Opkomst, bloei en ondergang van een warenhuis

Elk einde is een nieuw begin

De ruim tienduizend mensen die hun baan verloren toen V&D failliet ging, waren meer dan gewoon werknemers. De winkel werd misschien oubollig gevonden, maar voor het personeel was het een tweede thuis.

Tijdens het tweede sollicitatiegesprek met haar nieuwe werkgever afgelopen november barstte Semra Heydari in snikken uit. ‘Ik wist niet wat me overkwam’, zegt ze nu aan haar eettafel. ‘Wie wil nou huilen op een sollicitatie? Dat is toch raar?’ Ze dacht dat ze er overheen was, dat had ze tijdens het eerste gesprek zelf nog gezegd. Maar toen de bedrijfsleider van bouwcentrum Bauhaus iets over V&D vroeg, hád ze het ineens niet meer. Uiteindelijk mocht ze mede door die huilbui door. ‘We zien hoe loyaal je bent’, zei haar nieuwe baas.

Ze kan nog steeds kwaad worden om de neergang van V&D. Zeventien jaar werkte ze bij het filiaal in Hengelo. ‘Mensen hebben er ook wel gelijk in dat V&D een beetje stilstond’, zegt Semra terugblikkend. ‘Het erge is gewoon… Kijk, wij als personeel hadden altijd ideeën. Maar jouw arm reikt niet zo ver. Degenen die bovenaan stonden, hadden het voor het zeggen.’

Toen V&D eind 2015 failliet ging, had de warenhuisketen 62 filialen in 59 steden. Ruim tienduizend mensen verloren hun baan. Een groot deel daarvan had tot op het laatste moment gehoopt dat V&D het zou redden. V&D was er nu eenmaal altijd geweest. De keten draaide verlies, maar ook dat was al jaren zo. Net zoals het al jaren niet meer zo duidelijk was waarvoor je als consument eigenlijk bij Vroom & Dreesmann moest zijn. Officieel heette het een warenhuis, maar in feite associeerden steeds meer mensen V&D met mode voor mensen die geen eigen smaak hebben.

Large 34004
Vroom & Dreesmann, Haarlem, 1955 © Spaarnestad Photo / HH

Begin 2015 leek er nog weinig aan de hand. Er werd zelfs nog een nieuw filiaal geopend, in het Brabantse Uden. Een feestelijk evenement. ‘We staan aan het begin van iets heel moois’, had de wethouder bij de opening gezegd. Men had er toen voor de deur in de rij gestaan alsof het nog de hoogtijdagen waren.

In maart trad de zoveelste nieuwe topman aan, John van der Ent. Hij zou V&D uit het slop trekken. De winkel zou weer een ‘duidelijke’ doelgroep krijgen: vrouwen tussen de 35 en 65 jaar. Om die aan te spreken was onder meer bedacht dat La Place eigen serviesgoed zou gaan uitbrengen. In 2017 zou V&D weer gezond zijn. Er was echter één probleem: Sun Capital, sinds 2010 eigenaar van de V&D Holding Group, wilde geen geld uitgeven aan het nieuwe plan.

Vanaf de oprichting in 1887 was Vroom & Dreesmann een familiebedrijf geweest. In 1995 ging Vendex, waartoe ook V&D behoorde, naar de beurs. Vanaf dat moment werd de aandelenkoers bepalend. Met V&D ging het vanaf de jaren tachtig niet meer zo goed als voorheen. De leegloop van de binnenstad was een oorzaak, net als de groeiende behoefte van de consumenten om zich wat smaak betreft van de medemens te onderscheiden. Toen Vendex in 2002 meldde dat de beurswaarde al een paar keer lager was geweest dan de waarde van het vastgoed trok dat de aandacht van een aantal buitenlandse durfinvesteerders.

In 2004 kochten de Amerikaanse private equity-reus kkr en de Amerikaans-Nederlandse pensioenbelegger AlpInvest Vendex op voor zo’n 1,35 miljard euro. Binnen een jaar verkochten ze het V&D-vastgoed: mooie panden op strategische locaties in de binnenstad. De opbrengst werd direct overgemaakt naar de eigenaars van de investeringsmaatschappijen. V&D moest voortaan haar eigen panden huren. Sun Capital nam vervolgens de V&D-holding in 2010 voor zo’n zeventig miljoen euro over van kkr. Dit bedrijf investeerde op dat moment wereldwijd in 240 bedrijven die samen 31,25 miljard omzet haalden. Begin 2015 wilde V&D op aandringen van Sun Capital de lonen met 5,8 procent verlagen. cnv en fnv schakelden de rechter in. Die verbood de loonsverlaging. ‘Indien de panden niet zouden zijn verkocht, zou in mindere mate de noodzaak hebben bestaan een ingrijpende reductie in het huur- en loonkostenniveau aan te brengen dan thans het geval is’, zei hij.

Omroep max maakte halverwege 2015 een kritische documentaire over de werkwijze van bedrijven als kkr en Sun Capital. Journalist Cees Grimbergen sprak daarin met econome Eileen Appelbaum, die hem waarschuwde voor het scenario van het Amerikaanse warenhuisconcern Mervyn, dat in 2004 ten onder ging. ‘Sun Capital stond niet langer garant voor de rekeningen van de leveranciers. En dus zeiden sommige leveranciers: we vullen jullie schappen niet meer. Dus de schappen zijn leeg, en de winkels vies, want ze betalen ook niet meer voor schoonmakers… En de klanten blijven weg. Dus gaat Mervyn failliet. Dat maakt Sun Capital niks uit. Ze sluiten de tent. Dertigduizend mensen stonden op straat.’

Ben D’Achard van Enschut heeft in zijn met antiek ingerichte huis in Hengelo een dikke map vol krantenknipsels. Allemaal over V&D. Ook bewaarde hij enkele oude edities van het personeelsblad. ‘Even kijken, moet ik mijn bril opzetten.’ Hij stapt per ongeluk op speelgoed voor de hond. ‘Kijk, hier. O ja. Dit was wel erg leuk, die Slavische grootmeester schaken had 35 borden, en hij won er 34.’ Hij wijst op een krantenbericht in Vendex Press waarin staat dat ene Ben D’Achard van Enschut de internationale grootmeester Ljubovic als enige verslagen had. ‘Ik won dus van de man, en de directeur vond dat prachtig. Die directeur vroeg: “Hoe gaat het nou thuis?” Want we hadden pas een vervelend geval gehad. Hij zei: “Je moet eruit gaan samen. Een reisje maken.” Toen zijn we drie dagen naar Parijs geweest. Als prijs.’

Ben D’Achard was vanaf de jaren zestig in dienst bij V&D. ‘Mijn vader werkte bij de Vroom & Dreesmann in Den Haag. Zelf had ik een baan in de horeca in Katwijk, maar dan moest je in de winter iets anders doen. Voor die overbruggingsperiode raadde hij me aan om bij V&D te solliciteren. Dus zo ben ik daar terechtgekomen. In het voorjaar wilde ik weer opzeggen.’ Maar de directie vroeg of hij bleef. Ze vertelden dat ze een heel grote supermarkt zouden beginnen in het centrum van Den Haag en in Leyweg, destijds een nieuwbouwwijk. Het was de tijd van de opkomst van de delicatessen. Van de buitenlandse kazen, de sauzen. Dat vond D’Achard allemaal reuze interessant. ‘Je moet je voorstellen, je had toen nog niet van die grote supermarkten. We hadden daar een parkeergarage op het dak, een lift. Er was een complete slagerij bij, een poelier, een visafdeling, salades… Uit Amerika werden producten geïmporteerd. Dat was werkelijk heel uniek toen. Ik ben begonnen op de Leyweg. En dat was een enorm succes gelijk. Zij weet dat.’ Hij wijst op zijn vrouw: ‘Want zij heeft daar ook gewerkt. Daar heb ik haar ontmoet namelijk.’

Zijn vrouw grinnikt.

‘Dus we zijn wat dat betreft een Vroom & Dreesmann-huwelijk. Er ontstonden destijds wel meer relaties binnen Vroom & Dreesmann geloof ik. Ja, wat wil je? Allemaal jonge mensen. Je dronk samen koffie, je at gezamenlijk tussen de middag. Dus dan loop je snel tegen iets leuks aan. Maar goed.’

‘Op een gegeven moment haalde men Jan des Bouvrie binnen. Die zei: alles moet wit worden en van glas’

Uiteindelijk schopte hij het tot rayonleider van de afdeling food binnen V&D.

‘Er is een tijd geweest dat V&D absoluut voorloper was. Ik weet niet of u de kaas Emmenthaler kent? Zúlke jongens. Die worden in kratten aangevoerd. En in de kerstperiode kwamen dan twintig van die kratten met Emmenthaler binnen. Om eens wat te noemen. Dat was toentertijd heel vernieuwend.’ >

Hij begon bij V&D toen het warenhuis zijn productgroepen en diensten nog uitbreidde. Er kwam een parfumerie, een tabaksshop met eigen merk V&D-sigaren, een boekhandel met gespecialiseerde boekverkopers, discobar met de nieuwste platen, campingwinkel, schoenmaker, sleutelmaker, fotozaak, reisbureau, meubels, sportafdeling, bedden, ijzerwaren, verf, elektrische boormachines, fietsen, een postkantoor, noem het maar. En allemaal met deskundig geschoold personeel. ‘Heel de wereld onder één dak’ was de bedrijfsslogan. Zelfs de toiletten bij V&D waren beroemd.

Maar na 1975 werd het minder. ‘Ze hebben toen de keuze gemaakt om productgroepen en diensten die wat minder interessant waren qua brutowinstbijdrage eruit te zwiepen’, weet D’Achard. ‘Wat meer mode erin, want daar werd meer op verdiend. Maar als je dat gaat doen, verminder je ook de traffic in je warenhuis. Dus als je je postkantoor eruit knikkert en je tabaksshop en je fournituren eruit jast…’

Zijn vrouw: ‘In een warenhuis verwacht je dat je het allemaal kunt halen natuurlijk.’

D’Achard: ‘Dus dan krijg je minder bezoekers. Op een gegeven moment werd de concurrentie in de mode heviger. De speciaalzaken kwamen op. En dan sta je als warenhuis natuurlijk een heel stukje zwakker, hè? Toen zijn ze gaan experimenteren. Kijk, men ging dus upgraden naar die mode en accessoires. Allemaal prima, maar mensen die in een warenhuis komen, moet je eigenlijk vergelijken met mensen die naar de markt gaan. Op een gegeven moment haalde men Jan des Bouvrie binnen. Ik zie het nog gebeuren, Enschede was een van de eerste vestigingen waar ze dat uitprobeerden.

Jan des Bouvrie zei: alles moet wit worden en van glas. En handdoeken bijvoorbeeld… Voorheen als er bij V&D handdoeken in de aanbieding waren, dan lagen die in zo’n extra verkoopstand in enorme stapels en daar stonden die mensen en die vrouwen’ – ter illustratie gebaart hij wild met zijn armen – ‘dan allemaal in te zoeken. En dat verkocht goed. Jan des Bouvrie zei: nee, je moet de handdoeken allemaal opstapelen zo, op glasplaatjes, op kleur… Nou ja, de mensen durfden er niet eens aan te komen. Dan ben je toch niet goed snik? Maar nee, Jan des Bouvrie was heilig.

Nou, ze hebben twee of drie vestigingen zo ingevuld en toen bleek natuurlijk al gauw dat dat niet werkte. Daarna zijn ze er maar gauw mee gestopt. Want Jan des Bouvrie kostte heel veel geld, kan ik je vertellen.’

V&D zat klem in het kleurloze midden, de plek die ooit veilig was maar in de loop der jaren steeds minder bestaansrecht leek te krijgen. Als huismerk van de afkalvende middenklasse was er nog maar weinig toekomst voor het warenhuis.

Toch was er volgens D’Achard wel een oplossing geweest. ‘Ze hadden wat meer moeten luisteren naar mensen vanuit de regio’s’, vindt hij. ‘Zelfs van de vloer, want daar werd ook niet naar geluisterd. Er waren zat mensen die zeiden van: ja, hoe kunnen ze dat nou inkopen? We weten toch dat dat niet loopt? Hadden ze zo kunnen vertellen.’

Sinds het faillissement komen de vaste oud-medewerkers van V&D in Hengelo iedere eerste dinsdag van de maand samen in grand café Stravinsky. Al raakt het clubje wel steeds meer uitgedund. In februari zitten Yvonne D’Achard (dochter van Ben) en Rolien Polman buiten met z’n tweeën sigaretjes te roken aan een tafeltje. Allebei waren ze meer dan dertig jaar aan V&D verbonden. Rolien begon bij de fotoshopzaak in de V&D in Enschede. ‘Ik hoorde dat er een plekje vrij kwam op de damesmode. We zaten gezellig te kletsen en toen ik liet weten dat die functie me wel leuk leek, kon ik langskomen. Het ging allemaal best makkelijk.’

Yvonne wist al op haar vijftiende dat ze graag bij V&D wilde werken. ‘De veelzijdigheid sprak me aan. Ik zou niet zomaar in zo’n boetiekje kunnen werken, ik wil reuring om me heen. Ik ben gestart in Almelo, heb er alles gedaan wat maar los en vast zat. Ik wilde gewoon alles weten. Daarna ben ik naar Enschede gegaan.’ In Hengelo werd ze uiteindelijk floormanager.

‘Ik weet nog dat ik door de stad fietste en om me heen keek en dacht: die hebben allemaal werk. En ik heb geen werk’

Vroeger had de V&D in Enschede nog een eigen inkoopster, herinnert Yvonne zich. ‘Als die van ons te horen kreeg dat er iets nodig was, werd dat lokaal ergens ingekocht. En dan had je: tjakka.’ Ze steekt haar vuist in de lucht: ‘Dan had je verkoop. Dat merkte je gewoon. Op een gegeven moment is dat gestopt.’

Rolien: ‘Steeds kwam er een andere directie. Met wéér andere beslissingen. Soms hadden ze goeie ideeën maar dat werd nooit echt doorgezet.’

Yvonne: ‘Er waren de hele tijd reorganisaties op het hoofdkantoor. Dat merkte je in de winkel doordat bepaalde dingen niet meer binnenkwamen.’

Rolien: ‘En soms werd juist weer zo mega ingekocht. Dat bleef dan liggen, liggen, liggen. En na drie jaar gaat het voor een euro of twee in de clean-up. En dan denk je ja…’ Ze herschikt haar sjaaltje.

Yvonne: ‘In Hengelo deden we het heel goed in de koffers. Maar ja, dan kreeg je geen tien koffers extra, dan kreeg je er meteen honderd. Als het er geen tweehonderd zijn. Overal koffers. Ik kon echt de hele parterre vullen met koffers. Voor zo’n koffer kun je beter tien regenhoedjes verkopen, daar werd altijd naar gevraagd. Die kon je hier ook nergens krijgen, behalve dan bij V&D.’

Rolien: ‘We hebben heel wat voorstellen naar het hoofdkantoor gestuurd. Dat moest dan per mail naar diegene die op dat moment over de afdeling ging. Ja, en Hengelo ligt natuurlijk een eindje uit de richting. Er gingen soms wel een paar maanden overheen voordat er eens iemand langskwam. Wat hier speelt, dat speelt niet in Amsterdam. En dan is het misschien ook goed om te kijken wat per gemeente speelt. Het moet wel herkenbaar zijn voor de mensen. Die heel korte broekjes bijvoorbeeld, die gaan hier toch niet over de toonbank. Maar wij krijgen er ook tachtig.’

Yvonne: ‘Toch heb ik er altijd met heel veel plezier gewerkt. Iedereen stond voor je klaar. Je gaat met je collega’s meer om dan met je eigen man en kinderen. Je helpt mekaar, iedereen was betrokken, altijd.’

Rolien: ‘V&D was je leven. Kwam je aan V&D, dan kwam je aan ons. Toch?’

semra herinnert zich de leegverkoop: ‘Het leek wel leedvermaak. Waar waren al die massa’s mensen eerst? Ik had bijna het gevoel dat de winkel leeggeroofd werd.’

Rolien: ‘Ja, maar er waren ook heel veel lieve klanten, hoor. Ze kwamen met bloemen en bonbons.’ Plots schiet haar weer een herinnering te binnen: ‘Dat was ook best jammer. Zaterdag hadden we nog gewerkt en maandag hoorden we dat we niet open gingen. En dan had je klanten voor de deur die graag afscheid wilden nemen, maar dat mocht niet. Dat was wel heel abrupt. Dat was voor de klant denk ik ook niet leuk.’

Yvonne: ‘Ik heb er drie maanden last van gehad. Dat ik niet kon nadenken over wat me was overkomen.’ Semra ging zich na het faillissement op ‘houtkunst’ richten. In huis staan verschillende houten sculpturen op sokkels. Haar pronkstuk is een stuk zwerfhout waar ze een foetus in herkende. Ze heeft het in een uitgeholde boomstam geplaatst. ‘Ieder einde is een nieuw begin’, zegt ze. Inmiddels exposeert ze op kunstmarkten en pop-up-galeries in de regio. Een andere collega is nu begonnen met het schrijven van fantasyboeken. Weer een ander viel in een zwart gat. ‘Jij hebt nog je hout’, zei die oud-collega tegen Semra. ‘Ik heb helemaal niks. Ik weet niet wat ik moet doen.’

Rolien: ‘Je komt in een megamallemolen terecht. In één keer krijg je met het uwv en alles te maken. En je moet solliciteren en je moet dit en je moet dat…’

Yvonne: ‘Ik heb acht maanden zonder werk gezeten. Ik weet nog wel dat ik na een maand door de stad fietste en om me heen keek en dacht: die hebben allemaal werk. En ik heb geen werk.’

Rolien: ‘Ik denk dat het heel lastig is om over te brengen wat je aan ervaring hebt opgebouwd. Net als een sollicitatiebrief schrijven of een cv maken. Alles verpakken in een paar zinnetjes, in een paar woordjes. Hoe concreet kun je dat dan neerleggen? Mensen moeten je een beetje kennen. Ze moeten weten dat je er altijd staat en dat je je niet om het minste of geringste ziek meldt en dat je niet de kantjes er vanaf loopt. Maar V&D stond bekend als oubollig. Dus onder die categorie val je dan.’