El niño

DE AFGELOPEN winter was in Nederland en Scandinavië uitzonderlijk zacht. Er viel nauwelijks een vlok sneeuw, terwijl in Jeruzalem Palestijnen en zionisten met ijsballen gooiden. Zelfs de dieren raakten van slag. Walvissen zwommen verstrooid het strand op, en vogels vlogen de verkeerde kant op. Het ligt voor de hand om de schuld te geven aan El Niño.

Droogte in Midden-Afrika en Australië, modderstromen in Zuid-Amerika en bosbranden in Indonesië. Het houdt allemaal verband met een bult warm water in de westelijke Stille Oceaan, die normaal gesproken door de de equatoriale oostenwinden (de trades) tegen de kusten van Nieuw-Guinea en Oost-Australië wordt aangedrukt, maar die eens in de drie tot vijf jaar een reis begint naar de kusten van Peru. De opstijgende lucht in de atmosfeer, die samenhangt met deze warme waterbel, is een van de belangrijkste motoren van de atmosferische stromingen, die warmte van de evenaar in de richting van de polen transporteert.
Het optreden van El Niño heeft daarom grote gevolgen in uitgestrekte gebieden verspreid over de aarde. En hoewel El Niño van deze winter de meest heftige was van de moderne geschiedenis, is het niet terecht om afwijkende weersomstandigeheden in Nederland op hem af te schuiven. Wij leven namelijk in een van de gebieden waar de correlatie tussen het weer en het optreden van El Niño verwaarloosbaar is. De gebieden rond de noordelijke Atlantische Oceaan hebben weinig te vrezen van El Niño. Een relevante relatie tussen een koude (of warme) winter in een Nederland en El Niño-jaar is nooit gevonden. El Niño of geen El Niño, het regent er hier geen druppel minder om.
Daarbij komt dat de invloed van El Niño een periode van ongeveer een jaar bestrijkt, terwijl het klimaat rond de Atlantische Oceaan al veel langer van slag lijkt te zijn. Sinds de jaren zestig is er een toename van stormachtige winters in Noordwest-Europa en van relatieve droogte in Noord-Afrika en op het Iberische schiereiland. Ook de wintertemperaturen boven Noord- en Midden-Europa stijgen sinds de Beatles-tijd, terwijl het in het Midden-Oosten kouder wordt. De stoere opa die beweert dat de winters van vroeger kouder waren dan die van tegenwoordig, heeft dan ook een beetje gelijk. In de periode 1930 tot 1970 waren er meer koude winters dan in de periode van 1970 tot nu.
Het ligt voor de hand om de beschuldigende vinger naar het grootkapitaal te richten. De uitstoot van kooldioxide door grote fabrieken zorgt ervoor dat de aarde een extra, doorzichtige deken krijgt waardoor ze nu meer zonne-energie vasthoudt dan honderd jaar geleden. Een logisch gevolg hiervan zou zijn dat het warmer wordt op aarde. En dit is ook zo. In de periode 1988 tot 1995 vielen de zes warmste jaren van deze eeuw. Ook in Nederland lijkt er sprake van een geleidelijke opwarming.
Maar als schuldige voor klimaatveranderingen in ons land is het verhoogde broeikaseffect door een beetje advocaat vrij te pleiten. Deze invloed is namelijk verstopt in de grilligheid van het weer boven de Noord-Atlantische Oceaan. Sterker nog, het klimaat rond de Noordelijke Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee wordt in de eerste plaats bepaald door onze eigen equivalent van El Niño: de Noord-Atlantische Oscillatie (NAO).
‘DE NAO IS een patroon van veranderingen in de atmosfeer, inherent aan de atmosfeer. Maar er is ook een wisselwerking tussen de atmosfeer en de oceaan’, vertelt klimaatonderzoeker Frank Selten van het KNMI in de Bilt. 'Het NAO-patroon kent twee extreme toestanden. De ene gaat gepaard met een versterkte westelijke circulatie, de andere met een verzwakte.’ Er zijn kortom boven de Noord-Atlantische Oceaan terugkerende patronen, waarmee iedere oplettende televisiekijker vertrouwd is.
Een typisch beeld is dat van Erwin Krol, wijzend naar een hogedrukgebied bij de Azoren en een lagedrukgebied bij IJsland. Maar soms is de druk hoog boven IJsland en laag boven de Azoren. Het heen en weer zwaaien tussen deze twee toestanden wordt Noord-Atlantische Oscillatie genoemd, en is vergelijkbaar met de Zuidelijke Oscillatie: de periodieke fluctuatie van het luchtdrukverschil tussen Darwin (Australië) en Tahiti, die gekoppeld is aan het al dan niet optreden van El Niño.
'Het NAO-patroon heeft de neiging om zich in een van de beide toestanden te nestelen. Soms zelfs een heel seizoen lang’, vertelt Selten. Daarom is het interessant om de winters van de afgelopen honderd jaar in te delen op hun gemiddelde luchtdrukpatroon. Een eenvoudig hulpmiddel hierbij is de NAO-index: het verschil tussen de luchtdruk van de Azoren en IJsland. Een aftreksom die iedereen kan maken. Als de NAO-index hoog is, betekent dat de luchtdruk laag is boven IJsland en hoog boven de Azoren. Een situatie die wordt gekarakteriseerd door sterke westenwinden, die in de wintertijd, als het effect van de NAO het best zichtbaar is, zachte lucht en stormen van de oceaan het continent op slingeren. Een lage NAO-index betekent zwakkere westenwinden. In de winter krijgt dan koude continentale lucht de kans om vanuit het oosten onze kant op te stromen. Als je naar de fluctuaties in de NAO-index van de afgelopen honderd jaar kijkt, zie je een grillige lijn; de ene keer is de index laag, de andere keer hoog.
Wanneer je echter het gemiddelde over tien jaar beschouwt, duikt een trend op. Er zijn perioden van zo'n dertig jaar aan te wijzen met overwegend een lage of hoge NAO-index. De periode 1900-1930 heeft een gemiddeld hoge NAO-index, de periode 1930-1970 een lage, en de periode van 1970 tot 1995 heeft weer een hoge index.
'Deze langzame klimaatfluctuatie blijkt een verband te hebben met de temperatuur van het oppervlaktewater bij Florida’, vertelt Selten. 'Ook de gemiddelde oppervlaktetemperatuur van het Atlantische bekken is gecorreleerd met de NAO.’
Bij een gemiddeld relatief warme oceaan heeft de NAO-index de neiging positief uit te slaan, wat correspondeert met een situatie waarin een westelijke circulatie de voorkeur heeft. Er bestaat een tijdschaal van ongeveer dertig tot veertig jaar waarop deze oppervlaktetemperatuur fluctueert. Deze hangt samen met de grootschalige oceaancirculatie. Op dit moment koelt het oppervlaktewater weer af, een aanwijzing dat we aan de vooravond staan van een tijdperk met meer koudere winters. Hierbij moet worden opgemerkt dat in een tijd met een lage NAO-index een zachte winter niet uitgesloten is, maar hooguit een klein beetje minder waarschijnlijk. 'In de periode met een gemiddeld hoge NAO waren er onlangs nog twee elfstedentochten’, zo nuanceert Selten het praktische belang van de NAO-index.
DE KOPPELING van de NAO-index met de zeewatertemperatuur is dan ook voornamelijk van inzichtelijk belang. Zo komt het broeikaseffect weer bovendrijven. Een langzame (broeikas)opwarming van de zeewatertemperatuur zal mogelijk tot gevolg hebben dat de Noord-Atlantische Oscillatie van slag raakt, en korter of langer in een bepaalde toestand blijft hangen.
Klimaatveranderingen bij ons zijn kortom een gevolg van een samenspel tussen de Noord-Atlantische Oscillatie en het broeikaseffect, waar moeilijk harde uitspraken over gedaan kunnen worden. Schattingen dat het in 2050 gemiddeld een paar graden warmer zal zijn in Nederland zijn een beetje uit de tijd, en hoeven derhalve niet al te serieus genomen te worden. Maar wanneer er de komende jaren een reeks koude winters komt, wil dit ook weer niet zeggen dat er geen verhoogd broeikaseffect is.
Selten: 'Als er een klimaatverandering is zal die zich uiten via de Noord-Atlantische Oscillatie. We moeten rekening houden met verrassingen.’