media

Elastiek-journalistiek

Wie durft na vorige week nog te beweren dat journalistiek in moderne tijden altijd snel, snel, snel moet zijn? Integendeel, alles ging zo traag de afgelopen dagen dat ik er – creatieve bui – maar een nieuw woord voor heb verzonnen: elastiekjournalistiek. Elastiekjournalistiek houdt in dat er úúúrenlang verslag wordt gedaan van iets wat ook in drie zinnen te vertellen is. Oftewel: rekken, rekken, rekken, tot de rek eruit is.

Het begon allemaal op Koninginnedag. In principe heb je aan drie volzinnen genoeg om kond te doen van het gebeurde: ‘Koningin Beatrix is afgetreden.’ ‘Koning Willem-Alexander heeft haar opgevolgd.’ ‘Het volk viert dat met een biertje in de ene en een vlaggetje in de andere hand.’ En dan neem ik het nog ruim.

Maar ja, na drie zinnen ben je pas twaalf seconden verder – en dan is er nog een kleine 23 uur, 59 minuten en 48 seconden aan ingeplande zendtijd over. Dus krijg je elastiekjournalistiek in optima forma: hoe smeren we dit over een hele dag uit? Met, om te beginnen, veel stand-upjes van verslaggevers ter plaatse die de kijker om het uur uit de doeken doen wat je op dat moment achter hen ziet plaatsvinden (‘Marco Borsato treedt nu op. Terug naar de studio’). Ook populair in het genre: mensen waarvan je van een kilometer afstand ziet wat ze aan het doen zijn vragen wat ze aan het doen zijn.

‘Wat ben je aan het doen?’

‘Spullen van zolder aan het verkopen.’

‘Terug naar jou, Astrid.’

Daarna was het tijd voor 4 en 5 mei. Ook hier geldt: veel meer dan drie zinnen heb je er niet voor nodig. ‘Vandaag is het 68 jaar geleden dat de Tweede Wereldoorlog ten einde kwam. Eerst herdenken we de slachtoffers. Daarna vieren we dat we vrij zijn.’ Je zou er nog achter kunnen denken: zoals ieder jaar. Maar ja, ook dat is geen dagprogramma. Dus: dan maar weer wat bejaarden hun herinneringen laten ophalen, en natuurlijk veel, héél veel vox-popjes tussendoor. ‘Wat bent u aan het doen?’ ‘Vieren dat we vrij zijn.’

Het leek wel Koninginnedag.

Tot slot was er nog de ontknoping in de eredivisie. In drie zinnen: ‘Ajax is vandaag voor de derde keer op rij kampioen geworden.’ ‘Het is de 32ste titel in het bestaan van de club.’ ‘Supporters vieren dat bij de Arena en op het Leidseplein.’ Veel meer valt er niet van te maken, maar arme Joep Schreuder had er toch echt vijf uur mee te vullen. Hoogtepunt voor mij was het moment waarop Joep een hossende, in champagne gedrenkte, van oor tot oor glimlachende Viktor Fischer bij zich riep en over de joelende mensenmassa heen vroeg: ‘Hou je van feest?’

Je moet wat.

Kenmerkend voor elastiekjourna­listiek zijn overigens niet alleen de diepte-interviews, maar ook twee andere journalistieke fenomenen die ik hier niet onopgemerkt wil laten. De eerste is wat ik voor gemak maar even opblaas­ophef noem: een rel zien in wat niet veel meer dan het ruisen van de wind genoemd kan worden. Zo was daar beroepsdemonstrante Joanna die onterecht naar het politiebureau werd gebracht en vervolgens op negen zenders tegelijk Nederland met Noord-Korea mocht komen vergelijken. In dezelfde categorie: de inmiddels traditionele 4 mei-discussie over het wel/niet/wel/niet herdenken van Duitsers tijdens de plechtigheden – een discussie waar volgens mij meer peilingen over worden afgenomen dan er panels zijn.

Opblaasophef gaat vervolgens meestal vrij snel over in – je moet wat om de spanning erin te houden – microduiding: de socio-cultureel-psycho-antropologische expert-analyse van een op het oog nauwelijks noemenswaardige maar bij nader inzien uiterst veelzeggende gebeurtenis. Op Koninginnedag was dat ‘Even wuiven misschien’, een zinsnede waaruit volgens de deskundigen van dienst duidelijk op te maken viel dat Beatrix ‘geestelijk nog geen afstand had gedaan van de troon’, niet veel later gevolgd door het beeld van Beatrix naast Amalia in de Nieuwe Kerk, waaruit volgens diezelfde deskundigen bleek dat er duidelijk ‘een last van Beatrix was afgevallen’.

De derde landstitel op rij van Ajax bleek, zoals verwacht, ook voer voor micro-duiding, want waar een leek zou zeggen: ‘Ze hadden weer de meeste punten’, bleek de werkelijkheid toch iets complexer: het was, leerde ik tijdens een zeven uur durende tv-marathon, een samenspel van ‘stabiliteit’ en ‘evenwichtigheid’, de hand van Frank de Boer, het falen van PSV en het gebrek aan echte mannen bij Feyenoord die dit allemaal teweeg hadden gebracht. Of, zoals keeper Kenneth Vermeer zei toen Joep Schreuder hem vroeg of er nog een verschil was met de vorige titels: ‘De tweede was heel mooi en deze ook.’

Toen was de rek er wel uit.