Elementaire irritatie

DEZE ROMAN GAAT over u en mij, wie wij ook zijn en waar we ons ook bevinden; zo weet de verteller ons op het eind van zijn boek te melden: ‘Overal op het planeetoppervlak maakte de vermoeide, uitgeputte mensheid, die aan zichzelf en aan haar eigen geschiedenis twijfelde, zich zo goed en kwaad als het ging klaar om een nieuw millennium in te gaan.’ Tot u spreekt ‘de mens’. Bij monde van de verteller, zo blijkt uit de epiloog, is hier de nieuwe mens aan het woord, een mutant uit de volgende eeuw die in zijn achterafwijsheid over de mensen van nu praat als blind en doelloos door elkaar heen krioelende ‘elementaire deeltjes’.

Voor de megalomane theorie die een van de hoofdpersonen, de bioloog Michel Djerzinski, over een nieuwe ontologie ten beste geeft, die ‘de praktische mogelijkheid van menselijke verhoudingen in ere kan herstellen’ en, als superieure vervanging van een religie, filosofische wanhoop en positivistische kortzichtigheid kan helen, verwijs ik de geïnteresseerde leek naar de pagina’s 132 vv. en 320; ik heb geen zin alle pseudo-sociologica en -(meta)fysica hier zelfs maar in het kort weer te geven. Hoe zou je slagzinnen moeten samenvatten? 'In werkelijkheid zal niets in de geschiedenis zoveel gewicht in de schaal blijken te hebben gelegd als de behoefte aan rationele zekerheid. Aan die behoefte aan rationele zekerheid zal het Westen uiteindelijk alles hebben opgeofferd: zijn godsdienst, zijn geluk, zijn hoop, en ten slotte ook zijn leven. Dat is iets wat niet uit het oog mag worden verloren wanneer de tijd gekomen is om een totaaloordeel over de westerse beschaving uit te spreken.’
Dat laatste oordeel luidt misschien aldus: 'Er moeten structurele stabiliteitscondities op subatomair niveau zijn.’ Verrassend is het dan niet wanneer de man die begin volgende eeuw het initiatief neemt om het eugenetische testament van de verdwenen bioloog uit te voeren en 'een nieuwe met rede begaafde soort te creëren’, de New Age-beweging ziet als een voorhoede die wil breken met het immoralisme, individualisme en liberalisme van de twintigste eeuw. Voor de mensen van het oude ras - voor ons dus - zullen de gekloonde welgevormde mensen van de volgende eeuw eruitzien als 'goden’; je zou hier het woord Ubermensch verwacht hebben, ware het niet dat de schrijver op zijn terugtocht Nietzsche gepasseerd is en liever doorgaat op de ideeën van de grondlegger van het positivisme, Auguste Comte.
Het positivisme als basis voor een nieuw humanisme - vraag mij niet wat dat inhoudt. En de schrijver zelf antwoordt waarschijnlijk met een parafrase van de onzin die hij zijn verteller en diens marionetten, de personages, laat uitkramen, gelardeerd met wat biologische en natuurwetenschappelijke termen die de alfalezer moeten intimideren. Je hoeft de lyrische ontboezemingen van de moleculair bioloog maar te lezen om te weten van wat voor droge dromen de wetenschappelijke terminologie het doorzichtig omhulsel is: 'Nu wij leven in het licht,/ Nu we hier leven dicht bij het licht,/ En nu het licht onze lichamen omspoelt,/ Onze lichamen omsluit/ in een halo van vreugde,/ Nu we hier zijn met de rivier in zicht’ et cetera. Die zingzang van pagina 10 wordt vervolgd op pagina 306: 'We zullen weinig hebben liefgehad/ In onze tijd van stoffelijk lijden/ Misschien dat de zon, de wind en de vorst, de regen op ons graf/ Ons van ons leed zullen bevrijden.’
Amen, zou ik zeggen, en nieuwsgierigen aanraden dit boek te mijden als een geval van hoogmoedswaan - de hele geschiedenis afgehandeld in één roman - te meer daar het met een aanwijsstok is geschreven en aan elkaar geplakt na een bijeengeraapt zootje literatuur door de papierversnipperaar te hebben gehaald. Wat ik niet begrijp, is dat ook maar iemand deze nonsens serieus neemt. Zomin als ik begrijp dat het boek de aanzet heeft kunnen geven voor een manifest van 'een nieuwe literai re stroming’ in Frankrijk. Een nieuwe literatuur? 'De nieuwe tendens is immorable, inhumaine’: op vuil dient met vuil geantwoord, op het nihilisme van de commercie met nihilisme in de schrijverij; en weer eens wordt Céline als getuige-deskundige aangehaald.
DE TWEE hoofdpersonen zijn stiefbroers, de al genoemde bioloog die zich ascetisch aan zijn wetenschappelijk onderzoek wijdt, en de twee jaar oudere Bruno die ten gevolge van enkele traumatische jeugdbelevenissen uit het boekje geobsedeerd is door seksuele begeerte - zoals dat heet loopt hij de rest van z'n leven zijn pik achterna. Beiden zijn het product van liefdeloosheid, hun beider liederlijke moeder is de belichaming van de jaren zestig, en terwijl de een het slachtoffer van begeerte is, bedenkt de ander als oplossing voor de mens een nieuwe manier van vereeuwiging (klonen), bevrijd van de geslachtelijke voortplanting en van lichamelijke slijtage. Terwijl de een zwelgt in seks en de ander de voorkeur geeft aan de catalogus van een postorderbedrijf, dromen ze alletwee van een liefde die (nog) niet door begeerte en verleiding is aangeraakt, de droge droom van een (verloren) rijk van vóór de begeerte, trefwoord: tederheid.
Met de typering van dit januskoppel is meteen de intrige verklapt, want de hele roman bestaat uit illustraties van hun rol, voorbeelden bij een stelling. Een van die stellingen is het vaste pa troon van alle mannen en alle vrouwen, die zich gedragen zoals mannen en vrouwen zich nu eenmaal in deze tijd gedragen (mannen hebben oorlog en revolutie als hobby, vrouwen de voortzetting van de soort). Zo is er ook geen ontsnappen aan de generatie waarin een mens belandt, aan de familie noch aan de cultuur. Alles is gedetermineerd. Een sterk staaltje daarvan is de rechtstreekse afstammingslijn van Sade naar de jaren zestig, de hippies, de snuff movies, satansker ken, seriemoordenaars en straatgeweld: een verval van morele waarden waaraan vooral liberalisme (gelijkgesteld aan libertijns) en individualisme debet zouden zijn. Minstens een kwart van het boek vermaakt de verteller zich met het navertellen van de avonturen van Bruno in 'Het oord van verandering’, een seksboerderij met therapeutische inslag, uitwas van die vermaledijde jaren zestig. Net als andere puriteinen, zoals Kundera, laat de schrijver maar wat graag zien wat hij verfoeit, tot in alle vermoeiende details; daarbij zijn Houellebecqs kolderieke beschrijvingen van allerlei therapeutische idiotieën louter afgelikte genrestukjes, ze rieken alleen maar naar satire.
VERGELEKEN MET Houellebecq is Kundera bijna een toonbeeld van intellectuele en literaire zorgvuldigheid. Verder hebben ze het nodige gemeen: de neiging om de handeling als illustratie van een algemeen betoog op te voeren en de personages als marionetten neer te zetten in een spel met liefst zo algemeen mogelijke begrippen. Filosofie verkleed als literatuur - en wat voor filosofie.
Net als het boek zelf ben ik met een nabeschouwing begonnen, met dit verschil dat Houellebecq al van tevoren wist waar hij wilde uitkomen. Aan dit boek irriteert mij werkelijk alles: de hoogdravende ideeën, de grote woorden, de flipperkast van begrippen, het clichématige aan de scènes en personages, de stereotiepe mannetjes en vrouwtjes, het mengsel van dodelijke ernst en smeltende sentimentaliteit, en vooral de draadvlechtende zinnen en de taal van beton. Aan schrijven komt Houellebecq niet eens toe, zo druk heeft hij het met beweren. Wat moet je met zo'n allegaartje aan algemeenheden en enormiteiten, een denken waarvoor de mens in alles met het dier te vergelijken is, en er tussen fysische en sociaal-psychologische wetmatigheden geen verschil lijkt te bestaan. Individuen zijn deeltjes, het gaat om het geheel, de structuur, het plan, het patroon, de schepping of hoe die onbenoembare grootheid ook moge heten. De metafoor van de deeltjes is rekbaar als kauwgom.
Het vervelende is dat de weerstand die het boek wekt als een prestatie van de roman zelf wordt gezien. De grote verkoop, geprikkeld door de uiteenlopende en soms felle reacties, diende vervolgens als bewijs dat het dus om een belangrijk boek zou gaan. Waar wind je je over op? Over de handigheid waarmee dit soort domheden verkocht worden. Het boek is in mijn ogen de moeite van een discussie niet eens waard. Het is ook niet geschreven om te discussiëren - als een roman daarvoor al zou dienen -, de boodschap bestaat uitsluitend uit ongefundeerde stellingen, en wel zo algemeen en abstract gesteld, met zoveel aplomb, dat kritiek niet eens mogelijk is.