27 februari 1932 - 23 maart 2011

Elizabeth Rosemond Taylor

The Guardian waagde een deftig editorial aan haar sterven. ‘Gescheiden, hertrouwd, gestorven en overleefd - het lijken wel de wapenfeiten van een Tudor-diva. Maar dan zonder het noodlot van onthoofding.’

TOEN ELIZABETH TAYLOR in 1948 (ze was zestien) haar eerste volwassen vrouwenrol draaide in de Britse speelfilm Conspirator (haar twaalfde) met tegenspeler Robert Taylor (geen familie), en een journalist vroeg of ze nog wel tijd had voor haar huiswerk, antwoordde Liz Taylor: ‘Hoe kan ik huiswerk maken als Robert Taylor zijn tong steeds tot achter in mijn keel blijft steken.’ Al jong niet op haar mondje gevallen en al vroeg ongenaakbaar.
Dat was trouwens ook het woord dat Richard Burton gebruikte om hun eerste ontmoeting, vijf jaar later, te beschrijven. Burton draaide in 1953 The Robe, de eerste CinemaScope-film, een lang uitgesponnen epos over de Romeinse tribuun die Christus kruisigde en vervolgens zijn leven lang met diens mantel bleef rondzeulen. Tijdens een Hollywood-party probeerde Burton zijn vaste versierverhaal (Welshe mijnwerkerszoon komt hogerop in het leven) uit op Liz Taylor, die in het geheel niet geïnteresseerd bleek. Burton: 'Ze was van een verpletterende schoonheid, maar verder een duister, ongenaakbaar godsgeschenk. En dat niet alleen, ze negeerde me totaal.’ Pas zo'n tien jaar later, tijdens de opnamen van Cleopatra, die zich van incident naar ramp sleepten, zoals ook de film zelf na de eerste acte ophield überhaupt nog te bewegen, sloeg de vonk wederzijds over. Na een tweetal verpletterende Tennessee Williams-verfilmingen in de jaren vijftig leidde de samenwerking met Burton tot een nieuwe bloeiperiode in de acteerloopbaan van Elizabeth Taylor. Die daarna tot stilstand kwam. Om over te gaan in iets wat een van haar talloze echtgenoten ooit deed verzuchten: 'I didn’t marry a woman, I didn’t even marry a bloody actrice, I married an institution.’
Elizabeth Taylor werd geboren in Hampstead Heath, Noord-Londen, uit Amerikaanse ouders: haar moeder Sara was een eeuwig veelbelovende actrice die er zelf mee ophield maar de ambitie doorgaf. Vader Francis was een goed uitziende kunsthandelaar die Constables sprokkelde voor de snobs van de Amerikaanse markt en die in het geheim een verhouding had met het conservatieve Britse Kamerlid Victor Cazalet - Liz’ voorkeur voor homoseksuele vrienden onder acteurs (Montgomery Clift, Rock Hudson) zat als het ware in haar genen. Vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog verhuisde de familie Taylor naar Beverly Hills, waar het Hollywood-kindsterretje Liz Taylor werd gecreëerd voor haar ouders het goed en wel in de gaten hadden. Ze trouwde op haar achttiende met de kroonprins van de Hilton-familie, die Liz in hun hotels zijn losse handen liet voelen - het eerste van haar reeks huwelijken duurde nog geen acht maanden. De mannen met wie ze voor de camera stond beklaagden zich zonder uitzondering voor haar acteren als houten-planken-toneel-zonder-weerwerk, tot die mannen in de rushes haar onderkoelde gestiek en flikkerende blik zagen en constateerden: die vrouw weet precies wat ze aan het doen is.
Na een lange aanloop (26 films in vijftien jaar) viel het muntje in twee verfilmingen van toneelstukken van Tennessee Williams, Cat on a Hot Tin Roof (1958) en Suddenly, Last Summer (1959), films die Liz Taylor door haar fijnzinnig acteerwerk lang zullen overleven. In Cat on a Hot Tin Roof speelt ze Maggie, vrouw van de alcoholistische planterszoon Brick (Paul Newman), die een seksueel geheim meetorst (hij is homo), haar uit zijn bed weert en aldus deze 'kat op een heet zinken dak’ dwingt 'just to keep standing on it’. Een droomrol, door Taylor koortsig, sensueel en boosaardig gespeeld. Nog overtroffen door haar samenspel met Katherine Hepburn in dat andere broeierige stuk van Williams, Suddenly, Last Summer, met twee vrouwen die een geheim over een gruwelijke moord delen en elkaar permanent de oorlog verklaren in geniale dialogen van de kwaadaardigste soort. De beide dames werden genomineerd voor een Oscar en ze kregen hem geen van beiden. Taylor zou haar eerste in 1960 winnen, voor de hoofdrol in een van haar beroerdste films vóór en naast Cleopatra, getiteld Butterfield 8.
Kort daarop begonnen de jaren met Richard Burton, de jaren waarin twee giganten elkaar hardhandig de tent uit vochten, met drank overgoten (zowel in geconsumeerde als in gesmeten vorm), hij haar vooral met juwelen behing en zij hem met lofuitingen over zijn podiuminstinct; jaren waarin ze intens om elkaar gaven en als toneelspelers en filmacteurs wezenloos veel aan en dankzij elkaar groeiden. Naast de rotzooi die ze in die periode maakten (zoals The V.I.P.s uit 1963 en The Sandpiper uit 1965), zijn het de jaren van twee hoogtepunten, niet toevallig opnieuw toneelverfilmingen, Who’s Afraid of Virginia Woolf? uit 1966 en The Taming of the Shrew uit 1967, van de (toen) jonge regisseurs Mike Nichols en Franco Zeffirelli. Voor de rol van Martha in Albee’s beroemdste stuk (Bette Davis zou haar eerst spelen) was ze twintig jaar te jong en kwam ze negen kilo aan. De film mist het claustrofobische karakter van het toneelstuk, maar is verder een monument voor acteerenergie en verbeeldingskracht, waaraan Taylor haar tweede Oscar overhield (Burton had hem trouwens ook verdiend). The Taming of the Shrew is niet alleen een van de allerbeste Shakespeare-verfilmingen ever, maar onderstreept het komische talent van beiden. Burton stierf in 1984, 58 jaar jong. In het walhalla van de podium- en camerabeesten wachtte hij geduldig op 'zijn’ Liz, die hem 21 jaar overleefde. Elizabeth Rosemond Taylor stierf in een ziekenhuis in Los Angeles op 23 maart 2011. Ze was 79 jaar oud.