Interview econoom Alfred Kleinknecht

«Einstein zou in Nederland kopje-onder gaan»

De drie technische universiteiten willen één TU Nederland worden. Ook Balkenende II ziet bundeling als hét medicijn voor de kwakkelende kenniseconomie. Econoom Alfred Kleinknecht uit Delft waarschuwt: «Diversiteit is belangrijker dan concentratie.»

Tacit knowledge — professor Kleinknecht schrijft het op het bord achter zijn bureau. Hij spreekt het langzaam uit en schakelt dan over van Engels op Nederlands. Het spreektempo gaat omhoog, alleen het lichte Duitse accent blijft: «Stilzwijgende kennis hangt samen met intuïtie en ervaring. Het zweeft ergens tussen de kamer van de hoogleraar en die van zijn onderzoekers. Het is nergens gedocumenteerd, maar is van cruciaal belang bij wetenschappelijke doorbraken en innovaties. Hoe snel het internet ook wordt, hoeveel wetenschappelijke congressen men ook afloopt, die stilzwijgende kennis gaat de wereld niet rond, die is sterk lokaal gebonden.»

Om die stilzwijgende kennis toch te traceren, deed Alfred Kleinknecht samen met zijn promovendus Gerben van der Panne een onderzoek naar Nederlandse broedplaatsen van innovatieve bedrijvigheid. Zij inventariseerden per regio onder meer het aantal innovaties, lokale werkgelegenheidsgroei en karakteristieken van bedrijven en kennis instellingen. De voornaamste conclusie van het onderzoek: de kenniseconomie en locale werkgelegenheid zijn meer gebaat bij diversiteit dan bij concentratie.

Kleinknecht: «Een regio kan beter een groot aantal kleine dan een klein aantal grote kennisinstellingen hebben. Ook voor ingenieursbureaus en de top-50 van research & development-bedrijven blijkt diversiteit belangrijker dan grootte.»

Versnippering als remedie voor de kenniseconomie: het staat haaks op het huidig hoger onderwijsbeleid. Staatssecretaris Nijs legde vorige maand nog de wildgroei aan opleidingen aan banden. Voor het starten van een nieuwe opleiding wordt nu eerst het maatschappelijk nut getoetst. Kleinknecht: «Innovatie is een complex en onzeker proces. Je kunt niet op voorhand vaststellen welke paarden de race gaan winnen.»

Marktgerichter opleiden, grootschalige programmering van onderwijs- en onderzoeksprogramma’s, schrappen van «onrendabele» onderzoeksgroepen en veel, heel veel fuseren — dat zijn de wapens waarmee bestuurders hogescholen en universiteiten al jaren hervormen. In de komende kabinets periode zal dat niet anders zijn. In het regeerakkoord kiezen ook cda, vvd en D66 nadrukkelijk voor concentratie van onderzoeksgebieden en -locaties.

De laatste episode in deze serie: de technische universiteiten van Delft, Eindhoven en Twente omsmeden tot één TU Nederland. Dit plan — opgesteld door de drie collegevoorzitters onder leiding van voormalig onderwijsminister Loek Hermans — brengt het aantal masteropleidingen terug van 51 tot 28. Sommige wetenschappelijke groepen zullen verdwijnen. Velen trekken, al dan niet vrijwillig, bij elkaar in.

Kleinknecht waarschuwt voor deze verstandshuwelijken: «Versnippering is goed voor een innovatief milieu. De TU Twente is vergeleken met de TU Delft een kleine universiteit met veel opleidingen. Toch scoort de TU Twente beter in ons onderzoek.»

Het is niet de eerste keer dat Kleinknechts onderzoeksresultaten indruisen tegen wat in Nederland voor economisch goed wordt gehouden. In de jaren negentig pleitte hij tegen loonmatiging en reisde de globe rond om buitenlandse politici, bestuurders en wetenschappers te waarschuwen voor de gevaren van het toen alom geprezen poldermodel. Toenmalig FNV-voorzitter Johan Stekelenburg noemde hem «de risee onder de Nederlandse economen».

Nu houdt u een pleidooi voor diversiteit. Liever geen TU Nederland dus?

Alfred Kleinknecht: «Er zijn weinig schaalvoordelen in een academische omgeving. Alleen bij dure laboratoria is gemeenschappelijk gebruik productiever. Maar voor tachtig procent van de onderzoeksgroepen geldt dit niet. Samenwerken kan daar zelfs contraproductief uitvallen. Bij concentratie ontstaat een monopoliegevaar. Waarom zou een opleiding zich nog inspannen als het de enige in Nederland is?»

Is een extra universiteit in Lutjebroek dan een beter idee?

«Waarom niet? Volgens ons onderzoek trekken kennisinstellingen jonge innovatieve bedrijven in hun regio aan. Deze bedrijven hebben een werkgelegenheidsgroei die aanzienlijk boven het landelijk gemiddelde ligt. Spreiding van faculteiten over het land zou daarnaast meer bètastudenten kunnen aantrekken. De afstand van ouderlijk huis tot universiteit is één van de belangrijkste criteria bij het maken van de studiekeuze.»

Maar bundeling van krachten moet een econoom toch als muziek in de oren klinken?

«Niet als samenwerking van bovenaf wordt opgelegd. Neem mijn eigen leerstoel. Elk jaar komt er weer iemand langs die voor mij gaat bepalen of ik nog wel op de juiste plaats zit. Moet mijn leerstoel niet naar een andere faculteit of afdeling? Of samengaan met een andere onderzoeksgroep? De concentratiedrang op de universiteiten komt deels voort uit machomanagement. Managers hebben een natuurlijke drang om de eigen afdeling te laten groeien. Want wie meer mensen onder zich heeft, verdient meer geld en geniet meer aanzien. Dit spel leidt tot een continu herschikken en samenvoegen van onderzoeksgroepen. Na elke ronde wordt er een nieuw label opgeplakt, en dan begint het verhaal weer van voren af aan. Het is zo gek geworden dat ik de naam van mijn eigen afdeling niet eens weet. Ik geloof dat het ‹management and governance› is. Ja, zoiets.»

Hoe ziet het dagelijkse conflict tussen onderzoeker en universiteitsbestuurder eruit?

«Ik heb mij, net als veel van mijn collega’s, inmiddels getraind in het omzeilen van de voorschriften. Ik bepaal zelf wat ik wil onderzoeken. Als vervolgens blijkt dat het niet binnen het onderzoeksprogramma van de faculteit valt, dan pas ik het voorstel op papier een beetje aan. Window dressing — iedere onderzoeker doet het, anders krijgt hij geen geld. Als de decaan zegt dat we onze haren groen moeten verven om onderzoeksgeld te krijgen, dan verven we onze haren groen. En als ons van bovenaf wordt opgelegd dat we moeten samenwerken met bepaalde onderzoeksgroepen, dan spreken we onderling af elkaar vooral met rust te laten. Eigenlijk is dit heel erg, dat besef ik. Het kost ook zo veel tijd en geld. Maar het is mijn enige verdediging tegen managers die mij proberen voor te schrijven wat ik moet onderzoeken, met wie en hoe. Het onderzoeksklimaat in Nederland wordt almaar slechter, de ruimte voor vrij onderzoek steeds kleiner. Wetenschappers zijn steeds afhankelijker van geld uit het bedrijfsleven en worden in ongewenste samenwerkingsverbanden gedirigeerd. Albert Einstein zou hier allang kopje-onder zijn gegaan.»

Geef iedere onderzoeker zijn eigen eiland. Academische vrijheid voorop, l’art pour l’art?

Alfred Kleinknecht: «Niet helemaal, want je mag een wetenschapper gerust afrekenen op zijn resultaten. Publicaties in wetenschappelijke tijdschriften, college-evaluaties van studenten, dat soort dingen. Vakbroeders mogen zelfs vraagtekens bij de maatschappelijke relevantie van de onderzoeksonderwerpen plaatsen. Als een onderzoeker al jaren bezig is met de 23ste variant van een onbeduidend model, zeg hem dan alsjeblieft: ‹Sir, you deal in a highly sophisticated way with higly redundant topics.› Bij een negatieve evaluatie moet je hard durven zijn. Maar in Nederland gebeurt dat nauwelijks, er heerst hier een cultuur van elkaar de hand boven het hoofd houden.»

De kwaliteit van onderwijs en onderzoek wordt toch getoetst door visitatiecommissies?

«Bij de visitatiemethode van de VSNU (Vereniging van universiteiten — tm) blijven de slecht presterende wetenschappers en leerstoelen buiten schot. De VSNU beoordeelt namelijk alleen onderzoeksprogramma’s, en niet individuele leerstoelen of hoogleraren. De faculteiten houden incompetente wetenschappers buiten de belangrijkste onderzoeksprogramma’s om over de hele linie een positieve beoordeling te krijgen. Ook visitatiecommissies richten zich te veel op organisatieblokken, en te weinig op de individuele onderzoeker.»

Stel dat de visitatiecommissie iedere hoogleraar individueel beoordeelt. Levert dat een ander visitatierapport op?

«Jazeker, dan komt de middelmaat boven tafel. Het gebeurt te vaak dat de lievelingsstudent van de hoogleraar bij de leerstoel blijft hangen. Nadat hij tien jaar universitair hoofddocent is geweest, krijgt hij een positie als hoogleraar aangeboden. De externe personeelsadvertentie is alleen voor de vorm, inteelt regeert. In Duitsland worden aanstellingen van hoogleraren landelijk gecontroleerd. Universiteiten zijn zelfs verplicht de cv’s van de kandidaten op te sturen naar het ministerie van Onderwijs. Vriendjespolitiek krijgt zo geen kans, alleen kwaliteit telt. Dat zou ik in Nederland ook willen.»

Op universiteiten regeert de inteelt: u maakt zich niet populair met zulke uitspraken.

«Dat hoeft ook niet. Het is mijn academische plicht om kritisch naar de maatschappij te kijken, niet om mee te huilen met de wolven.»