Opheffer

Eindexamenvraagstuk

De gearresteerde taartgooister zei, toen ze wegvluchtte: ‘Racisme is geen mening, racisme is een misdaad.’ De redenering: Pim stelt: als ik aan de macht kom, draai ik wat asielzoekers betreft de kraan dicht. Dat is een mening. Maar ik vind die mening racistisch. Dus is het racisme. Als iets racisme is, kan het geen mening zijn. Racisme is fout. Ook volgens de wet die zegt: gij zult niet discrimineren. Wat je tegen de wet doet, is een misdaad. Dus is racisme een misdaad.

Andere redeneringen: taartgooien is agressie. Agressie leidt tot moord. De taartgooister is tot moord in staat. Of: taartgooien is kinderachtig. Kinderachtigheid is lief. De taartgooiers zijn ongevaarlijk. En ook: taartgooien is monddood maken, wie monddood maakt is tegen de vrijheid van meningsuiting. Wie tegen de vrijheid van meningsuiting is, is tegen artikel 1 van de Grondwet (de Grondwet is voor iedereen gelijk), die is dus voor Pim Fortuyn die voor de afschaffing van artikel 1 van de Grondwet was. De taartgooiers tegen Pim Fortuyn zijn dus voor Pim Fortuyn.

Volkert van der G. moet ook zo geredeneerd hebben. Pim is voor bont. Dus mogen dieren vermoord worden, vindt Pim. Dus is Pim een moordenaar. Een moordenaar met racistische ideeën (zie taartgooier). Dus een Hitler. Hitler wilde gaskamers. Ik moet Pim doden uit liefde voor de mensheid. Ik koop een pistool uit menslievendheid en schiet Pim neer.

Doe nu hetzelfde met: journalisten schrijven over Pim Fortuyn. En kom uit op: journalisten zijn moordenaars.