De Chinese kunstmarkt

Elegante steekpenningen

De best verkochte kunstenaar is niet langer Picasso, maar Zhang Daqian. De Chinese kunstmarkt is de grootste ter wereld. Maar vaak is de kunst vals, zijn experts omgekocht, is de veiling doorgestoken kaart en worden rekeningen niet betaald.

Chinese intriges sleepten recentelijk ook westerlingen mee. Eerst de onttroning van Bo Xilai, despoot van stadstaat Chongqing, wiens vrouw een Britse huisvriend zou hebben vergiftigd. Vervolgens de emotionele aankomst van dissident Chen Guangcheng in Amerika. Journalisten proberen de gebeurtenissen te duiden in het licht van Chinees-westerse relaties in de komende ‘eeuw van China’. De Engelstalige media in China zelf, dat in toenemende mate probeert met ‘soft power’ Amerika’s culturele aantrekkingskracht naar de kroon te steken, lijken vooral de schade aan public relations te willen beperken.

Een andere tragische gebeurtenis haalde niet het publieke debat. Op 6 maart werd de Vlaamse kunsthandelaar Kurt De Raedemaeker door zijn Chinese vriendin dood aangetroffen in een hotelkamer in Beijing. Hij werd 48 jaar. Het voorval werd pas weken na dato openbaar; de autoriteiten hadden een weinig fraaie rol. De Raedemaeker was in 2007 veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf en woonde al vier jaar in het hotel onder constante bewaking. De Vlaming, gefascineerd door China’s oude beschaving, was een gerespecteerd auteur in catalogi van antiquiteiten. In 2003 kocht hij op legale wijze in China een oude sarcofaag, die hij probleemloos wist te verkopen naar Amerika. Drie jaar later echter arresteerde de politie van de provincie Gansu hem voor smokkel van een zogenaamd Nationaal Monument Eerste Klasse en chanteerde hem, volgens zijn zeggen, voor omgerekend 270.000 euro. De Amerikaanse koper bood meteen aan de sarcofaag terug te geven, als dit De Raedemaekers vrijheid zou garanderen. Maar de Vlaming meende dat hij correct had gehandeld en hield voet bij stuk: de sarcofaag wordt inmiddels tentoongesteld in het Musée Guimet in Parijs. Zelfs diplomatie namens koning Albert II in 2008, toen Beijing in het spotlicht van de Olympische Spelen stond, kon er alleen voor zorgen dat De Raedemaekers gevangenschap werd omgezet in huisarrest, mede omdat zijn fysieke gezondheid – door een erfelijke hartkwaal – achteruitging.

De zaak-De Raedemaeker staat niet op zichzelf. De Chinese kunstmarkt werd vorig jaar de grootste ter wereld en heeft talrijke vertakkingen in het buitenland. Juridisch getouwtrek is echter aan de orde van de dag, evenals gevoeligheden rond nationaal erfgoed en de reputatie van China als voorbeeldige beschaving.

Hoewel Chinese verzamelaars ook westerse werken kopen, zien ze bovenal potentie in oude en moderne kunst uit eigen land. Volgens een schatting van Sotheby’s besteden de Chinezen vier miljard dollar per jaar aan Chinese schilderijen, wat meer is dan de gehele omzet aan impressionistische, moderne en contemporaine kunst van de twee grootste westerse veilinghuizen, Sotheby’s en Christie’s, bij elkaar. Om op hoog niveau te concurreren zullen ook westerse experts de mechanismen moeten kennen van de handel in Chinese objecten, vervalsingen en gerelateerde politieke kwesties.

Het argument van de ‘nationale’ betekenis van Chinese objecten, dat tegen De Raedemaeker werd gebruikt, is daarbij van groot belang. Er lijkt sinds kort een eind te zijn gekomen aan de massale uitvoer van China’s cultuurgoederen die al in 1912 in gang is gezet. De toenmalige Chinese Republiek betreurde de last van een eeuwenoude stervende beschaving en omhelsde westerse kunst en techniek: buitenlandse verzamelaars verwierven antiquiteiten tegen bodemprijzen. Tijdens de Culturele Revolutie (1966-76) was alles wat aan het feodale verleden herinnerde verdacht. Wat de Rode Gardisten niet vernietigden werd ongeïnventariseerd opgehoopt in plaatselijke musea. Toen eind jaren zeventig contanten nodig waren voor cement en staal liet het ministerie van Handel clandestien westerlingen toe tot de kunstdepots – de prijs werd per kilo bepaald. Amerikanen kochten de monochrome meubels uit de Han-dynastie die mooi pasten bij hun abstract expressionistische schilderijen. Tegen de tijd dat de Chinese economie echt warmliep, in de jaren negentig, waren er nauwelijks meer originele stukken op de markt.

Het laatste decennium is er sprake van een opvallende kentering: Chinezen proberen Chinese voorwerpen in westerse collecties terug te kopen. Naarmate het land zijn centrale plaats op het wereldtoneel hervindt groeit de interesse in de eigen klassieke beschaving. Niet alleen zijn miljoenen Chinese televisiekijkers gekluisterd aan kostuumdrama’s die zich in de Keizertijd afspelen, ook zijn lokale antiquiteiten voor de nieuwe kapitaalkrachtige klasse belangrijke statussymbolen die blijk geven van patriottisme. Vazen uit de Shang-periode (circa 1000 voor Christus), bijvoorbeeld, gaan voor meer dan tien miljoen dollar onder de hamer. Op een recente Hongkongse veiling verkocht een makelaar uit Californië een flesje uit de Qing-dynastie voor zestien miljoen dollar, een veelvoud van wat hij zelf ooit had betaald. De Aziatische kopers trekken zich inmiddels weinig aan van geldende standaarden: zo tellen ze grote bedragen neer voor inktpotten, die de ‘cultus van het penseel’ in het oude Rijk van het Midden vertegenwoordigen, maar geringe betekenis hebben voor westerse verzamelaars.

Kopers van het Chinese vasteland hebben zich de afgelopen twee jaar gestort op wat eerst het exclusieve domein was van een groepje toegewijde, maar minder vermogende kenners in de Chinese diaspora. Hoge prijzen gaan vooral naar schilderijen uit de vroege twintigste eeuw die landschappen, dieren en bloemen verbeelden: de kleurrijke gebergten van Zhang ­Daqian (1899-1983), de kalligrafische insecten en planten van Qi Baishi (1864-1957) en de paarden van Xu Beihong (1895-1953). Hoewel hun werk veel ontleent aan het internationale modernisme sluit het qua techniek, thematiek en sfeer grotendeels aan bij de kunst uit de Keizertijd. Een afbeelding in zwarte inkt door Qi Baishi met het traditionele thema Adelaar rustend op een pijnboom werd vorig jaar voor 65 miljoen dollar verkocht door het Beijingse veilinghuis China Guardian. Daarmee kwam het uit het niets, en als enige niet-westerse werk, bij de top-veertig van duurste schilderijen ooit.

Het overzicht van kunstenaars die in 2011 wereldwijd het best verkochten was verfrissend. De voorgaande decennia was deze lijst voorspelbaar: Picasso stond bovenaan en alleen Andy Warhol vormde een bedreiging. De Franse organisatie ArtPrice, die kunstprijzen in kaart brengt, berekende echter de geheel nieuwe situatie vanaf vorig jaar. Op één staat nu Zhang Daqian, wiens werk ruim vijfhonderd miljoen dollar opbracht, op twee Qi Baishi met 450 miljoen. Warhol en Picasso zijn nummers drie en vier met beiden ruim driehonderd miljoen dollar. Op vijf staat Xu Beihong met tweehonderd miljoen. De bakens lijken definitief verzet: zelfs Picasso’s werk bracht in zijn topjaar nooit meer op dan een kleine vierhonderd miljoen dollar.

De hoeveelheid beschikbare werken is in deze berekening doorslaggevend: net als Picasso en Warhol waren de genoemde Chinezen uitzonderlijk productieve kunstenaars. Maar het is mogelijk dat de snelle opkomst van Zhang en Qi het symptoom is van een onderliggende financiële zeepbel. Een complicerende factor is dat Chinese veilinghuizen knooppunten zijn in een web van slechts ten dele legale transacties. Schilderijen spelen een hoofdrol in wat bekendstaat als ‘beschaafde corruptie’, waarbij geen geld, maar voorwerpen van eigenaar wisselen. Hierbij wordt een kunstwerk geschonken met als doel het aan een veilinghuis aan te bieden, waarbij al vaststaat dat het veel geld zal opbrengen: de koper doet zo op ogenschijnlijk elegante wijze zijn ‘partner in crime’ een grote som toekomen. Afgezien van de vraag of er hier werkelijk omzet wordt gemaakt, blazen dergelijke kunstmatig hoge prijzen uiteraard de markt als geheel op.

Het Chinese concept ‘yahui’, letterlijk ‘elegante steekpenning’, verwijst naar een traditionele praktijk waarmee corruptie werd gemaskeerd door giften van antiquiteiten, schilderijen, kalligrafie of zeldzame planten. De handelwijze gaat terug tot de Ming-dynastie: toen minister Yan Song (1480-1567) en zijn zoon, beruchte ontvangers van steekpenningen, in ongenade vielen en de keizer beslag legde op hun bezit, kwamen meer dan zesduizend kunstwerken aan het licht. ‘Yahui’ demonstreert van oudsher de geciviliseerde smaak van zowel de omkoper als degene die wordt omgekocht. Niet alleen kan de laatste pronken met zijn reputatie als privé-verzamelaar en is, tegenwoordig, de publieke veiling een podium voor zijn mondaine statuur, belangrijker is dat de ‘elegante steekpenning’ zo discreet is en moeilijk te traceren. Hoewel de procedure in principe werkt met authentieke schilderijen is echtheid voor alle betrokkenen niet essentieel en zijn er veel vervalsingen in omloop. Paradoxaal genoeg maakt dit de transactie extra veilig. De betrapte functionaris kan als excuus aanvoeren dat hij niet wist dat het om authentieke werken ging; maar hij kan ook beweren dat het juist wel om vervalsingen gaat en er dus geen sprake was van omkoperij. De markt wordt nog verder vertekend doordat echte schilderijen soms als waren ze vals worden verkocht. Hierbij biedt de omkoper een authentiek schilderij aan bij het veilinghuis, dat het echter als een modern prul waardeert. De beoogde klant heeft een koopje; vroeg of laat kan hij het op de juiste plaats, voor de juiste – hoge – prijs doorverkopen.

Op het gebied van vervalsingen kent China een lange traditie die vanuit het westerse perspectief niet altijd goed wordt begrepen. De schilderkunst van de literati – geletterde kalligrafen – berustte immers op het kopiëren van oude werken, vanuit het ideaal dat alleen grote kunstenaars ‘meesters van imitatie’ kunnen zijn. Omdat veel schilders ook handelaars waren, bestond de verleiding om kopie voor origineel door te laten gaan. Niemand minder dan Zhang Daqian zelf – de man van de vijfhonderd miljoen – is het boegbeeld van deze traditie. Deze kleurrijke figuur, die zich vestigde in Brazilië, Californië en Taiwan, ontsnapt gedurig aan de categoriseringen door westerse conservatoren. Enerzijds is Zhang China’s Picasso: hij ontmoette de Spaanse meester in Antibes en wisselde schilderijen met hem uit. Tegelijkertijd is hij de Chinese Han van Meegeren: een van de grootste vervalsers van de twintigste eeuw. Meer dan dertigduizend schilderijen worden aan hem toegeschreven, inclusief vele in de stijl van meesters van de tiende tot de negentiende eeuw. Waarschijnlijk bezitten alle grote Amerikaanse musea vermeende Chinese antiquiteiten die eigenlijk van Zhangs hand zijn. Hij koos zijn materialen zo nauwkeurig dat vermoedens van een vervalsing vaak tot de dag van vandaag niet zijn ontkracht, zoals in het gerespecteerde New Yorkse Metropolitan Museum. In China worden deze imitaties overigens in hun eigen recht gewaardeerd: na Zhangs dood in 1983 werden verschillende tentoonstellingen gewijd aan zijn beroemdste vervalsingen.

De ironische dynamiek van de Chinese kunstmarkt zorgt ervoor dat er tegenwoordig veel imitaties in omloop zijn van Zhang Daqians werk. Het maken van replica’s gebeurt op alle artistieke niveaus en betreft alle vormen, genres en periodes. Antiquiteiten worden zowel op individueel niveau als in serie nagebootst. Porselein is hierbij favoriet. Nog niet lang geleden, begin jaren negentig, werden bijna alle staats­porseleinfabrieken gesloten wegens goedkopere productie in Azië en Zuid-Amerika. Recentelijk zijn echter de factorijen in Jingdezhen, uit de Keizertijd, opnieuw geactiveerd met de imitatie van oudheden als doel. Ruim 150 fabrieken produceren meer dan een miljoen stuks per dag. Om natuurwetenschappelijke controles op echtheid om de tuin te leiden, worden gemalen antieke scherven gemengd door de klei die voor de belangrijkste replica’s wordt gebruikt.

De artistieke fraude vindt op zo’n grote schaal plaats dat de effecten voelbaar zijn in de reguliere economie. In 2011 werd een makelaar in onroerend goed, Xie Genrong, ontmaskerd. Hij had een valse versie besteld van een kostbare sierwapenrusting uit de Han-dynastie, gemaakt van stukken jade die met gouddraad aan elkaar waren geregen. Vervolgens kocht hij een groep van vijf experts om die garant moest staan voor de ouderdom. Met deze wapenrusting als onderpand verkreeg Xie een lening van negentig miljoen dollar voor een groot bouwproject. Inmiddels zit hij gevangen.

Een eerste vereiste om vervalsingen aan banden te leggen is hervorming van de Chinese veilingwet: veilinghuizen zijn op dit moment niet verantwoordelijk voor de echtheid van de voorwerpen die ze verkopen, mits ze hierbij een ‘disclaimer’ afgeven. Maar ook aan de kant van de klant is dikwijls sprake van onberekenbaar gedrag. Kopers op Chinese veilingen komen vaak laat met hun betaling over de brug, of zelfs helemaal niet. Als het gaat om kostbaarheden met vermeend nationale betekenis kan de spanning hoog oplopen. De meeste reuring veroorzaakte een veiling door het Franse Christie’s in 2009 van de kunstverzameling van Yves Saint Laurent. Een Chinese koper bood bijna veertig miljoen dollar voor de bronzen hoofden van een konijn en een rat, die Britse koloniale troepen in de negentiende eeuw hadden geroofd uit het Oude Zomerpaleis. Onafhankelijk van hun artistieke waarde symboliseren deze sculpturen het oude leed dat China door het Westen is aangedaan. Toen de koper later verklaarde dat hij zijn bod niet zou betalen, kon dit als een blijk van patriottisme worden gewaardeerd. Naarmate de Chinese handel inniger verweven raakt met overzeese partners zal de internationale kunstmarkt meer rekening moeten houden met dergelijke politieke gevoeligheden en financiële wanpraktijken.

EEN JUISTE blik op de Chinese kunsthandel vereist inzicht in de aloude praktijk van kostbare relatiegeschenken en in het artistieke ideaal van virtuoze imitatie, samen met het besef dat corruptie in verschillende dimensies op de loer ligt: van de aan toeristen gesleten prullaria tot de ‘elegante steekpenning’ op het hoogste niveau. In niet weinig gevallen is de kunst vals, zijn experts omgekocht, is de veiling doorgestoken kaart en worden rekeningen niet betaald. Dit maakt de zaak-De Raedemaeker natuurlijk extra tragisch. De beslissing van de politie in Gansu om hem pas jaren na de verhandeling van de sarcofaag aan te klagen met gefabriceerde argumenten had misschien met gelijke – corrupte – munt kunnen worden betaald. De Vlaming bleef echter weigeren om ten overstaan van de autoriteiten het spel mee te spelen en daarmee onrechtmatige handeling toe te geven, wat uiteindelijk leidde tot zijn eenzame dood.

Het is moeilijk te voorspellen welke gevolgen de groei en internationale vertakkingen van de Chinese kunstwereld zullen hebben voor praktijken elders in de wereld, en in hoeverre bestaande financiële structuren zullen veranderen. Net als de economie zal de Chinese markt voor oude en nieuwe kunst dit jaar waarschijnlijk in groei afnemen. Het blijft de vraag of er daadwerkelijk sprake is van een zeepbel. In ieder geval zal de handel in Picasso’s niet langer het referentiepunt zijn. Het Westen zal vertrouwd moeten raken met namen als Zhang Daqian, Qi Baishi en Zhang Xiaogang.