Universitair hoofddocent rechtstheorie, Erasmus Universiteit Rotterdam

Elaine Mak

Vanuit een juridisch perspectief betreft de meest dringende maatschappelijke kwestie van dit moment mijns inziens het functioneren van het recht in de context van globalisering. De grenzen van de nationale staat zijn in belang afgenomen onder invloed van de toegenomen mondiale en regionale samenwerking op gebieden als de internationale handel, milieubescherming en mensenrechtenbescherming. Internationaal en Europees recht hebben effecten voor iedereen, maar blijven voor de gemiddelde burger abstracte begrippen.

De aanvaarding van rechtsregels door de burgers is niet vanzelfsprekend nu de totstandkoming van die regels op steeds meer verschillende niveaus plaatsvindt. Afstand tot de regelgever leidt tot minder snelle acceptatie, getuige de aanhoudende kritiek op de regelgeving uit Brussel of op het gezag van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. De vraag is hoe het recht in de toenemende verwevenheid van nationale en internationale verbanden zijn regulerende rol in onze samenleving kan blijven vervullen.

Een onderschat probleem in Nederland betreft de veranderende mentaliteit van burgers bij het omgaan met tegenslagen. Het beroep dat op de rechter wordt gedaan lijkt in steeds meer gevallen zijn doel voorbij te schieten. In het strafrecht kan de roep om een zondebok leiden tot een te snelle veroordeling. Zo oordeelde de Hoge Raad onlangs dat het proces tegen de verdachte van de Schipholbrand over moet, omdat onvoldoende vaststaat of sprake is geweest van opzettelijke brandstichting.[1] In het privaatrecht is een groeiende tendens waarneembaar om voor elk overkomen leed een aansprakelijke te vinden, vaak via een procedure bij de rechter. Een recent voorbeeld betreft de Hangmat-zaak, waarin een vrouw haar echtgenoot (feitelijk zijn verzekeraar) aansprakelijk stelde voor het ernstige letsel dat zij opliep bij een val in eigen tuin.[2]

Veel burgers hebben te hoog gespannen verwachtingen ten aanzien van de rol van de rechter. De rechter beslecht juridische geschillen en legt straffen op voor bewezen strafbare feiten. Hij geeft een gezaghebbend oordeel dat voor betrokkenen bijdraagt aan het verwerkingsproces van een traumatische gebeurtenis, ook als niet alle feiten boven tafel komen of geen volledige genoegdoening mogelijk is. De rechter kan echter niet in alle gevallen een oplossing bieden. Meer discussie zou moeten worden gevoerd over de eigen verantwoordelijkheid van de burger ten opzichte van de rol van de overheid en de rechter bij het omgaan met schade.

Een overschat probleem is mijns inziens de aanhoudende stroom van kritiek op het functioneren van de rechterlijke macht in Nederland. Rechterlijke dwalingen zoals aan het licht kwamen in de zaken van Lucia de Berk en Ina Post zijn breed uitgemeten in de media. De Chipshol-zaak en het proces-Wilders hebben geleid tot discussie over de rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Ook is er kritiek vanuit de eigen gelederen. Hoogleraar en voormalig gerechtsmanager Rinus Otte trok veel publiciteit met zijn boek De nieuwe kleren van de rechter (Boom, 2010), waarin het beeld wordt geschetst van een bureaucratische organisatie met luie en ijdele rechters.

Uiteraard is het goed dat het functioneren van de rechtspraak kritisch wordt gevolgd en dat verantwoording wordt gevraagd voor gemaakte fouten. Kritiek moet echter terecht zijn en moet opbouwend van aard zijn. Wij moeten accepteren dat de rechter, net als ieder mens, feilbaar is. Vergeleken met andere beroepsgroepen en professionele organisaties, worden door de rechterlijke macht in Nederland relatief weinig fouten gemaakt. De zaken die het nieuws halen, betreffen incidenten. De rechterlijke macht staat bovendien open voor zelfonderzoek, zoals heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de Schiedammer parkmoord-zaak. De negatieve beeldvorming die de laatste jaren is ontstaan, moet daarom plaatsmaken voor beter gedoseerd en meer genuanceerd commentaar.


[1] Hoge Raad, 14 december 2010, LJN BO2966.

[2] Rechtbank ’s-Hertogenbosch, 21 januari 2009, LJN BH0728; Hoge Raad, 8 oktober 2010, LJN BM6095.


Bekijk ook een profiel van Elaine Mak bij de Erasmus School of Law