Toneel - De Kersentuin (1)

Eindtijdruimte

Het laatste stuk van Anton Tsjechov, De kersentuin (1904), opent in de kinderkamer van een landgoed dat eigenlijk al in handen is van schuldeisers en deurwaarders. Het laatste kind dat hier ooit heeft gespeeld is zes jaar geleden verzopen.

Medium toneel

In de scenografie die Muriel Gerstner heeft bedacht voor Johan Simons’ recente enscenering (NTGent) is de kinderkamer een ‘dode’ plek geworden. Opslag voor het meubilair van een eindtijdruimte. Alle overbodige spullen zijn in deze kamer weggepropt. Er zijn nauwelijks nog meters om een beetje te bewegen. Elk gesprek verstikt. En toch komt iedereen hier steeds samen. Voor wat? Voor een eindspel? Tsjechov meets Beckett?

De van oorsprong Oost-Duitse regisseur Jürgen Gosch (1943-2009) is ermee begonnen: in zijn laatste Berlijnse regies (die nog altijd worden gespeeld) zijn de personages uit Tsjechovs stukken net als hier ingesloten in ondiepe, lelijke toneelruimtes, waar ze het met elkaar moeten zien te rooien. Ontsnappen kan alleen via de zaal, door het publiek heen. Over hen is een provinciaalse duisternis neergedaald. Ze beginnen zichzelf als het ware te dramatiseren, ze maken hun angsten en conflicten groter dan die in werkelijkheid zijn. Simons’ versie van De kersentuin lijkt verwant aan deze stijl, waarin het perspectief verschuift van troebele weemoed naar grof geëtst belangenconflict.

Een voorbeeld. Tegenover elkaar staan de beoogde opkoper van het landgoed, Lopachin, en de student annex huisleraar Trofimov. Lopachin is een pragmatische handelsman, een boerenzoon met de stank en het zweet van het boerenbedrijf nog aan zijn lijf en in zijn kleren – hij gebruikt er een goedkoop soort geparfumeerde zeep tegen, waarmee hij subtiel wordt gepest. Trofimov is eeuwige student en filosoof/kunstenaar. Hij ruikt het onweer dat één jaar na het ontstaan van het stuk, in het pre-revolutiejaar 1905, over Rusland zal losbarsten. Als je kwaadwillend bent, hoor je in hem al de kretologie van een stalinist. Lopachin ruikt in alles eigenlijk vooral handel. En hij is kasteelromannerig verliefd op de protagoniste van het stuk, de eigenares van het landgoed, Ljoebov. Binnen deze, van iedere melancholie ontluisde speeldrift, hebben de vertolkers van beide rollen, Pierre Bokma en Benny Claessens, een nuchtere en heldere speelstijl voor hun figuren gevonden.

Die stijl is eerder gebaseerd op een klinische autopsie van hun figuren dan op een impressionistische schildering van hun innerlijke roerselen. Bokma demonstreert een idolate ademnood bij iedere toenadering door Ljoebov (Elsie de Brauw). En hij toont talloze variaties van ultieme verwarring, iedere keer wanneer hij erachter komt dat zij iets anders beoogt dan wat hij hoopt dat zij bedoelt. Bokma’s spel grenst op zulke momenten aan de slapstick van een teleurgestelde minnaar in lach-of-ik-schiet-films. Benny Claessens zet met zijn temerige dictie een utopist neer, die net zo kan zuigen en commanderen als Lopachin (die mannen zijn qua karakter meer verwant dan ze zullen toegeven), maar die steeds net op tijd met de berg quasi-maatschappelijke babbels komt opdraven die de figuur van Trofimov zo ongrijpbaar en zo gevaarlijk maakt.

(wordt vervolgd)

De kersentuin is in Nederland t/m 19 februari en in Vlaanderen tot 27 februari te zien; ntgent.be


Beeld: Oscar Van Rompay, Benny Claessens en Elsie de Brauw in De kersentuin, NTG ent (Kurt Van der Elst)