Elektronisch boudoir

Robert Vernooy, De tijd van de gesel. Uitgeverij Contact, 191 blz., 334,90
STIJL, HET IS een moeilijk te omschrijven fenomeen, dat evenwel van essentiële betekenis is bij het onderscheiden van literair en ander proza. In recensies wordt er nooit veel over gezegd, mogelijk ook omdat een uitweiding daarover al gauw de indruk wekt dat de recensent te gespecialiseerd bezig is.

Aandacht gaat vooral uit naar inhoud en thematiek van het vertelde, een houvast die recensenten van bijvoorbeeld poëzie, muziek en beeldende kunst veel minder kennen. Daar is de stijl allesoverheersend. Ze missen de steun die het verhaal biedt, er moet vooral over stijl en stijlverschillen worden geschreven en dat is geen geringe complicatie.
Stijl in de literatuur heeft te maken met woordkeus, met de plaatsing van de woorden in de zin en de bijzondere beweging die zo'n rangschikking teweeg kan brengen, de cohesie die ontstaat binnen een alinea en de toon die daar weer het gevolg van is. Om het wat concreter te maken: een tekst kan met gevoel voor dramatiek zijn geschreven, weerbarstig zijn, warmbloedig of luchtig. Ter illustratie enkele voorbeelden. De gewapend-betonstijl maakte Bordewijks proza uniek, Reve houdt van een mengsel dat bestaat uit bijbel- en stadhuistaal, aangelengd met banaliteiten, Nescio had een voorkeur voor het alledaagse woord, Mulisch zoekt het in de keurigheid van de gesteven zin, Claus met zijn zuidelijk temperament daarentegen zoekt het in de exuberantie van het woordvuurwerk, en Vogelaar schrijft zinnen met een meeslepende ritmiek. Persoon en stijl staan natuurlijk niet los van elkaar, er bestaat een verband.
ZO OOK BIJ Robert Vernooy. Wat onmiddellijk opvalt, is zijn zwak voor stevig aangezette titels. De eerste twee boeken - beide verhalenbundels - heetten achtereenvolgens Het zwelgen (1983) en Doodstop (1985). Een essaybundel noemde hij De contramine (1989). Daarin staat het artikel ‘Vorm als visie’, waarin hij een lans breekt voor een literatuur die zich met morele vraagstukken bezighoudt, kwesties als de verhouding tussen mens en samenleving, individu en massa. Een sympathiek streven in tijden waarin de moraal het steeds meer moet afleggen tegen het kapitaal. Zijn roman De tedere tirannie (1992) is er een voorbeeld van.
Nu komt Vernooy met De tijd van de gesel, volgens de flaptekst een literaire thriller, waarin hij onder meer de bejaardenzorg en het vraagstuk van de euthanasie tot onderwerp lijkt te maken. Of een thrillerachtig verhaal daarvoor de geëigende plek is en of Vernooy hier serieus voortborduurt op zijn eis van meer aandacht voor morele aspecten in verhalen en romans, valt te betwijfelen. Hoe het ook zij, ik had regelmatig de indruk in een bizar stripverhaal verdwaald te zijn, of zo'n moderne Superman- of Fantoom-achtige tekenfilm. De bejaarden waar zijn zorg naar uitgaat, zijn niet meer dan decorstukken in een verhaal vol good guys en bad guys, dat zich aan het eind met een verwijzing naar een 'reality game’ opblaast in een woord dat al de hele tijd als een spook boven het boek heeft gehangen : virtueel.
De schrijfstijl van Vernooy, met zijn hoog dik-houtgehalte, versterkt die indruk alleen maar. De tijd van de gesel lijkt met de aanwijsstok geschreven.
Hoofdpersoon in De tijd van de gesel is de gemankeerde avonturier Seth Windzaaier, ex-commando in het leger, inmiddels een inspecteur van volksgezondheid die zijn bestaan nog even Schwung kan geven als hem gevraagd wordt onderzoek te doen naar een zelfmoordepidemie onder de bejaarden van het servicecomplex De Korf. Zijn naam zegt het al en het zal tot driemaal toe worden herhaald: hij zaait graag wind, heeft een hang naar storm en drang, en houdt zich het liefst op in de luwte van de storm die hij zelf heeft ontketend. Niet iemand die je, zo weten we al sinds godsloochenaar Petrus, op zijn woord moet geloven.
Het verhaal waarin Windzaaier ingesponnen wordt, heeft al evenmin veel overtuigingskracht. Dat het weinig boeit, heeft niet te maken met het science-fictionachtige karakter ervan. Het speelt zich af in de jaren twintig van de volgende eeuw. Daar is niks mis mee, al valt op de manier waarop die tijd wordt verbeeld wel het een en ander af te dingen. Zijn toekomstbeeld is nauwelijks verrassend. Op de troon zit een koning, zonnepanelen en schotelantennes sieren de woningen, de TGV raast voorbij, geld is bijna niet meer in omloop, iedereen betaalt ecotax, gentherapie behoort tot de mogelijkheden, Afrikaanse en Oosteuropese stadsnomaden zoeken ’s nachts een rustplek rond afvalcontainers en de buizen van de stadsverwarming, inkopen doe je op de cybermarkt, werkbesprekingen gaan per videofoon, de meeste werkzaamheden verlopen via het Net. De cybernetisering van de wereld omvat zelfs de liefde: je kunt inloggen op een elektronisch boudoir, het voorspel is vervangen door een formattering van de geliefde 'precies volgens instructies’, in de koelkast wacht het pre-embryootje op zijn ontdooiing.
NIET VANWEGE de wereld die Vernooy hier oproept, overtuigt zijn verhaal mij nauwelijks. Het manco zit hem in de woorden waarmee hij dat doet, en dat is een kwestie van stijl. Het boek barst van de taalonzuiverheden. Clichés als 'ik was blijven steken in heroïsche jongensdromen over een groots en meeslepend leven’, verwrongen beeldspraak ('ergens in dit massagraf van gekannibaliseerde wrakken met lege oogkassen en in doodsnood opengesperde motorkappen’), mooischrijverij ('kritisch keek ik hoe zij zich onthulde’, 'alleen een enkele rimpeling lispelt duistere zinspelingen’), onbegrijpelijkheden als 'blindelings wankelt hij door een waaier van pijn’, onzinnigheden ('op een bijzonder dreigende wijze haalde ik mijn identiteit tevoorschijn’), of ongein: 'Ik ben homo, zei hij plechtig, alsof zijn hele wezen met dat ene woord kon worden weergegeven. En wat dan nog? vroeg ik. Als je maar sapiens bent.’
Verder is er de neiging om allerlei mededelingen nog eens extra te onderstrepen. Zo is een sfeer buitengewoon somber, wordt het grove metselwerk van een pokdalige muur zichtbaar, krijgt iemand een driedubbel orgasme, heeft Windzaaiers vriendin Iris 'niet onaanzienlijke tieten’, en ligt er 'een vakantiekolonie aan de zuidpunt van de Sinaï, die wel wat weg heeft van Ibiza, maar dan zonder drank en blote tieten’.
Tegenspeler van Seth Windzaaier is Ernst Wennefer, multimiljonair, voorzitter van Stichting De Levende Dood, een man die zich dank zij een gentherapie jeugdig weet te houden en ondertussen op het idee kwam om de wereld te verlossen van de bejaardenplaag. Daartoe laat hij een virus ontwikkelen dat een levensgevaarlijke hersenaandoening veroorzaakt en al heel wat bewoners van De Korf het hiernamaals heeft ingejaagd. ADV heet het, wat staat voor acute virale dementie. Het wordt gekweekt in een goed bewaakt laboratorium in de omgeving van Caïro. Egypte uiteraard, het dodenrijk bij uitstek, land van Osiris, ooit vermoord door zijn broer Seth, koning van de doden, maar ook symbool van het leven dat zich uit de dood verheft.
Met deze gegevens in de hand lijkt de afloop van het verhaal redelijk voorspelbaar. Windzaaier reist van noord naar zuid, breekt binnen in het laboratorium van Wennefer, wordt even zijn gevangene, maar in de strijd waarin goed tegenover kwaad komt te staan, weet hij zich onder water in een man-tegen-mangevecht uiteindelijk van de schurk te ontdoen. Die overwinning betekent voor Windzaaier een 'kleine catharsis’, maar Vernooy houdt dan nog een stevige deus ex machina in petto. Ook de verbeelding lijdt een nederlaag.