Profiel Ethel Portnoy (1927-2004)

Elegant en prettig impertinent

«Ik zie het einde naderen», zei ze twee jaar geleden blijmoedig toen ik haar interviewde ter gelegenheid van haar 75ste verjaardag en de verschijning van haar autobiografie-in-verhalen, Portret. Misschien hoorde ze zelf hoe ongeloofwaardig dit klonk, zoals ze daar in haar overvolle Haagse grachtenwoning schaterend en rokend ontzettend levendig zat te wezen, want ze riep nog eens vrolijk: «It’s true!» Een rossig kattenbeest met vleermuisoren, door haar liefdevol Cookie gedoopt, onderstreepte haar woorden met zijn angstaanjagende gekrijs. Kort ervoor had ze een zware operatie ondergaan waarbij ze enkele minuten klinisch dood was geweest. «Ik vroeg mij af: wat heb ik ervaren terwijl ik dood was? Helemaal niets. Dat heeft mij geleerd: er is niets om te vrezen.» Monter en onverschrokken. Het is Ethel Portnoy ten voeten uit, of, zoals we sinds 25 mei moeten zeggen: het wás Ethel Portnoy ten voeten uit.

Ethel Portnoy sprak Nederlands met een onmiskenbaar Amerikaans accent. Ze werd geboren in Philadelphia, maar groeide op in New York, in de Bronx, de buitenwijk die in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw nog op de rand van de wildernis verkeerde en waar de joodse en Italiaanse immigranten in hun gescheiden werelden leefden. Haar moeder was als zeventienjarige samen met haar zusje de honger in Polen ontvlucht, haar vader kwam oorspronkelijk uit Rusland. In het verhaal Leven en dood van een gastarbeider schetst ze het beeld van de verwachtingsvolle gymnasiast uit Kiev die eindigt als zwijgzame en wrokkige textielarbeider in Philadelphia. De dochter van immigranten moest opgroeien als een all American girl. Ze ging naar het Hunter College for Women in Manhattan, in de tijd dat de Tweede Wereldoorlog woedde en de studentes werden geacht een bijdrage te leveren aan de Amerikaanse oorlogs inspanning. In een van de verhalen in Portret beschrijft Portnoy hoezeer ze haar best deed oprechte betrokkenheid aan de dag te leggen, onder meer in de brieven die aan «onze strijdende jongens» geschreven moesten worden. In werkelijkheid had ze haar gedachten bij hogere zaken als opera en ballet, en de nepdiamanten siergespen die ze op haar kalfsleren pumps («eigenlijk straatschoenen») had genaaid. Toen ze na de oorlog een afspraakje op Grand Central Station had met haar marinier kon ze het niet laten hem haar morele dilemma voor te leggen: «Je kunt iemands leven redden, maar dat betekent dan dat de Uffizi vernietigd wordt… Wat doe je dan?» Het werd niet echt iets met die marinier.

Eind jaren veertig ging ze Engels studeren in Wisconsin, om er achter te komen dat zo’n letterenstudie wel een erg ivoren-toren-achtig gebeuren was. In 1950 vertrok ze met een Fulbright-beurs naar Parijs om de Europese decadente literatuur te bestuderen, maar al gauw liep ze colleges bij Lévi-Strauss, André Leroi-Gourhan en Roland Barthes, de wegbereiders van het structuralisme en de culturele antropologie. Door de colleges van Barthes realiseerde ze zich met een schok hoe ze moest schrijven: oprecht en echt, zonder maskers. Dát ze schrijfster zou worden, wist ze al van kind af aan. Als veertienjarige mocht ze haar opstel, Mijn eerste zoen, aan haar klasgenoten voorlezen. «Iedereen zat ademloos te luisteren, geweldig.»

In Parijs verkeerde Ethel Portnoy in de kringen van Franse en Nederlandse dichters, die later als de Vijftigers geschiedenis zouden maken. In 1951 trouwde ze met Rudy Kousbroek. Twintig jaar lang woonden en werkten ze in Parijs; ze kregen een dochter en een zoon. In 1970 verhuisden ze naar Nederland. Een jaar later verscheen haar eerste verhalenbundel, Steen en been. Onmiddellijk viel haar toon op; Portnoy bleek even vanzelfsprekend, en geestig, te kunnen schrijven over borstvoeding als over de studentenrevolte in Parijs. Onvergetelijk is bijvoorbeeld het verhaal Brief encounter, waarin ze haar stelling illustreert dat mannen geestelijke naaktlopers zijn omdat ze zich nooit herinneren wat ze aan hadden bij belangrijke gebeurtenissen. In een gestaag tempo bleven hierna haar boeken verschijnen, onder andere Het ontwaken van de zee (1981), Vluchten (1984), Opstandige vrouwen (1989) en Genietingen (1998). Steevast elegant en prettig impertinent — nooit eerbiedig, correct of voorspelbaar — deed ze verslag van hoogst persoonlijke voorkeuren, obsessies en verwondering. In Broodje aap (1978) bracht ze als antropoloog van het moderne Westen de griezelverhalen bijeen die mensen elkaar als «waar gebeurd» vertellen in het café of bij de koffie. Ook schreef ze twee romans, en ondervond dat het schrijven van fictie niet haar sterkste kant was: «Ik dacht altijd dat ik moest laten zien dat ik dat ook kon. Maar het verzinnen van personages is toch een heel ander métier.» In 1991 ontving ze de Annie Romein-Verschoorprijs.

Ethel Portnoy schreef in het Engels, waarna iemand anders, meestal haar dochter, het in Nederlands omzette. Ze had haar oeuvre te danken aan haar nieuwe vaderland, vond ze zelf. Niet alleen dacht ze in Amerika weggezonken te zijn in een grauwe middenmoot («Die hoge gebouwen doen je beseffen dat je nietig bent, en zo wil ik me helemaal niet voelen. In Nederland steekt iedereen boven de horizon uit»), ook voelde ze zich dankzij de Nederlandse taal vrij en onbespied. Haar broer, die in New York was blijven wonen, pakte haar boeken bij zijn bezoekjes altijd nieuwsgierig op, om alleen de straatnamen van hun jeugd te herkennen. Op zijn herhaaldelijke verzoeken om haar Engelse manuscripten te mogen lezen, hield ze altijd de boot af. Ook hij figureert zonder dat hij het weet in haar verhalen. Weliswaar schrijft ze sympathiek over deze zeven jaar jongere broer, die zich uit verzet tegen zijn vaders lot voornam om rijk te worden en haar telkens met een grotere bolide van het JFK-airport kwam ophalen, maar toch: «Ik blijk dan toch een soort spion te zijn. Als ik in het Engels zou publiceren, zou ik deze dingen nooit durven schrijven. Nu kan ik alles zeggen, want ik spreek een geheime taal.»

Gevraagd naar haar «heimelijke genoegens» deed Portnoy ooit haar beklag over het feit dat de wereld zo vroeg opstaat. Jarenlang stond ze ’s ochtends ontbijt en lunchpakketten te prepareren voor haar kinderen en moest ze de rest van de dag vechten tegen de slaap. «Heel wat literaire werken zijn zo verloren gegaan.» Sinds ze weer alleen woonde, gaf ze zich met zwelgend genoegen over aan haar eigen bioritme. De geldingsdrang duurde echter onverminderd voort: «Het is altijd weer: ik moet, ik moet. Wat er ook gebeurt: ik schrijf tot ik neerval.» Dat stemt nieuwsgierig naar wat eventueel nog aan postume uitgaven te verwachten valt. Een leven lang was ze bezig dingen op stukjes papier te krabbelen en die dan weer weg te leggen. Die stukjes papier bleken goed van pas te komen bij het werken aan «een soort memoires». Het zou een legpuzzel worden van kleine beschrijvingen en overpeinzingen, rauw en scherp, zonder de verbloeming van een verhaal of essay. Ze wekte de indruk er met onverminderde hartstocht aan te werken, en tegelijkertijd het «naderende einde» voor lief te nemen: «Ik heb echt alles gehad wat een mens kan wensen. Dus wat wil je? Ik kan niet eeuwig op de aardbol blijven.»