De nieuwe politieke leider

Elite met een verhaal

Het is tijd voor een nieuw soort leiders, die een andere taal dan die van de beleidsnota spreken. Dat hoeven geen populisten te zijn. Maar in navolging van hen moeten leiders weer een politiek verhaal hebben.

Medium hh 2892969
Hilversum, 25 november 2001. Pim Fortuyn spreekt het congres van Leefbaar Nederland toe dat hem tot lijsttrekker heeft gekozen. © Peter Hilz /HH

De elite is in een staat van verwarring en verbijstering. Het volk wil politieke leiders die in alles afwijken van wat betamelijk is. Ze zijn chic noch redelijk, verzoenend noch compromisbereid, verbindend noch dienstbaar. Ze acteren met verve de buitenstaander. Wilders en Le Pen staan nog aan de zijlijn, Orbán regeert al, en de grootste schok is natuurlijk de verkiezing van Donald Trump in de belangrijkste democratische staat. Hij is niet alleen racistisch en seksistisch, maar ook nog ordinair. Dat een B-filmacteur president kon worden deed al vele Europese wenkbrauwen fronsen, nu gaat een klatergouden vastgoedmagnaat onze machtigste bondgenoot leiden. Dat hij kon winnen is een aanslag op alles wat de elite daar en hier koestert. Zijn aanhang moet wel boos, miskend en irrationeel zijn. De elite wil dat wel begrijpen, maar deze typering is paternalistisch en hautain. Ze getuigt van een arrogantie die een deel van Trumps succes verklaart.

De houding van de Nederlandse elite spreekt als vanouds boekdelen: had onze favoriet gewonnen, dan was dat even rechtvaardig als vanzelfsprekend. Bij verlies is Amerika weer dat rare land van grootheidswaan en reactionair provincialisme. De analyse is marxistisch: er is daar nog altijd veel vals bewustzijn. Zelfs de weldaad van Obamacare wordt door de onwetende, maar goed bewapende stakkers verworpen.

Dat er ook een principieel debat is over de rol van de staat is in ons land onvoorstelbaar. Hier heet de staat overheid, voert ‘keukentafelgesprekken’, en intervenieert diep achter de voordeur, onder het bed en tussen de oren. Met de beste bedoelingen van volksverheffing uiteraard, maar met het geweldsmonopolie binnen handbereik. Enig wantrouwen jegens beste bedoelingen zou onze elite sieren. Arrogantie mag worden afgelegd.

De taal van de door het volk gewenste politieke leiders is van de rauwe directheid die in beschaafde kringen doorgaat voor vulgair. Onverbloemd benoemen ze de markante kwesties van de tijd. Wat bovenal choqueert is dat ze niet het beproefde repertoire van pacificatie, accommodatie en altijd technocratische oplossing hanteren, maar een retoriek van polarisatie en een symboliek van zuivering. Altijd is er ‘de ander’ en ‘het andere’ die het volk bedreigen. Het verraad van de elite is dat deze van onvermijdelijkheden spreekt. Ze vindt verzet ertegen begrijpelijk maar wil dit met nuances en veel beleid dempen.

In Nederland spreekt de elite nooit van macht. Wie weet hoe het hoort gebruikt de terminologie van de regentencultuur, waarin het gaat om invloed en verantwoordelijkheden, die tegenwoordig vooral in netwerken worden gedeeld. Het is een cultuur van impliciete regels, die exclusiviteit schragen door te ontkennen dat ze bestaan. De openheid die wij koesteren is selectief: niet alleen glazen plafonds, maar veel glazen deuren in een even transparante als labyrintische aaneenschakeling. Wie macht relativeert, maakt deze onzichtbaar.

De burger speelde in onze politieke cultuur nooit een prominente rol, behalve van tijd tot tijd in het pact van vorst en volk tegen elite. In de grondwet blijft de burger onbenoemd, net als de democratie overigens. Sterk leiderschap was lange tijd alleen bedoeld voor de eigen zuil en verbond daarin volk en elite. De staat was bescheiden en neutraal. De erosie van de zuilen en de sterke verstatelijking hebben aan de cultuur van pacificerende en accommoderende elites geen einde gemaakt. Wel kon deze het steeds meer zonder burger stellen. Onverwacht, maar met grote schokken kreeg ook Nederland zijn ‘opstand’ van burger tegen elite. Dat wij ons lange tijd ‘gidsland’ waanden, ongevoelig voor populistische sentimenten, maakte verwarring en verbijstering des te groter. Ander leiderschap zal burger en elite opnieuw moeten verbinden, maar niet in de onbemiddelde betekenis van sentiment.

***

De nieuwe politieke leider heeft voor sentiment een feilloze antenne, superieur aan alle geavanceerde statistiek van opiniepeilers. Voorpagina en prime time weet hij te beheersen zonder zich te onderwerpen aan de medialogica. Pim Fortuyn verwees ooit een vrouwelijke verslaggever naar het fornuis. Dat wordt in geen enkele mediatraining voor wijs gehouden. Wilders geeft zelden een interview, verschijnt niet in praatprogramma’s, maar is alom per tweet aanwezig. Trump is van deze mediastrategie de geradicaliseerde en waarschijnlijk gevaarlijke representant. Van de nieuwe media gebruikt hij niet de profileringstechnieken die Obama de overwinning brachten, maar vooral de halo-effecten van de echokamers waarin zijn geluid – en zijn leugens en halve waarheden natuurlijk – eindeloos wordt weerkaatst. Zo weet hij de grenzeloze fragmentatie van de postmoderne wereld te gebruiken voor een vertoog dat radicaal democratisch lijkt en onversneden racistisch en seksistisch is.

De directe democratie is in de kring van de nieuwe leider zeer geliefd. Sterker nog, hij beschouwt zichzelf als de ultieme uitdrukking daarvan: hij is de verlossende stem van het volk. De nieuwe leider plaatst zichzelf buiten het systeem en zijn elite. Hij acteert met verve de rol van buitenstaander, maar is allerminst een Mann ohne Eigenschaften, kleurloos opgaand in het volk. Gloedvol en vaak flamboyant predikt hij de mythe van het ene, zuivere volk. Zijn overwinning is een radicale overwinning van de democratie omdat via hem eindelijk het volk als eenheid aan de macht komt. Als hij die paradox van een democratie die geen minderheden meer kent op waarde weet te schatten en te benutten gaan we nog brisante tijden tegemoet. Alleen wie nooit een minderheid is, denkt zich veilig te kunnen weten. Ander leiderschap zal altijd ruimte moeten maken voor verschil. Democratie is zonder minderheid betekenisloos.

Tegenover de voldongen feiten van globalisering en vooruitgang plaatst hij een sterk verhaal van gevaar en vijanden

Als geen ander weet de nieuwe leider dat politiek een symbolische orde is. Beter dan de gevestigde machten begrijpt hij dat ressentiment een krachtige mobilisatiebron is, al was het maar omdat de culturele hegemonie tegenwoordig niet berust op een verbinding tussen elite en massa maar juist op uitsluiting en segregatie. De elite heeft de massa niet meer nodig, behalve als consument en dataleverancier. De start-ups van de nieuwe economie spreken de hippe taal van delen en disruptie, maar ambiëren wereldwijde opschaling, of minstens overname door een monopolist. Ongeschoolde arbeiders maken hun producten op veilige afstand in een lagelonenland. De uitbuiting in de oude economie was tenminste nog een relatie tussen kapitaal en arbeid. In Silicon Valley is de klassieke arbeider overbodig. Dat lot bedreigt met de sociale daling iedereen, zeker de ‘witte’ man, hoe welgesteld hij of zijn vader ook is.

Medium hh 20147216
© Phil Nijhuis / HH

Tegenover de voldongen feiten van globalisering en vooruitgang plaatst de nieuwe leider een sterk verhaal van gevaar en vijanden, van heldendom en redding. Dit verhaal ontleent zijn kracht niet aan waarheid en fact-checking maar aan beproefde narratieve structuren, aan eenvoudige en aansprekende symboliek, aan de belofte van zuivering. Artificiële identiteitspolitiek biedt dan veel meer inspiratie dan de bloedeloze waarheid van evidence based beleid en redelijke rechtvaardigheid. De moderniteit stuit op serieuze grenzen van universele tragiek en de onmogelijkheid van rationele perfectie. De nieuwe politieke leider biedt de troost van lotsverbondenheid en de mystieke zekerheid van de verlossing. Ander leiderschap zal zich ook moeten bekommeren om nieuwe solidariteit.

De kracht van identiteitspolitiek is dat deze elite en massa weet te verbinden. De uitslag in de VS getuigt daarvan: Trump heeft veel meer aanhang dan alleen de verliezers van de modernisering. Nogal wat sociologische en politicologische leerstukken behoeven stevige relativering. De rechte lijn van rationalisering, secularisering en emancipatie stuit op de richtingloosheid van de geschiedenis. Politieke machtsuitoefening blijft nodig voor al die kwesties waar de waarheid ontbreekt en morele verdeeldheid groot is. Dat besef moet ander leiderschap weten te verbinden met de fundamentele voorlopigheid van machtsuitoefening en zijn lege plek.

***

De succesvolle politieke polarisatie van de nieuwe leiders maakt duidelijk dat de gevestigde elites droomden van het einde van de politiek – behalve natuurlijk als allocatiemiddel voor bestuurlijke functies. De strategie van technocratisering en beleidsaccumulatie berust op depolitisering. De maakbaarheidsgedachte is krachtiger dan ooit tevoren, maar niet langer exclusief links. Het Europese project is een treffend voorbeeld.

Maar de politiek is verpletterend teruggekeerd in zijn oude en vertrouwde gedaante van geopolitieke dreiging. De illusie van grenzenloosheid en een ‘ever closer union’ stuit op de pijnlijke noodzaak van grenzen en begrenzing. Het belang van de nationale staat is, ook in Europa, prominenter dan ooit. Dat de nationale staat steeds minder gewicht in de schaal zou leggen is wellicht de grootste vergissing die we hebben gemaakt. Vooralsnog is duidelijk dat een politieke gemeenschap niet zonder staat kan. En omgekeerd kan een staat alleen maar legitiem zijn als er een politieke gemeenschap is. Dat geldt ook, en misschien wel bij uitstek, voor de democratische rechtsstaat. Ander leiderschap dient op dat besef en de bescherming en verdediging ervan te berusten.

Aan de noodzaak van grenzen hebben de nieuwe politieke leiders nooit getwijfeld. De grens is fundament en uitdrukking van hun nationalisme. In deze zin zijn zij politieker dan de kosmopolitische elites voor wie de wereld geen grenzen, maar slechts universele waarden mag hebben. Dit universalisme is echter apolitiek, omdat het een einde wil maken aan de gebrokenheid van de wereld. Die is volgens Machiavelli onoplosbaar en dat is maar goed ook: een volmaakte en voltooide wereld is uiteindelijk totalitair. De vrijheid van de mens is de belangrijkste bron van gebrokenheid, ook van het kwaad. Ander leiderschap moet daarom steeds ook begrenzen.

De nieuwe politieke leiders zijn in hun nationalisme in laatste instantie antipolitiek. Binnen de grenzen van de identiteitspolitiek is er geen plaats voor onvolmaaktheid. Daarom ook is de radicale democratie die de nieuwe leiders prediken wel radicaal, maar allerminst democratisch. Ze zijn er immers van overtuigd de volkswil echt te kennen. Ze zijn geen slippendragers van de elite, maar de enige echte volksvertegenwoordigers in een nepparlement. Ander leiderschap zal over de instituties van de trias politica nooit met dedain spreken.

Hem kan alles worden vergeven: zijn leugens en beloften zijn vooral bewijs van zijn moed

Er is nog een paradox. Hoezeer ook de nieuwe politieke leider de stem van het volk wil zijn, hij (soms zij) is een onmiskenbaar bewijs dat de relatie tussen politiek leider en volk er een is van afstand, van distantie. De meest opvallende indicatie is vaak te vinden in de identiteit en uitstraling van deze leiders. Ze vertegenwoordigen regelmatig alles wat hun volgelingen niet zijn. Fortuyn acteerde een Oscar Wilde, voor wie het premierschap de ultieme rol zou zijn. Een flamboyante homoseksueel die naar de dark room verwees, waar menige aanhanger zijn zoon toch niet graag had willen aantreffen. Vader Le Pen zou eerder een knokploeg op Fortuyn af hebben gestuurd dan hem als potentieel bondgenoot te erkennen.

Wilders kan evenmin gelden als een afspiegeling van zijn electoraat. Dat het mannelijke deel daarvan zich zelden blondeert, is tot daaraan toe. En een achttienjarig Kamerlidmaatschap maakt zijn rol van politieke buitenstaander een even knappe als ironische acteerprestatie. Hij is extreem zichtbaar in een grote mate van distantie, waaraan de unieke en afschuwelijke toestand van permanente bedreiging alleen maar bijdraagt. Hij is als de onverschrokken held in een Griekse tragedie, die beseft dat het noodlot onafwendbaar is, maar als eerste en laatste heeft gewaarschuwd voor de ondergang. En ook al is zijn taal rauw, ze is rijk aan metaforische frames.

Trump is bepaald geen verliezer van de modernisering, christelijk fundamentalist, of succesvolle kleine ondernemer. Hij valt als representant niet samen met de gerepresenteerden. Hij is puissant rijk, grootstedelijk, met de campy smaak van een Liberace: een iconische nouveau riche. Hij veroorlooft zich uitspraken en gedragingen die veel Amerikanen verafschuwen, terwijl ze hem toch hun stem geven. Nu hij president is komt daar nog alle aureool bij die aan dit ambt is verbonden – of hij wil of niet.

Populistische leiders wijzen vol afschuw op de kloof tussen massa en elite en in een parallel discours op de kloof tussen het echte volk en de vreemde. Aan beide ligt het verraad van de elite ten grondslag. Daaraan zullen zij een einde maken door de verraders af te zetten en de vreemde de deur te wijzen of tot assimilatie te dwingen. Hun leiderschapsstijl is die van het grote gebaar, de waarheidsclaim voorbij de feiten, het narcistische gelijk en de machtsaspiratie zonder enige scrupules. Dat is een stijl die alleen maar kan bestaan in grote distantie tot het volk. Alleen op afstand is de populistische leider zichtbaar. Hij representeert het volk door er niet mee samen te vallen, maar een autoritaire relatie ermee te onderhouden. De liefde voor de leider berust allerminst op gelijkwaardigheid. De volgeling creëert het charisma van de leider door zich ondergeschikt te betonen. Hem kan alles worden vergeven: zijn leugens en beloften zijn vooral een bewijs van zijn moed.

***

Heeft alleen populistisch leiderschap dan een vitaal antwoord op de grote vragen van de tijdgeest? Het heeft in ieder geval een vitalistisch antwoord waarin de emotie en het ressentiment worden ingezet voor een vertoog van zuiverend herstel. In romantische zin is het aansprekend omdat het een niet-rationeel verhaal over identiteit vertelt. In politieke zin is het sterk omdat het maatschappelijke kwesties politiseert en onderwerp maakt van symbolische strijd. Daarmee lijkt het populisme goed te begrijpen wat Claude Lefort aanduidt als ‘het politieke’ – de constitutie van macht en machtstegenstellingen in een samenleving en de politieke representatie daarvan. Daar staat ‘de politiek’ – de dagelijkse gebeurtenissen en verschijnselen die we met politiek aanduiden – tegenover. Natuurlijk zijn populisten zeer bedreven in de gewone politieke strijd, maar hun betekenis is vooral symbolisch, in de krachtige, politieke betekenis van dat woord. Ze weten dat politiek een creatie is. Ze noemen het afspiegeling – de stem van het volk immers – maar ze weten dat het om een schepping gaat, om verbeelding.

Ander leiderschap moet weten dat representatie altijd over distantie gaat. De feiten spreken nooit voor zich, maar hebben symbolische duiding nodig, zoals ook een schilderij zijn betekenis niet ontleent aan de nauwgezetheid van de afbeelding, maar aan de kwaliteit van de verbeelding.

Het leiderschap van de gevestigde elites probeert de populistische symboliek krampachtig als een reële probleemstelling te duiden en vertaalt deze in concrete beleidsopgaven. Onderzoek levert evidence en een ‘tsunami’ van plannen en interventies overstroomt de wereld. De populistische agenda wordt dan technocratisch beantwoord en ongewild bevestigd. De steeds grimmiger verzorgingsstaat beantwoordt aan Foucaults beeld van panoptische disciplinering en normalisering. Vele burgers voelen zich direct of potentieel slachtoffer. Vandaar de roep om de verzorgingsstaat royaler en exclusiever te maken: solidariteit met eigen volk eerst.

De solidariteit van de gevestigde elite is beschaafd en kosmopolitisch. De wereldburger van de netwerksamenleving weet dat de verzorgingsstaat hervormd moet worden. Dat is een rationalistisch en ook nogal steriel en nauwelijks empathisch antwoord op de zorgen van de burger. Het staat in schril contrast met de populistische verdediging van de klassieke verzorgingsstaat. Redelijke antwoorden van technocratisch bestuur hebben geen vat op dit discours. De tijdgeest is niet uitrekenbaar.

Het succes van het populisme toont waar het bij de gevestigde elite vooral aan schort: aan verhaal, aan symboliek, aan verbeelding. De politieke leider die geen populist wil zijn moet een andere taal dan die van de beleidsnota spreken. Daarin staan de feiten en de cijfers centraal, maar die vertellen nooit een verhaal. Daarom moet naar nieuwe politieke verhalen worden gezocht: over vrijheid, over lotsverbondenheid, over een in geschiedenis gewortelde toekomst. Het nieuwe hoeft zeker niet alleen modernistisch te zijn. Ook traditie en conservatisme zijn rijke bronnen. Wat te denken van de rechtsstaat, van de democratie? En wat te denken van solidariteit als een uiting van burgerzin? Dan gaat het niet in de eerste plaats om de abstracte solidariteit van de verzorgingsstaat. Ander leiderschap weet dat gedragen solidariteit altijd in gemeenschappen van burgers is geworteld, in Nederland een steeds hernieuwde verbeelding van de traditie.

Dit raakt aan ideeën over burgerschap, het belangrijkste ambt in de republiek. Ander leiderschap zal een antwoord moeten geven op de populistische claim dat het éne volk achter de leider en tegenover de elite staat. Het zal de lof moeten zingen van het pluralisme dat de democratie fundeert en door de rechtsstaat wordt beschermd. Dat is niet noodzakelijkerwijze het pluralisme van de geïndividualiseerde burger. Het gaat om een pluralisme dat de vrijheid van de politieke gemeenschap zowel fundeert als beschermt. En ook: begrenst. Het is immers een vrijheid van het verschil die om grenzen vraagt. De democratische rechtsstaat is zo’n grens. En grenzen hebben bewakers nodig. Instituties in de eerste plaats, maar ook leiders die afstand bewaren en de instituties beschermen. Leiders die weten dat matiging plicht is, al was het maar omdat het geweld monopolie van de staat moet blijven. Dergelijke leiders zijn onvermijdelijk een elite, juist omdat ze door de burger gekozen zijn om op afstand van diens vrijheid te blijven. De andere leider wil ook elite zijn, niet de stem van het volk. De tekenen des tijds verstaan, om tegen de tijdgeest in te kunnen werken: dat is ander politiek leiderschap.


Paul Frissen is decaan en bestuursvoorzitter van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur in Den Haag en hoogleraar bestuurskunde aan de Universiteit van Tilburg. Over leiderschap publiceerde hij Gevaar verplicht: Over de noodzaak van aristocratische politiek (Van Gennep, 2009). Recent publiceerde hij Het geheim van de laatste staat: Kritiek van de transparantie (Boom 2016)