Over Edith’s Diary

Elementaire kwellingen

PATRICIA HIGHSMITH
EDITH’S DIARY
Heinemann (1977). In het Nederlands verschenen als Edith’s dagboek, vertaald door Aris van Braam (Bert Bakker, 1978)

Afgezien van het verhaal over de kersverse weduwe die met haar vierjarige zoontje een nieuw huis betrekt met in de tuin een vijver waar onmiddellijk een zuigende kracht vanuit gaat, en afgezien van het verhaal over het asociale en dronken echtpaar dat zijn vier kinderen mishandelt, waarvan vooral baby Frances het slachtoffer is, en dan ook nog maar afgezien van het verhaal over een uit de hand gelopen slakkenhobby met tot gevolg dat de vloer van een woonkamer transformeert in één stinkend zompig glibberig slakkentapijt, overal naaktslakken hangen tot in de kroonluchter aan toe en iemands keel wordt toegeknepen door een colonne slakken (daar aanbeland voelt de lezer ook langzaam maar zeker iets van de bladzijden kruipen), even afgezien van dit alles dus, schreef Patricia Highsmith niks engers dan de roman Edith’s dagboek. Het is een raadselachtig boek in een glasheldere stijl, tot zo ver niets bijzonders, want zo schreef Highsmith immers wel meer boeken, maar in geen ander werk maakt de stijl op zich zozeer deel uit van de griezeligheid.
Het is niet eenvoudig de vinger te leggen op dat wat Highsmith’s schrijfstijl nu ook precies haar stíjl maakt. Sec, zakelijk, koel, onopgesmukt, in die richting moet het zo’n beetje worden gezocht, maar er is meer aan de hand. Houellebecqiaans, dat komt nog het meest in de buurt van een adequate omschrij-ving van de amorele manier waarop ze heel erge dingen beschrijft, ware het niet dat het iets armzaligs heeft haar kunst te tooien met andermans naam. Laten we het er maar op houden dat Highsmith school zou hebben gemaakt, zoals Salinger, Modiano, Houellebecq en Grunberg dat hebben gedaan, als haar stijl het ook in zich had een ‘stijltje’ te worden. ‘Ze schrijft niet mooi, maar precies’, zei Peter Handke over haar, en misschien schuilt hierin wel Highsmith’s onnavolgbaarheid. Precisie laat zich moeilijk imi-teren.
Edith’s dagboek begint met de verhuizing van Edith met man en zoon vanuit New York naar de provin-cie. Burgerlijker en onschuldiger kan het bijna niet, de keuze voor een landelijke omgeving waar het kind optimaal kan opgroeien, ware het niet dat vanaf bladzijde één duidelijk is dat het kind in kwestie een gewetenloos kreng is en de man een berekenende egoïst. Zoon Cliffie doet pogingen kat Mildew, Edith’s lieveling, te vermoorden, en echtgenoot Brett haalt tegen betaling een bedlegerige oom in huis voor wie Edith vervolgens kan zorgen. Het dagboek dat Edith bijhoudt sinds haar twintigste wordt steeds bepa-lender bij het neerpennen van de dagelijkse beslommeringen in het levenloze Pennsylvania. Brett be-driegt haar met zijn secretaresse en keert terug naar New York, Cliffie behandelt haar als oud vuil, oom George moet gevoederd en gepamperd worden en weigert naar een verzorgingstehuis te gaan. In haar dagboek fabuleert Edith langzaam maar zeker een andere werkelijkheid bij elkaar. In haar gedroomde leven is haar echtgenoot overleden en heeft ze een succesvolle, getrouwde zoon met een eigen bedrijf in Koeweit en schatten van kleinkinderen die geregeld op bezoek komen en voor wie ze de ene trui na de andere breit. Later legt ze zich ook toe op boetseren; zo kleit ze een buste van Cliffie: ‘Uit de donkere kop van klei kwam Cliffie tevoorschijn als de jonge god die hij in haar dagboek was, een veroveraar van continenten, een heerser der rivieren, een goede echtgenoot en kostwinner en de verwekker van de en-gelachtige kleine Josephine.’
Van meet af aan is Edith politiek heel betrokken. Eerst schrijft ze in haar eigen krantje, tegen de Viet-nam-oorlog, tegen Nixon, Ford en Kissinger, later in plaatselijke periodieken. De toon van haar artikelen wordt steeds radicaler en obscuurder, zozeer dat Brett psychiaters op haar af stuurt. Tegen het eind van het boek gaat het wel heel snel bergafwaarts met Edith. Met verbaasd plezier leest ze alle opgewekte passages in haar dagboek, de enige plek waar haar leven bloeit.
Het kabbelende oppervlak, vol ogenschijnlijk nodeloze details over de samenstelling van de cocktails, de sandwiches en de cakes, geeft de diep-depressieve ondertoon van Edith’s dagboek des te meer reliëf. Omdat de schrijfster jou als lezer opsluit in het hoofd van Edith duurt het lang voordat je door hebt dat ze niet toerekeningsvatbaar is. Vreemd, en jammer, is dat het perspectief af en toe verschuift naar Cliffie. Dat lijkt zelfs een beetje inconsequent, maar misschien zit Highsmith daar niet mee. Naarmate het boek vordert, gaat alle beschreven huiselijkheid steeds meer op de zenuwen werken. Pas geleidelijk blijkt in welke grote rotzooi Edith en haar horror-zoon leven, en aan welke kwellingen Edith blootstaat. Met Edith’s dagboek schotelt Highsmith ons een indrukwekkende goocheltoer voor, waarbij de verwachtin-gen over de scheidslijn tussen realiteit en fantasie tot op de laatste bladzijde moeten worden bijgesteld.