Miljoenennota 2007

Elk kabinet zijn eigen feestbegroting

Een kabinet dat aan de vooravond van de verkiezingen financieel mooi weer speelt, onderschat de kiezers. Dinsdag hebben Balkenende en Zalm een juichende begroting gepresenteerd. Dat deden hun voorgangers ook, als het even kon. Het hielp zelden.

Gaat u op het CDA of de VVD stemmen omdat uw koopkracht er komend jaar ongeveer één procent op vooruit gaat? Bent u een ondernemer, dan trekt de vijfhonderd miljoen euro voor de verlaging van de vennootschapsbelasting u misschien over de streep. Vergeet dan ook niet dat de christen-democraten en liberalen in 2007 de kinderbijslag willen verhogen, extra geld uittrekken voor de kinderopvang, ruim vierhonderd miljoen euro voor verpleeghuizen en een dikke zestig miljoen voor mantelzorgers. Of vindt u de begroting van het kabinet-Balkenende III zo vlak voor de verkiezingen niet feestelijk genoeg? Zijn de keuzes en de daaraan gekoppelde bedragen van CDA en VVD juist een reden om te stemmen op PvdA, of een andere oppositiepartij? Misschien vindt u het zelfs wel niet netjes dat dit kabinet een feestbegroting op tafel legt. Als dat laatste voor u een overweging is, bedenk dan wel: kabinetten doen niet anders als er verkiezingen aankomen, van welke signatuur ze ook zijn.

Minister Gerrit Zalm (VVD) van Financiën presenteerde dinsdag zijn twaalfde en nu echt laatste miljoenennota. Al voordat de begroting voor 2007 was gedrukt, kreeg de minister het verwijt een feestbegroting op tafel te gaan leggen om de kiezers te paaien, zodat ze de komende vier jaar weer samen verder kunnen regeren. De FNV was een van de eerste die deze kritiek uitte.

De vraag is echter: wat is een feestbegroting? En is het verwijt dat dit kabinet er een op tafel legt terecht? Daarom maar eens twee kamerleden gebeld die precies even lang in de Tweede Kamer zitten en hun dertiende miljoenennota onder ogen krijgen: Ferd Crone van oppositiepartij PvdA en Bert Bakker van tot voor kort regeringspartij D66.

Volgens Crone is een verkiezingsbegroting altijd een feestbegroting. Hij zet daar zelf direct het verkiezingraatje van de oppositievoerder tegenover: CDA en VVD komen nu dan wel met allerlei lastenverlichtingen, maar ze hebben eerst een paar jaar lang voor in totaal vijf miljard euro bezuinigd zodat iedereen koopkrachtverlies leed. Die lastenverlichtingen voelt de kiezer overigens pas in januari in zijn portemonnee, tenslotte waren de val van het kabinet, afgelopen juni, en de daardoor vervroegde verkiezingen niet voorzien. Het is volgens Crone dan ook niet voor niets dat de regeringspartijen komende maand al elk huishouden vijftig euro compensatie geven voor de sterk gestegen energierekening.

Volgens Bakker is een feestbegroting ‘vooral een begroting zonder impopulaire maatregelen en niet zozeer een begroting met populaire maatregelen’. Ook hij situeert de feestbegroting aan het einde van een kabinetsperiode en daarmee vlak voor nieuwe verkiezingen. Volgens hem zit daar een welhaast natuurlijke logica achter: ‘Een kabinet zit dan aan het einde van zijn rit. Iedereen is al gefocust op een nieuw programma voor de komende vier jaar. Het oude kabinet durft het niet aan dwars over die plannen heen ingrijpende maatregelen aan te kondigen. Dat kan daarvoor het draagvlak ook niet meer organiseren. Dat lukt een kabinet alleen aan het begin van de rit. Vanuit het niets ineens een feestbegroting met cadeautjes presenteren, is te doorzichtig. Daar trapt de kiezer niet in.’

Na het doorploegen van de feestbegrotingen uit de afgelopen twintig jaar blijkt de omschrijving van Bakker een goede analyse van de realiteit. Neem de tweede feestbegroting van Zalm. Het is september 2001. De inkt van de miljoenennota 2002 is al droog als de vliegtuigen zich in het WTC in New York boren. Pim Fortuyn moet nog aan zijn opmars beginnen en PvdA-fractievoorzitter Ad Melkert is de gedoodverfde opvolger van premier Wim Kok. Zalm schrijft dan als openingszin: ‘De economische verwachtingen waarvan in de miljoenennota 2002 wordt uitgegaan zijn minder gunstig dan in voorgaande jaren.’ De economie, waarvan kort daarvoor velen nog dachten dat die nooit meer zou haperen, was inderdaad minder hard gaan groeien. De kiezer moest echter weten dat ‘dankzij het huidige begrotingsbeleid de doorwerking van de grillige economische conjunctuur op de begroting beperkt is’. Daarom is het dit kabinet gelukt om ‘een substantiële intensivering van de beleidsuitgaven en een omvangrijke verlichting van de lasten te realiseren en de emu-schuld te verlagen’.

In begrijpelijker taal betekende dit dat er ondanks de economische tegoed 3,8 miljard euro extra kwam voor zorg, onderwijs, veiligheid en de kwaliteit van de leefomgeving, er 1,3 miljard was uitgetrokken om de lasten voor de burger te verlichten en er daarnaast nog eens geld was om de staatsschuld te verlagen. Door dit alles ontstond er overigens wel een tekort op de begroting, terwijl Zalm zelf schreef dat gezien de kosten van de vergrijzing er tot 2025 juist overschotten moesten komen. Maar ja, het was verkiezingsjaar. Het heeft niet mogen baten. Het paarse kabinet werd genadeloos afgestraft in het voorjaar van 2002, alle miljarden ten spijt.

Zalms miljoenennota voor het verkiezingsjaar 1998 is de enige van de feestbegrotingen uit de afgelopen twintig jaar die daadwerkelijk juichend begint, al is dat dan natuurlijk wel in het nette. Zijn eerste zin luidde toen: ‘Er is veel internationale belangstelling voor de relatief gunstige economische ontwikkelingen in ons land. Voor de toekomst is het van belang deze vast te houden.’ Dan volgen de wapenfeiten van vier jaar Paars: een lager financieringstekort dan gedacht, groei van de werkgelegenheid, daling van het aantal uitkeringsgerechtigden, forse lastenverlichtingen van in totaal zeventien miljard gulden, acht miljard meer dan was aangekondigd, en ook nog eens voor tien miljard investeringen, zeven miljard meer dan voorzien.

Minder ronkend was PvdA’er Wim Kok in zijn functie als minister van Financiën in de feestbegroting van het kabinet-Lubbers III voor het verkiezingsjaar 1994. ‘Het gaat Europa dit jaar economisch niet voor de wind. Menig land, waaronder buurland Duitsland, verkeert in een recessie.’ Kok ziet dan ook ‘alle aanleiding om het in 1989 ingezette regeringsbeleid ook volgend jaar voort te zetten’. Een van de pijlers van dat beleid was het terugdringen van het financieringstekort van de overheid, elke gulden die de overheid immers aan rente op geleend geld moest uitgeven, kon niet worden besteed aan infrastructuur, milieu of kennis, de aandachtpunten van dat kabinet. Kok vermeldde dan ook met enige trots dat het hem was gelukt om in 1992 en 1993 het tekort op de begroting te laten dalen en dat hij in 1994 een stijging had weten te voorkomen. ‘Nederland wijkt daarmee in gunstige zin af van alle andere Europese landen.’ Hij vertelde er echter niet bij dat door het achterwege laten van impopulaire maatregelen het tekort in het jaar ná de verkiezingen fors zou stijgen, van –3,3 procent in verkiezingsjaar 1994 naar –8,5 procent in 1995.

Het heeft de toenmalige regeringspartijen niet geholpen. Het CDA kelderde van 54 naar 34 zetels en kwam tot zijn eigen ongeloof buiten de regering te staan, waardoor het moest leren oppositievoeren. Ook de PvdA verloor twaalf zetels, maar werd wel de grootste en kon samen met VVD en D66 een kabinet vormen. De kiezers waren blijkbaar niet gevoelig gebleken voor de feestbegroting van Kok. Wat had de uitslag dan wél bepaald? Het uitblijven van koopkrachtdouceurtjes?

Koks voorganger Onno Ruding, de CDA’er die minister van Financiën was tussen 1982 en 1989, kan vertellen dat cadeautjes uitdelen niet perse hoeft. In zijn feestbegroting voor het verkiezingsjaar 1986 windt hij er geen doekjes om dat er dat jaar geen extra lastenverlichting komt. Veel te feesten viel er in die tijd dan ook niet. De aardgasinkomsten van de overheid daalden als gevolg van de tweede oliecrisis, de werkloosheid was schrikbarend hoog en de rente-uitgaven op de staatsschuld wedijverden met de uitgaven voor onderwijs om de grootste post op de overheidsbegroting. Ruding voelde precies aan dat de kiezer plotselinge cadeautjes een te gemakkelijke verkiezingstruc zou vinden. Hij schreef dan ook letterlijk dat er geen lastenverlichting zou komen omdat ‘dat zeker het vertrouwen zou schaden dat de overheid wil wekken door ernst te blijven maken met de sanering van de overheidsfinanciën teneinde de verstoring van het economische proces te minimaliseren. Niemand zou vertrouwen hebben in het blijvende karakter van een lastenverlichting die op een dergelijke wijze zou zijn gefinancierd.’

Maar ook Ruding vertelde er niet bij dat de lasten eigenlijk verzwaard hadden moeten worden, had hij zijn eigen doelstelling willen halen van een financieringstekort van 7,4 procent. Hij vermeldde wel dat het tekort bleef steken op 7,9 procent, maar indachtig de definitie van Bakker had hij – en met hem het kabinet onder leiding van Lubbers – niet meer de moed om opnieuw impopulaire maatregelen te nemen. Dat hadden ze aan het begin van hun kabinetsperiode al genoeg gedaan, hetgeen hun kwam te staan op de woede van de ambtenaren en een wekenlange staking.

Heeft de kiezer het kabinet-Lubbers I in 1986 beloond voor deze feestbegroting-in-economisch-slechte-tijden? Dat hangt ervan af hoe je ernaar kijkt. De christen-democraten gingen in 1986 van 45 naar 57 zetels. De liberale achterban was echter minder gecharmeerd van het uitblijven van lastenverlichting. De VVD verloor op haar beurt elf zetels. Het kabinet kon daardoor, steunend op hetzelfde aantal van 81 kamerzetels, wel doorregeren, maar de andere krachtsverhouding tussen CDA en VVD was het begin van het einde: in 1989 viel het kabinet-Lubbers II. Pas in 2002 zouden CDA en VVD weer samen gaan regeren.

Zat er afgelopen dinsdag in Zalms koffertje een feestbegroting? Jazeker. De kiezer krijgt geen vervelende maatregelen over zich heen, er zitten zelfs douceurtjes in het koffertje en voor de vermindering van de overheidsschuld, afgemeten aan Zalms eigen opvattingen uit 2002, zijn weer vier kostbare jaren verloren gegaan.

Is het verwijt aan dit kabinet, waar de FNV mee begon, daardoor terecht? Ja. Maar dan wel graag met de relativering dat elk kabinet zijn eigen feestbegroting heeft en dus ook graag over vier jaar weer hetzelfde verwijt.

Bepaalt een feestbegroting de verkiezingsuitslag? Welnee. De kiezer laat zich niet zo gemakkelijk verleiden of bedotten. Een terroristische aanslag of een populaire buitenstaander die ondanks vele miljarden extra van een kabinet de onvrede van de bevolking blootlegt, heeft een veel grotere invloed. Ook een voornemen in een verkiezingsprogramma om in te grijpen in arbeidsongeschiktheidsregelingen of AOW kan veel bepalender zijn. Zelfs een simpele dolksteek in de rug van een eigen partijgenoot zegt de kiezer meer. Daar weet Elco Brinkman, in 1994 de gedoodverfde opvolger van Lubbers, alles van. Vlak voor de verkiezingen zei Lubbers niet op lijsttrekker Brinkman te gaan stemmen, maar op de nummer drie, minister Ernst Hirsch Ballin van Justitie. Weg feestje.