Elisabeth Andersen, 1 januari 1920 – 3 oktober 2018

Ze leek niet alleen het eeuwige leven te hebben, maar ook de eeuwige jeugd. Op 1 januari 2020 zou ze honderd jaar zijn geworden. Als je door de telefoon haar stem hoorde, zag je haar voor je in haar glorietijd als actrice.

Een herinnering aan Elisabeth Andersen, die ik nooit eerder heb opgeschreven. Begin jaren tachtig was tijdens een roemruchte bijeenkomst in het Mickery Theater zo ongeveer het hele Nederlandse toneel en de hele toneelkritiek bijeen. De slotscène uit Wie is bang voor Virginia Woolf van Albee zou door, ik meen, zeven verschillende koppels worden gespeeld en nog diezelfde dag door evenveel recensenten beoordeeld.

Er kwam behoorlijke ruzie van, maar niet om wat Elisabeth Andersen daar zei. Die dag maakte in het nog communistische Polen de staat van beleg een einde aan de opstand van de vrije vakbond Solidariteit. Zij betreurde het dat de journalisten daar niets over hadden geschreven, dat ze niet verder keken dan het toneel. Op één criticus na, ik weet nu niet meer wie het was, maar ik was het niet. Ik schaam me daar nog altijd over en het zegt iets over haar, als actrice en als politiek geïnteresseerd mens.

Ze had zeventien jaar lang met veel succes bij de toenmalige Haagse Comedie lieflijke meisjes en societydames gespeeld, maar ze snakte ook toen al, in die onpolitieke jaren vijftig, naar rollen waardoor je meer kon snappen van de wereld, of waarin zij meer gevoel kon tonen, zoals één keer in Yerma van García Lorca, het drama over de vrouw die geen kinderen kan krijgen en daardoor verkommert in het dorre Spanje.

Ik had de grote Haagse rollen niet eens gezien toen ik haar in 1974 kwam interviewen voor Toneel Teatraal. Zelfs niet haar belangrijke rol als de hartelijke volksvrouw Jeanne in Vrijdag van Hugo Claus bij de Nederlandse Comedie. Dat was in de tijd van de Actie Tomaat, waar zij heel ambivalent over was. Ze was het hartgrondig eens met de kritiek op het al te gevestigde toneelbedrijf, maar kwam op voor haar collega’s die ten onrechte werden aangevallen. Ik was verbaasd dat ik niet met een Haagse dame sprak, maar met een maatschappelijk geëngageerde actrice, iemand die al vanaf haar jeugd vol idealisme aan het toneelspelen was begonnen in de ajc, die nu actief was in de vakbond van toneelspelers, die het prachtig vond toen de Duitse regisseur Piscator in de hal van de deftige Koninklijke Schouwburg een bord liet ophangen met ‘Jezus was een communist.’

Ze vertelde over haar ambivalentie tegenover het toneel, waar ze bij hoorde en zich toch altijd een buitenstaander voelde. Na haar prachtige carrière in Den Haag onder toneelleider Cees Laseur en haar mislukte huwelijk met acteur Jan Retèl ging ze bij het toneel weg en wilde doktersvrouw worden, maar ook dat huwelijk strandde en er moest brood op de plank komen voor haar en haar drie kinderen.

Ze vertelde ook over haar grote liefde, de Duitse jood Werner die bij haar was ondergedoken tijdens de oorlog, die haar in contact bracht met de belangrijke Duitse literatuur en haar toneelnaam had bedacht, Elisabeth Andersen, omdat ze een hekel had aan haar eigenlijke naam, Annie de Bruyn. Maar hij was na de oorlog naar de Verenigde Staten geëmigreerd. Ze zijn wel levenslang goede vrienden gebleven.

‘Ik zit tien keer liever op een plee, dan op de mooiste troon’

Het verbaasde me helemaal niet dat ze later in de jaren zeventig liever werkte met toen heel jonge regisseurs als Ger Thijs, Paul Vermeulen Windsant en vooral Gerardjan Rijnders, die in Eindhoven toneelgezelschap Globe had overgenomen. Ze speelde nu moederrollen en oudere vrouwen, zoals de moeder in Bloed van de hongerlijders van Sam Shepard en de ouder geworden, afgeleefde Suus van Herbert Achternbusch.

Ze zat tijdens die hele monoloog slonzig gekleed en uitgeblust op een vieze wc met haar onderbroek op haar voeten naar beneden te kijken. Ze had zich een accent uit de Peel aangemeten en het ene moment dat ze opkeek hield de zaal de adem in. Met plezier vertelde ze later over de reactie van keurige toeschouwers, dat de steractrice van Den Haag nu zo laag was gezonken. ‘Ik zit tien keer liever op een plee, dan op de mooiste troon’, was haar antwoord.

Toch was ze ook nu te kritisch. Rijnders vond het wel goed dat zij haar mening gaf, maar niet dat ze bij voorbaat wist wat ze wilde spelen. Toen ze afscheid nam was dat met een klein en intens stuk, geregisseerd door Lidwien Roothaan, Savannah Bay van Marguerite Duras, samen met de jonge actrice Nettie Blanken. Toen voelde ze zich, geloof ik, toch een beetje weggezet.

Ze heeft het toneel na haar pensioen nooit een seconde gemist, ze ging Russisch studeren, de Russische klassieken in het Russisch lezen, naar muziek luisteren, ze had eindelijk wat meer tijd voor haar kinderen en kleinkinderen. Een enkele keer liet ze zich ertoe verleiden weer te spelen, zelfs weer in de Haagse Koninklijke Schouwburg, als de moeder in Hebriana van Lars Norén. In Niet ik van Samuel Beckett zag je alleen haar mond bewegen en hoorde je haar stem. In 2015 speelde ze tot mijn grote vreugde nog een piepkleine maar belangrijke rol in de film De surprise van Mike van Diem naar een verhaal van Belcampo.

Aan waardering en prijzen heeft het haar nooit ontbroken. Ze kreeg als enige drie keer de hoogste toneelonderscheiding, de Theo d’Or. Er was bij haar dood maar één wens onvervuld. Er hangt in de Amsterdamse Stadsschouwburg geen portret van haar.

Zou dat er niet op 1 januari 2020, als ze honderd zou zijn geworden, alsnog kunnen komen?