische vormen aan te nemen. De cijfers in die rapporten kloppen niet eens. Ze hebben een rampscenario bedacht waarin 18.000 kubieke meter water per seconde afgevoerd moet worden. De hoogst gemeten afvoer tot nu toe was 12.600 kubieke meter in 1926. In Duitsland hebben ze de hoogst mogelijke afvoer berekend op 14.600. En het meest hilarische moet nog komen. Nu hebben ze ook nog eens een werklijn getrokken in een grafiek. Wanneer je dat uitrekent, komt er zelfs een hogere waarde uit dan 18.000. Stapelkrankzinnig.»

Volgens de wetenschappers van de TU kan met een simpele dijkverhoging de veiligheid nog jaren worden gegarandeerd. «Een peulenschil», aldus De Boer. De Nederlandse dijken kunnen volgens hem gewoon hoger. In vergelijking met de dijken langs Donau of Mississippi stellen de Nederlandse dijken niet veel voor.

Tegen het idee van een noodoverloop gebied in hun achtertuin wordt door de bewoners van de Ooijpolder bij Nijmegen heftig geprotesteerd. Smits: «We moeten van not in my backyard naar please in my backyard. Er moet gezocht worden naar het juiste marktmechanisme. Zo kan er een natuurlijke spin-off ontstaan. Kijk naar de Millingerwaard. Nu dat gebied van maïsbouw is overgegaan naar natuur floreert de Millinger Theetuin, het trekt hordes toeristen en de middenstand profiteert in de regio.»

Vrijling en De Boer zien veel economische problemen ontstaan door overloopgebieden. Een verbreding van de rivier zorgt voor een ondiepe vaargeul, wat gigantische aanpassingen van de scheepvaart vergt. En volgens de heren van de TU gaat het nog een flinke duit kosten om de vervuilde uiterwaarden geschikt te maken om onder te lopen. De Boer: «De bovenlaag van de uiterwaarden moet afgegraven worden, want dat is allemaal vervuilde grond. Hebben we weer een milieuprobleem.» Smits ontkent dit: «Onzin. De Millingerwaard ging toch ook niet op de schop toen het natuurgebied werd. Bij een kwart van de vierhonderd hectare werd zand afgegraven, conform de milieuwetgeving. Dat zal elders echt niet anders zijn.»

De politiek is volgens beide partijen te passief. Doorvoeren van de plannen van Smits zal weinig goed doen bij het electoraat. «Het nieuwe electoraat hecht vooral waarde aan veiligheid en geld», zegt Smits. «Maar uiteindelijk leveren onze nieuwe plannen ook veiligheid en geld op, alleen op langere termijn.» Het is ook de politiek die moet beslissen wat ze een aanvaardbaar risico vindt voor de inwoners van Nederland. Nu is de wettelijke norm voor een dijkdoorbraak gesteld op 1 op 1250 voor de rivierdijken en 1 op 10.000 voor zeedijken. Ofwel eens in de 1250 jaar en eens in de 10.000 jaar. Voorspellen is problematisch omdat er slechts gegevens zijn van hoogwaterstanden vanaf 1901. «Het is een oeverloze discussie», zegt Smits. «Het blijft gissen wanneer zoiets gebeurt. In Frankrijk hebben ze het risico ergens aan de Loire vastgesteld op 1 op 500, het blijft politiek.»

Vrijling wil een richtlijn hebben: «Wanneer ik als ingenieur iets bouw met een ingebakken risico van 1 op 1000, dan noemen mijn opdrachtgevers dat veel te veilig. Mensen zijn nu vaak tegen dijkverhogingen, dat vind ik best, maar dan moeten ze wel beseffen wat de schade is als er niets gebeurt. Het Rijksinstituut voor Volkgezondheid en Milieu heeft pas een rapport geschreven over aanvaardbare risico’s. Daar kwam uit dat de kans op overstromingen 1 op 1000 is. Dat rapport is direct geheim verklaard, hilarisch toch? Ze vreesden waarschijnlijk de reactie van het publiek.»

Sinds het Plan Ooievaar uit 1987 hebben de voorstanders van de «nieuwe natuur» een grote stem gekregen in de besluitvorming over waterrijke gebieden. Ze geven de voorkeur aan processen in de natuur. Smits kan zich nog steeds vinden in de principes van Plan Ooievaar: «We moeten het landgebruik aanpassen aan de natuurlijke systemen en niet andersom. We hebben een overschot aan landbouw. Een groot deel van die landbouwgrond moeten we misschien maar teruggeven aan het water.»

Han Vrijling berust er inmiddels in dat het gezag van de ingenieurs momenteel in een dip zit en de dijkenslechters een grote stem hebben gekregen: «Zij zijn in de mode, ik niet. Iedereen vindt die noodoverloopgebieden prachtig, maar we zitten straks wel onder de drek. 1200 jaar lang hebben we gedwaald en nu wijst Smits ons op de fouten die we gemaakt hebben. Ik heb hem voorgesteld om zijn plannen eens te testen: laten we ergens een stukje zoeken waar we kunnen meten hoe het land aanslibt als je de zee de ruimte geeft. Dan kunnen we tenminste berekeningen maken.»

Smits is blij met de handreiking van Vrijling. Hij wil zo snel mogelijk beginnen met zijn plannen. Ook om het buitenland beter te kunnen adviseren. Het is vanwege dat buitenland dat het Wereld Natuur Fonds 15.000 euro heeft gestoken in het onderzoek van Smits. In China, Brazilië en uiteraard Bangladesh valt er heel wat meer water te managen dan in Nederland.

De heren zijn het erover eens dat als er ruimte is het water ook de ruimte moet kunnen krijgen. «Waar ruimte is die niets kost, moet de rivier de ruimte worden gegeven», zegt De Boer. «Zet je in Bangladesh een dijk neer, dan heb je een goede kans dat die ’s nachts wordt gestolen door mensen die de grond weer verkopen. Word je ’s ochtends wakker, is je dijk weg. In een land is wel een bepaalde bestuurlijke structuur nodig om de waterhuishouding te handhaven», aldus Vrijling. In China ziet Smits al voorbeelden van wat hij in Nederland beoogt: «Het gaat goed met sommige gebieden langs de Yangtze. Daar werd ook veel ingepolderd, nu ze dat minder doen hebben ze geen last meer van de overstromingen en richten ze zich op een economie van vis- en vogelkwekerijen die meebewegen met de rivier. Hun bijdrage voor de dijken kunnen ze nu in eigen zak houden.»

Vrijling wil alternatieven bieden, zodat er in ieder geval iets te kiezen valt. «Mijn grootste angst is dat er uiteindelijk niks gebeurt. En dan krijgen de ingenieurs natuurlijk de schuld.»

_______________________

Aanval op de dure vierde bestuurslaag

Waterschappen zijn te duur, ze werken niet effectief, er zijn er te veel, het is onduidelijk wat ze doen en hoe ze dat doen, ze lopen aan het handje van de landbouwlobby en worden meestal geleid door oud-politici die als dijkgraaf op hun lauweren rusten. Deze kritiek van voorzitter Jacques Schraven van VNO/NCW is niet mals. In het opinieblad Forum van de werkgeversorganisatie vraagt Schraven zich af waarom de waterschappen nog steeds een aparte democratie zijn. Eens in de vier jaar worden hiervoor dure verkiezingen georganiseerd en binnen het schimmige stelsel van heffingen, belastingen en omslagen gebruiken de waterschappen twintig procent van de opbrengst om de gelden te innen.

De waterschappen in Nederland bestaan al sinds de Middeleeuwen. Ze zijn verantwoordelijk voor het beheer van de dijken, de afvoer van het water en de zuivering van het rioolwater. Op het moment zijn er 37 waterschappen in Nederland. Ooit waren er meer dan drieduizend, met een apart waterschap voor bijna elke polder. Het gaat dus juist goed met de hervorming van de waterschappen, betogen voorstanders. Van drieduizend naar 37 saneren, dat is effectief management.

Maar volgens Schraven is er helemaal niets effectief aan de waterschappen. Het personeelsbestand is met twintig procent toegenomen, de verkiezingen (met een opkomst van nog geen 25 procent) kosten elke vier jaar zestig miljoen euro en het innen van de heffingen kost ongeveer honderd miljoen euro.

De ondernemingen worden door die heffingen het hardst getroffen, klaagt VNO/NCW. De boeren komen er beter vanaf met een daling in de kostenbijdrage naar 24 procent, terwijl de ondernemers inmiddels voor 46 procent van de waterbeheerkosten opdraaien. «Puntje voor de landbouwlobby», schrijft Schraven die verder concludeert dat waterschaps belangen traditioneel landbouwbelangen zijn.

Het opheffen van de waterschappen, waarbij ze worden samengevoegd tot zeven uitvoerende instanties binnen de overheid, zou de staat een kostenbesparing van 150 miljoen euro per jaar opleveren. Dit idee was slechts één van de vier voorstellen die een werkgroep vorig jaar, op verzoek van het kabinet, deed in een onderzoek naar efficiënter waterbeheer. Het kabinet koos echter voor de variant die alles zo ongeveer bij het oude liet. Het aantal waterschappen wordt binnen een paar jaar teruggebracht naar 26. Verder verandert er nagenoeg niets. Uiteindelijke besparing: vijftien miljoen per jaar. «De waterschappen kunnen deze taken het beste uitvoeren, want ze doen het al eeuwen», stelde staatssecretaris Schultz.

Johannes Wessel, emeritus hoogleraar waterrecht in Delft, zou liever zien dat de waterschappen teruggebracht werden tot vier, met elk het beheer over een stroomgebied. «De gebieden van de waterschappen zijn nu te klein, laat ze een rivier beheren.» Opheffen van de waterschappen is volgens Wessel geen goed idee. «De zelfstandigheid van de waterschappen is de beste garantie voor een professioneel waterbeheer. Er mogen geen politieke motieven meespelen. Water is een collectief goed en er moeten mensen aangesteld worden om ervoor op te komen.» Wessel pleit ervoor dat de belastinginning overgaat naar de belastingdienst. Ook de verkiezingen hoeven wat hem betreft niet meer direct te lopen. Een getrapte verkiezing via de provincie zou beter zijn. De zuivering van het rioolwater zou door particuliere bedrijven gedaan kunnen worden. Nu controleert het waterschap namelijk ook of het oppervlaktewater schoon is en moet het tegelijkertijd bepalen hoeveel rommel er geloosd mag worden door de zuiveringsinstallaties. Wessel ziet liever dat de waterschappen ook het beheer van het grondwater op zich nemen. Dat ligt nu nog bij de provincie.

Bij VNO/NCW vrezen ze dat waterschappen alleen nog maar meer taken toebedeeld krijgen en als vierde bestuurslaag gaan gelden. Een bestuurs laag die het land miljoenen euro’s kost, onduidelijk functioneert, een heffingenstelsel hanteert dat onbegrijpelijk is en de burgers niet interesseert. Die willen gewoon dat het waterbeheer goed is geregeld en zitten niet te wachten op overbodige kosten en verkiezingen. Als het aan VNO/NCW lag, gingen de dure waterschappen morgen nog op in de overheid.