De Nederlandsheid van de Nederlandse literatuur (3, slot)

Elektriciteit

In twee eerdere essays ging Arie Storm op zoek naar wat de Nederlandse literatuur zo Nederlands maakt. Het land, de grond, de luchten, het licht en de zee bleken belangrijk. Ten slotte ontdekt Storm aan de hand van een klassieker van H.G. Wells, die hij vertaalde, en de roman Gevoel, die hij zelf schreef, het belang van ‘elektriciteit’ voor de Nederlandse kunst.

Met de doden kun je niet communiceren. Geesten zweven niet in de ons omringende ruimte rond; ze zweven nérgens rond. God bestaat niet. Sterf je, dan ben je ook echt weg. Er zitten geen aardstralen in de grond. Jezus heeft nooit op aarde rondgelopen. Er is geen leven op Pluto. Het is volstrekt idioot dat wij een christelijke premier hebben. Dat heeft iets achterlijks, iets provinciaals, iets onontwikkelds, iets wat niet meer helemaal van deze tijd is. De voorgaande uitspraken zijn allemaal waar. Toch wil ik stilstaan bij een geest die zich op de een of andere manier boven onze aarde verheft; toch wil ik ingaan op een geheimzinnige aanwezigheid; toch wil ik het hebben over betovering. Geest, geheimzinnige aanwezigheid en betovering hebben alles te maken met fantasie en werkelijkheid. Fantasie (verbeelding) klinkt misschien als iets prettigs, maar ze is dat niet zonder meer. De fantasie is niet machtiger dan de werkelijkheid. Ze biedt geen echte ontsnappingsmogelijkheid. Maar op een bepaalde manier aangewend, kan ze ons wel ten dienste staan. Of beter gezegd, via de fantasie kan iets worden gecreëerd, kan iets aanwezig worden gesteld. De fantasie kan voor ons het verleden doen oplichten, een verzonnen verleden, wellicht, een verleden dat onze gevangenschap in het heden benadrukt omdat we nooit werkelijk in dat verleden kunnen komen, maar toch een verleden. ‘We doen net alsof we weten waar we het over hebben, en we vergeten geen moment dat we maar doen alsof’, schreef Frans Kellendonk. Hij ontwikkelde een concept dat hij ‘oprecht veinzen’ noemde. Jos Palm staat in het boek De vergeten geschiedenis van Nederland (verschenen in 2005, ondertitel: Waarom Nederlanders hun verleden zouden moeten kennen) stil bij deze opmerking. Palm grijpt erop terug om te pleiten voor een op de leest van dat oprechte veinzen geschoeide omgang met onze geschiedenis. Palm schrijft: ‘Want juist doordat we “geen moment vergeten dat we maar doen alsof” blijft ons zenuwstelsel open voor het menselijk tekort dat eigen is aan al die bouwers aan Nederland. De benepen angst van de humanist Erasmus voor zijn joodse medemens kan zo evengoed een plaats krijgen als zijn voorbeeldige christelijke individualisme, en de zorg voor zijn eigen bezittingen hoort dan evenzo bij de Vader des Vaderlands Willem van Oranje als zijn vrijheidszin.’ Mij gaat het hier overigens niet direct om personen, maar om de grond waarop we zijn opgegroeid, de lucht die altijd om ons heen is, de zee die eeuwig tegen onze kusten slaat, de huizen waarin we leven, de architectuur. Wat doen die met ons? Wat kunnen we vóórstellen dat ze met ons doen?

Een van de fascinerendste romans die ik ken is The War of the Worlds (1898) van H.G. Wells. Ik ken het boek zelfs bijzonder goed, ik heb het uit het Engels naar het Nederlands vertaald (die vertaling verscheen in 2005). Het is, zoals bekend, een sciencefictionroman over een invasie van de aarde door Marsbewoners. Dat is echter misschien wel het minst interessante aspect van het boek. Mijn fascinatie voor The War of the Worlds zit ’m behalve in de fantastische stijl van Wells – hij was echt een heel groot schrijver – in zijn (her)creatie van het negentiende-eeuwse Londen en de landelijke omgeving ervan. Hij kon dit decor zo schitterend oproepen, zo lijkt het wel, juist omdat hij zich voorstelde dat het vernietigd zou kunnen worden. Bekend is dat hij ter voorbereiding van deze roman eindeloze fietstochten maakte op zoek naar fraaie locaties (de fiets speelt in dit boek overigens een rol als vluchtvervoermiddel; zo is het hele boek rijk aan charmante details). In een van de sterkste hoofdstukken van de roman, namelijk in het hoofdstuk Dood Londen – dat is bijna aan het eind van het boek, de laatste Marsbewoner heeft inmiddels zojuist het loodje gelegd – ziet de hoofdpersoon in een soort toekomstvisioen de Engelse hoofdstad oprijzen uit de puinhopen. Het levert schitterend herinneringsproza op waarin tegelijkertijd een blik op de toekomst wordt gericht, wanneer Londen weer zal zijn opgebouwd. Het is een dubbele blik die Wells hier ontwikkelt. Hij probeert in dit hoofdstuk iets als een eeuwige Londense geest te vatten. Helemaal aan het eind van de roman, als alles definitief achter de rug is en het gewone leven zijn gang heeft hervat, doet hij iets vergelijkbaars: ‘Ik ga naar Londen en zie de bedrijvige menigte in Fleet Street en bij de Strand, de gedachte schiet door mij heen dat zij slechts geesten uit het verleden zijn, ze spoken rond in de straten die ik stil en verwoest heb gezien, ze zweven heen en weer, fantomen in een dode stad, de bespotting van het leven in een als door elektriciteit opgewekt lichaam.’ De woordkeuze is hier opmerkelijk. Wells, of zijn hoofdpersoon, suggereert hier min of meer dat het leven iets is wat door elektriciteit wordt aangedreven.

Dat is precies het beeld dat ik nodig heb voor de omschrijving van de invloed die de bodem waarop wij leven op ons en onze literatuur heeft. Wij vullen de aarde met leven en de aarde vult óns, als was die aarde een enorme generator, met leven. Deze wederzijdse ‘elektriciteit’ zorgt ervoor dat er in ons bestaan continuïteit zit met ons verleden.

Wat ik nu naar aanleiding van The War of the Worlds van Wells elektriciteit noem, noemde ik eerder in een roman van mij gevoel. In die zeer Nederlandse roman met inderdaad precies die titel: Gevoel, verschenen in 2004, beschrijft de hoofdpersoon zijn gevoelens, of juist de afwezigheid ervan, na het overlijden van zijn vader. Met die man heeft hij nauwelijks een emotionele band gehad en hij treurt dan ook niet al te erg om zijn dood. Toch kruipt ‘de geest’ van zijn vader als een ‘aanwezigheid’ in het brein van de hoofdpersoon. Ik heb echter in deze roman niet geprobeerd als een soort literaire Char het spiritisme nieuw leven in te blazen. Wat er opmerkelijk aan is, is het decor dat erin wordt gebruikt en de functie die dat decor heeft. De vader van de hoofdpersoon is weliswaar overleden en de band tussen zoon en vader is niet al te sterk geweest, maar ze zijn beiden wel in hetzelfde decor opgegroeid, dat gebied achter de zee, vlak bij de duinen, Den Haag, het Westland, Nederland. Daar hangt iets van die ‘elektriciteit’ waar Wells het over heeft. Die elektriciteit wekt hun lichaam en hun geest in de roman als het ware tot leven, zowel het lichaam en de geest van de levende als het lichaam en de geest van de dode. Daar komt het gebruik van de tijd bij. In Gevoel rolt de tijd niet onafwendbaar voort naar een bepaald punt, naar het einde dus, nee, de tijd gaat aan de ene kant verder en ergens anders staat die stil om vervolgens toch weer op een ander punt samen te komen. Dit is typerend voor mijn boeken, die zelden een lineaire structuur hebben. Nu ik erover nadenk: ze hebben tot nu toe altijd een cyclische structuur. Die is er door mij niet helemaal bewust in aangebracht. Maar in het geval van Gevoel zorgt die structuur ervoor dat de zoon en de vader aan het eind van de roman, over de grenzen van leven en dood heen, alsnog in gesprek met elkaar kunnen raken. De roman zelf is te beschouwen als de neerslag van dat gesprek. Niet dat een dergelijk gesprek iets oplost, maar het is welhaast onvermijdelijk. Dat gesprek komt noodzakelijkerwijze voort uit het decor waarin zoon en vader zijn samengebracht. In dat decor is de geest van de vader nog als een elektrische schim aanwezig. De tijd is weliswaar hier meer en daar minder voortgegaan, het decor is gebleven, al hebben zich er misschien lagen nieuw leven op afgezet.

Ik heb eerder al enkele kenmerken genoemd van de Nederlandse literatuur, kenmerken die voortkomen uit de plek waar wij leven: het land, de grond, de luchten, het licht, de zee; ik wees op de aandacht die er in de Nederlandse literatuur is voor details, ik noemde het claustrofobische karakter ervan, ik wees op het schuilen in donkere kamers, op de gerichtheid op de binnenwereld: ‘Alles wees naar binnen en sloot het buiten uit.’ (Brakman)

Er zijn meer kenmerken te geven van de Nederlandse literatuur door de eeuwen heen. Het verbrokkelde karakter van veel individuele werken valt op (de non-structuur van Multatuli’s Max Havelaar; de in elk geval schijnbaar losse vorm van schrijven van Reve; de naar alle kanten zich bewegende cycli van A.F.Th. van der Heijden). Maar daar gaat het mij niet zozeer om. Het gaat mij erom dat we beseffen dat het decor, de ‘aanwezigheid’ die daar is, dat ‘gevoel’, de ‘elektriciteit’ een niet uit te vlakken factor is en op de een of andere manier doordringt in ons werk. Met de doden kun je weliswaar niet communiceren, geesten zweven niet rond en God bestaat niet. Maar er is wel de omgeving waarin we leven. Dat heeft weinig met religie te maken. Het is meer een soort elektriciteit. Onzichtbaar dus, maar literatuur, kunst in het algemeen, kan je ogen ervoor openen. De aarde, de lucht, de zee: ze werken op ons in. Het is niet iets om trots op te zijn, het is ook niet iets om je voor te schamen. Het is er altijd. Het heeft niets met ‘ietsisme’ te maken. Het verbindt ons met de jaren en de eeuwen. Het helpt niet, maar het is, met het zicht op de dood, de enige troost die we hebben. En wie weet wat we allemaal zien als we eenmaal echt goed naar dat decor hebben leren kijken, als we ons openstellen voor die elektriciteit die ons eeuwig kan voortstuwen.