Elegante matteklopper

SINDS SIGMUND Freud weten we dat ons geheugen selectief is. Abwehr en Verdrängung, de Castor en Pollux van het onbewuste, nemen ons in bescherming tegen onze pijnlijkste herinneringen. Maar de sofa is niet de enige plek waar de vergetelheid zich laat betrappen. De geschiedenis is één groot tapijt waaronder rassen, naties en politieke partijen hun diepste angsten hebben weggemoffeld. Zoals Michel Foucault en Noam Chomsky hebben aangetoond, ordenen zelfs democratische samenlevingen het verleden naar de wensen van hun elites. Het is niet voor niets dat een liberale leider uit het westen des lands, die eist dat ex-communisten hun verontschuldigingen aanbieden, zelf geen verantwoording meent te moeten afleggen voor de uitbuiting en veroveringsoorlogen van het door hem bewierookte kapitalisme.

Een auteur die met enige regelmaat het tapijt van zijn eigen politieke partij, de PvdA, publiekelijk uitklopt, is Bart Tromp. Hij geldt als de meest beginselvaste sociaal-democraat van Nederland - ‘vermoedelijk’, schrijft hij in zijn bundel polemieken en (mini-)essays, 'omdat ik nooit “begrip” aan de dag heb gelegd voor totalitarisme, ook niet toen het zich, in Chinese of Cubaanse gewaden gehuld, met westerse welwillendheid kon bedruipen.’ En evenzeer, vermoed ik op mijn beurt, omdat veel van die vroegere linkse opponenten hem intussen rechts hebben ingehaald, de coryfeeën van Nieuw-Links voorop, gevolgd door een stoet schreeuwlelijken uit de randstedelijke PvdA. Conformisme is een sterke drijfveer en we leven, aldus Tromp, in een 'uiterst ideologisch tijdperk, waarin de onbelemmerde expansie van het kapitalisme gevierd wordt, niet alleen als onontkoombaar, maar ook als hoogste wijsheid’. Zouden zijn tegenstanders van weleer hem nog begrijpen als hij schrijft dat Kok c.s. 'regeert in een technocratische stijl, waarin extreem ideologische standpunten worden voorgesteld als technische en politiek neutrale oplossingen’?
IK HAD GRAAG van Tromp vernomen hoe hij deze omslag, die zijn geliefde sociaal-democratie in heel West-Europa heeft getroffen, verklaart. Helaas is de bundel minder programmatisch dan de titel doet vermoeden; Tromps 'degenstoten en sabelhouwen’ dalen elegant maar tamelijk willekeurig neer op de flanken van de vaderlandse geschiedenis, politiek, literatuur en muziek. Hij toont zich minder geïnteresseerd in de mechanismen van de vergetelheid dan in het resultaat. Soms is het effect komisch, zoals in een kanttekening bij de neiging van moderne theatermakers om het theater te ontvluchten: 'Macbeth op het strand, Die Zauberflöte in een steengroeve, Ibsen in de fietsenstalling - waar zijn in de jaren zestig en zeventig al die prachtige schouwburgen voor gebouwd?’
Zeer actueel is Tromps vaststelling - in een overigens prachtig essay over de 'woeste denker’ Spinoza - dat de moord op de gebroeders De Witt in 1672 het dieptepunt in onze staatkundige ontwikkeling is geweest. In een tijd waarin het vaderlands verleden wordt gereduceerd tot voer voor tv-spelletjes, wacht deze zaak nog altijd op de geëigende afwikkeling. Ons land was gedurende het Stadhouderloze Tijdperk een heus gidsland, wat het later natuurlijk nooit meer is geweest. De vorsten van Europa kwamen tegen de Republiek in het geweer zoals ze nadien alleen tegen Napoleon van leer zijn getrokken. Uitgerekend in dat jaar trof de dolk van Oranje in het hart van de vaderlandse vrijheid. Overigens vind ik dat Hare Majesteits minister van Binnenlandse Zaken alsnog verantwoording voor dit ultimum barbarorum dient af te leggen (het betrof hier tenslotte een openbare-ordeprobleem) en dat vervolging van de koninklijke familie op grond van artikel 140 WvS niet op voorhand is uit te sluiten.
VERDER reconstrueert Tromp enige pijnlijke episoden uit het recente linkse verleden die allerminst vergeten zijn, al blijft het de moeite waard om te zien hoe hij de usual suspects inrekent. Hij vindt het nog altijd onverteerbaar dat Joris Ivens in 1985 met ministerieel en vorstelijk eerbetoon is gerehabiliteerd. Alleen al in zijn autobiografie, aldus Tromp, bekent Ivens te hebben gelogen over alle belangrijke wendingen in zijn leven en over al zijn grote politieke films. Het betrof hier echter geen louter linkse dwaling. Hoe is het te verklaren dat Ivens uitgerekend op aandringen van De Telegraaf en CDA-minister Elco Brinkman uit zijn Parijse bistro werd geplukt om te worden gelauwerd als geëngageerde kunstenaar 'terwijl zowel de jubilaris als de jubelaars elke verantwoordelijkheid voor de inhoud van dat engagement ontweken’?
Diezelfde vraag, maar dan omgekeerd, rijst bij Tromps beschrijving van het culturele straatverbod dat een van de grootste schrijvers van ons land werd opgelegd door de gemeente Amsterdam. Willem Frederik Hermans kwam voor op een zwarte lijst van de VN omdat hij Zuid-Afrika had bezocht. Het was een volstrekt willekeurige lijst - de vriendjes van de zwarte Amerikaanse VN-ambassadeur Andrew Young kwamen er niet op voor, hoewel ze (Stevie Wonder, Diana Ross) grof geld in Sun City verdienden. Niettemin schaarde de hele gemeentepolitiek zich in 1986 achter het besluit om Hermans het optreden in het openbaar onmogelijk te maken. Later is de mythe in de wereld gebracht dat het ging om een initiatief van een paar linkse losbollen, maar de anti-Hermans-motie werd ingediend door het voltallige college onder aanvoering van Ed. van Thijn en unaniem aanvaard door de gemeenteraad.
'De combinatie van arrogantie en politieke gemakzucht waarmee gekozen politici hier schitteren, is ook achteraf nog pijnlijk’, schrijft Tromp. Maar de arrogantie en gemakzucht van onze elites verklaren niet waarom een schrijver en een filmer bij wijze van spreken levend begraven konden worden. Ik houd het erop dat zowel Hermans als Ivens Einzelgänger waren, die de goegemeente straffeloos kon gebruiken om zich een bewijs van politieke correctheid te verschaffen. Hermans was een gevreesd polemist, maar hij vond nimmer echte bondgenoten omdat hij, in Tromps woorden, 'een bolwerk van sarcasme nodig had om zichzelf enigszins te beschermen tegen zijn eigen inzichten in de aard van het menselijk samenleven’. En Ivens was een ijdeltuit die alleen maar koketteerde met de revolutie.
DE GROOTSTE Einzelgänger uit de politieke geschiedenis van ons land was ongetwijfeld de door Tromp bewonderde Jacques de Kadt. De schrijver van Het fascisme en de nieuwe vrijheid werd verguisd of genegeerd, ook al was hij met een woord van Van der Goes van Naters de 'glazenwasser’ die als eerste in Nederland de illusies over links en rechts totalitarisme wegveegde. Het tekent wederom de bekrompenheid van het Nederlandse establishment, aldus Tromp. 'Zijn grondtoon is een verzet tegen de braafheid, tegen conformisme en geestelijke gemakzucht, van boven en onder, van links en rechts. Het is de onwil om met het bestaande definitief akkoord te gaan’, sprak hij op de begrafenis van De Kadt in 1988.
Een mooiere grafrede kan een sociaal-democraat zich niet wensen. Een beter voorbeeld dan De Kadt trouwens ook niet. De Kadt placht te zeggen dat je iemand niet moet beoordelen naar het slechtste, maar naar het beste wat hij heeft geschreven. Ik ben ervan overtuigd dat het beste van Tromp nog komt als hij op een dag besluit zijn volle polemische vermogen in te zetten tegen het oprukkende neoliberalisme - opdat we niet vergeten.