Voetbal

EK-positivisme

In het voorpagina-artikel Klavertjes vier voor herboren Seedorf schrijft de sportredacteur Willem Vissers van de Volkskrant tot twee keer toe dat het «positivisme» een heilzame werking heeft op het Nederlands elftal. Sterker: «Hij (Seedorf — pvo) en Edgar Davids praten deze dagen steeds vaker over positivisme. Seedorf op een wat filosofische manier, Davids soms nog met de trekken van een rebel.»

Seedorf en Davids zijn voetballers. Niemand verwacht van voetballers dat ze weten wat positivisme is. Van een schrijvend journalist is het merkwaardiger. Vissers vindt het duidelijk een mooi woord, want een kleine speurtocht leert dat hij al lange tijd «positivisme» gebruikt wanneer hij «een positieve instelling» bedoelt. En soms ook «optimisme». In de zin: «Voor enig positivisme valt iets te zeggen, hoewel de ploeg bepaald geen wonderelftal is.»

Hij is niet alleen. Jaap Bloembergen en Guus van Holland van NRC Handelsblad hebben het positivismevirus ook te pakken. In een portret van een coach schrijft Van Holland dat deze «aan een overdaad aan positivisme ten onder gaat». Bij Voetbal International blijkt zelfs de hele redactie besmet. Daar vindt niemand het vreemd als iemand bezwijkt aan een overdaad aan positivisme. De sportredacties van AD en Het Parool hebben er inmiddels ook last van.

Wellicht voelen de sportjournalisten zich gedwongen deze woorden te gebruiken, sinds het voetbal ook salonfähig is geworden bij allerhande doorgeleerde types. Toch is het gek dat een woord als positivisme zo veel aantrekkingskracht uitoefent. Want wat betekent positivisme nu eigenlijk? Toegegeven, dit dreigt vervelend elitair te worden. Maar de angst voor elitair te worden uitgemaakt, heeft kennelijk al veel collegae in de ban. Hoe kan het anders dat de Volkskrant bombastische onzin op de voorpagina zet? Waarom durft niemand de vreselijke waarheid over «het positivisme» te onthullen en gewoon feitelijk vast te stellen dat het woord al meer dan honderd jaar geleden werd vergeven aan een wijsgerig stelsel dat alleen aanvaardt wat zintuiglijk kan worden waargenomen en vastgesteld?

Positivisten (niet Seedorf of Da vids) hebben een grote afkeer van het geloof in wonderen en andere hogere invloeden. Die zijn immers niet zintuiglijk waarneembaar. Voor positivisten is het uiteindelijk mogelijk na goede bestudering de hele wereld te voorspellen en daar door te controleren. Augus te Comte, de grondlegger van het positivisme, had een determinis tisch wereldbeeld. Met voetbal heeft het allemaal geen bal te maken.

Zelfs de slimste man van het Europees Kampioenschap in Portugal, Karel Brückner, de coach van het Tsjechische team, kan geen positivistisch denker worden genoemd. Hij verlaat zich bij zijn gedachten niet alleen op het zintuiglijk waarneembare, maar laat zich bij zijn briljante ingevingen (of beslissingen) wat wissels betreft ook leiden door Fingerspitzengefühl. Door praktische wijsheid kortom. Met zijn succes, zou je kunnen zeggen, bewijst hij het ongelijk van de positivist, althans in het voetbal.

Elitair kun je dit stukje nu al lang niet meer noemen. Iedere lezer die zich ooit serieus in het werk van Comte heeft verdiept, slaat zich nu brullend van de lach op de dijen of schudt mistroostig het hoofd om zo veel onbegrip van wat positivisme nu werkelijk betekent. Inderdaad, ik heb nog nooit een letter van Comte zelf gelezen.

Dit is niet voor niets een bijdrage over sport.