Media

El País

Elk land kent zijn variant van de mediacrisis. Neem Spanje. El País werd groot in de jaren dat de socialisten het voor het zeggen hadden, maar bezat niet de vereiste onafhankelijkheid. Krant en politiek waren twee handen op één buik en heel wat personen uit beide sectoren zijn van die congsi beter geworden.

Medium schermafbeelding 2013 08 30 om 11.58.28

Het sterkste voorbeeld hiervan is de grote man en belangrijkste oprichter van de krant, Juan Luis Cebrián. Volgens zijn huidige critici heeft hij niet of nauwelijks anders gehandeld dan zijn politieke maatjes, zij het dat hij andere middelen gebruikte. Hoe dan ook, het resultaat is hetzelfde: Cebrián verdient op dit moment een slordige twaalf miljoen euro per jaar, ongeveer vijfhonderd keer het salaris van een redacteur bij een gemiddelde Spaanse krant of evenveel als El País in twee maanden aan advertentie-inkomsten ontvangt.

Dit exorbitante inkomen kwam tot stand door koehandel, vriendjespolitiek en vooral door het afsluiten van enorme leningen bij gretige banken cq. het aangaan van overeenkomsten met grote investeerders. Ondertussen schoven Cebrián en een paar andere handige jongens, gezeten op strategische plekken, elkaar en zichzelf de poet toe. Slachtoffer: de krant die Cebrián mede had opgericht en die in de beginjaren van de Spaanse democratie zo’n cruciale rol heeft gespeeld. Nu is hij teken van de verwording van die democratie, teken ook van een economische crisis die veel meer is dan een zoveelste down in een curve, teken tot slot van alomtegenwoordige corruptie. Er is één buitengewoon wrange en tegelijkertijd schrale troost: dat deze ellende niet anders dan zuiverend kan werken. Want de oude vormen zijn dood. Helaas weet niemand nog hoe de nieuwe eruitzien.

Ondertussen is de vraag of en hoe El País de huidige ‘crisis’ overleeft. Prisa, de holding waartoe de krant behoort en waar Cebrián de scepter zwaait, heeft een schuld van tussen de drie en vijf miljard, een bedrag zo ongrijpbaar dat het ondenkbaar is dat het ooit via normale wegen ingelost kan worden. Geen wonder dat de kritiek op Cebrián, eerstverantwoordelijke voor het ontstaan van deze schuld, enorm is. Maar de man heeft de macht, net zoals de van corruptie doordrongen Partido Popular die in politicis heeft. En wie de macht heeft krijgt gelijk. Zo is Cebrián door de aandeelhouders onlangs in zijn positie bevestigd. Tot 2015 kan hij zijn gang gaan. Het is moeilijk te zeggen of er tegen die tijd van El País nog iets over is.

Volgens een recent verschenen boekje onder de titel Papel mojado (‘nat papier’, wat in het Spaans zoveel betekent als iets wat waardeloos of mislukt is) is er ook in de Spaanse media sprake van ongekende misère. Aan de basis hiervan liggen dezelfde factoren als elders: digitalisering, economische crisis, teruglopende advertentie-inkomsten, veranderend gebruikersprofiel. Maar in Spanje komt er iets bij: een collectieve waanzin die onvermijdelijk doet denken aan de man met wie het land sinds lang geassocieerd wordt: Don Quichot. Toen het Spanje een jaar of tien, vijftien geleden voor de wind ging, was geen project te groot, geen plan te boud. Alles kon, alles mocht en alles lukte ook, zo leek het. De mafketels en bedriegers van nu werden gezien als genieën en profeten. Niemand die hun de maat nam, niemand die zijn hoofd erbij hield. In de bouw niet, in de media niet, in de politiek niet.

Ik overdrijf natuurlijk, maar helaas minder dan ik zou wensen. In 2000 ging Prisa, het bedrijf dat toen nog bezit was van de familie Polanco, naar de beurs. Wat het begin leek van een zoveelste Spaanse successtory, de injectie van een ongekende hoeveelheid kapitaal, was in feite het begin van een einde. Een aandeel Prisa bracht destijds bijna dertig euro op. Daarvan is nu nog een cent of twintig overgebleven, een val van meer dan 99 procent. In de ruim tien jaar tussen die twee beurswaarden bloeide het bedrijf, althans zo leek het, kocht, verkocht, veranderde, experimenteerde, betaalde zijn geldschieters en voortrekkers ongekende bonussen, sloeg almaar harder op de pr-tamtam, ontsloeg steeds meer medewerkers en… verkommerde.

Het mag een wonder heten dat de krant nog verschijnt en nog zoveel goede artikelen publiceert. Voor dit laatste kan eigenlijk slechts één verklaring zijn: dat de huidige redacteuren beseffen wat de vorige generatie in haar jonge jaren eveneens besefte, namelijk dat een goed functionerende samenleving het niet kan stellen zonder een onafhankelijke pers. Het is buitengewoon wrang om te zien dat de oudjes van nu kapotmaken wat ze als jongeren hebben opgebouwd, oftewel dat de krant die toepasselijk El País, het land, heet, onder zijn voortrekker in korte tijd evolueerde van succes naar drama. (Zie ook het stuk over corruptie in Spanje)