Elk zwijgen is verzwijgen

Een eeuwenoud bijgeloof zegt dat de rechterhand van een ongedoopt begraven ziel boven zijn laatste rustplaats uitgroeit en daar verontrustend blijft wenken. Zolang de geest van de dode geen rust heeft gevonden, blijft hij de levenden in hun dagelijkse besognes bestoken en bespoken. Het is een vergelijkbare fantoomhand die de veertienjarige Gerard, de jongste van twee verweesde zonen uit het deerlijk verminkte gezin Volleman en een van de hoofdrolspelers in Graa Boomsma’s nieuwste roman Laagland, symbolisch binnenlokt in een voor hem geamputeerde geschiedenis. De betekenis van het verleden voor de persoonlijke lotgevallen van mensen is een centraal thema in Boomsma’s hele literaire werk, zo ook hier.

De lezer wordt door Boomsma meegenomen naar de nadagen van de strenge winter van 1962-63, waarin Reinier Paping onsterfelijkheid verwierf door zijn overwinning in een moordende Elfstedentocht. Gerard heeft de gewoonte om elke dag op weg naar huis zijn fiets even te stallen tegen de leuning van een brug, om vervolgens door een klein rond gat te kijken dat daar zit. Op een dag kaatst zijn ‘Hallo?!’ niet zomaar als een echo terug, maar wordt uit de vaargeul - vol ijsschotsen - die vanwege de ingevallen dooi 'niet meer dichtvriest’ beneden hem beantwoord door een paarsrode wuivende hand die om hulp lijkt te vragen. Zonder na te denken besluit Gerard tot een reddingspoging, maar hij raakt te water en verdwijnt onder de ijsschotsen. Als hij enkele dagen later weer bij kennis komt, zit zijn zojuist uit Nieuw-Guinea teruggekeerde broer Andreas aan zijn bed. Vervolgens ontwikkelt zich stukje bij beetje een drama dat de kwintessens is van een grotere geschiedenis: die van de laatste fase uit de wederopbouwjaren, waarin de misschien nog niet eens zo differente werelden van dagelijkse sleur en stille terreur subtiel worden kortgesloten. Plaats van handeling is een kleine, bekrompen en xenofobische wereld waar de tijd aan voorbij lijkt te zijn gegaan, een 'niemandsdorp in nergensland dat van niets wil weten’. De sfeer is er broeierig. Het leven van de dorpelingen en boeren wordt beheerst door geheimenissen, roddel en achterklap. Het zwijgen is er een tweede natuur van de mensen geworden, een vorm van lijfsbehoud. In dit achterduinse en binnendijkse gat is de Waalse schoenmakersdochter Marguerite Salterre ooit aan de hand van haar ouders hopeloos verdwaald en getrouwd met de Heidemij-opzichter Volleman, om het leven gekomen door een spade die een van zijn ondergeschikten als een speer naar zijn hoofd smeet. Marguerite bleef achter met de twee kinderen. Haar nostalgie naar haar geboortegrond koestert ze met jaarlijkse uitstapjes naar de Ardennen en door bij herhaling in Jacques Brels refreinzin te kruipen: 'Le plat pays qui est le mien’. Dat geldt niet voor dit Hollandse laagland: dat is in niets haar land, al zeker niet omdat ze er op een koude februaridag in 1949 de tweelingbroer van Gerard in begroef. Zonder dat iemand ervan wist, in de tuin. Wel ondervonden de andere familieleden de schrijnende gevolgen van Marguerite’s zorgvuldig bewaarde geheim. Met het doodgeboren kind stopte ze al haar gevoelens onder de aarde: 'Ik kon van niemand meer houden.’ Het is maar een van de vele voorbeelden van zwijgen en verzwijgen die in de roman voortdurend op elkaar stuiten. Andreas weet zich geen raad met de verloren oorlog in Nieuw-Guinea die maar in zijn kop blijft woeden en waarin hij bij een wacht zijn stengun liet ratelen waardoor hij een kameraad doodde. Het voorval werd uitgelegd als zelfmoord. Hij praat er niet over. Onbesproken blijft eveneens zijn liefdesaffaire met Jeanette, een klasgenootje van Gerard, die een oogje op haar heeft. Buurvrouw Magda Slicker, een onvergetelijke creatie van Boomsma, bewaart al veertien jaar het stilzwijgen over Marguerite’s daad, waarvan ze onopgemerkt getuige was. Het duimhoge vrouwtje heeft het postuur van de dikbuikige Joy-flesjes uit die tijd, waarvan ze er dagelijks vele leegdrinkt, en ze slijt haar laatste levensdagen in een soort kalfskist. Voor Gerard lijkt ze zijn tweede moeder: met haar voelt hij zich verbonden, bij haar kan hij zijn intimiteiten kwijt. Het dorp tenslotte zwijgt in alle toonaarden over de vaders die hun zonen bij de mof aangaven, over een gruwelijk mishandeld pleegkind of over het jongetje dat, voor de lol dronken gevoerd, op zijn fietsje de dood werd ingejaagd. Hermetisch is het echter nooit, er zit altijd wel een lek in het zwijgen. In dit geval is dat bakker Knor, de ziener van al het kwaad. Hij lijkt als twee druppels water op Alfred Hitchcock, de regisseur van het kwaad, die op dat moment succesvol is met zijn film Birds. Dat is nog slechts één van de vele ragfijn door het verhaal geweven parallellen met de tijd en verwijzingen naar dubbelganger- en tweelingmotieven die de roman een hechte structuur geven en de verbeeldingskracht ervan meebepalen. De huis-aan-huis bezorgende bakker heeft een onduidelijke relatie met de moeder. Er is een band maar geen verbond. Een verbond heeft Knor met de in 1956 uit Hongarije gevluchte Moldovan, die dagelijks fotograferend door het dorp zwerft om het 'helse volk’ in zijn duistere doen en laten te betrappen. 'Moldovan is de man van het beeld, Knor is de man van het woord’, heet het ergens en gedrieën zijn ze oplettende buitenstaanders. Knor kan zijn verhalen alleen aan de plaatselijke dorpspomp kwijt bij Andreas. Die kroeglocatie is veelbetekenend, de woorden zijn en blijven borrelpraat. Ze groeien niet het eigen vlees in en hebben dan ook geen enkele betekenis voor zijn afwijzende houding. In moreel opzicht blijft hij dorpeling met de dorpelingen. De enige die zich vooralsnog aan deze laaglandzomp kan onttrekken, lijkt Gerard. Anders dan voor Knor is voor hem de taal wél heilig. Hij is een spitter naar woordbetekenissen, zijn verbeelding is nog kinderlijk onbesmet en kennis van wat zich om hem heen afspeelt heeft hij niet. Totdat hij vlak na de dood van Magda en op indicatie van haar nagelaten bekentenis zijn 'wederhelft’ opgraaft en daarmee zijn lot en mogelijk dat van zijn dorp een nieuwe wending geeft. 'Graven moet ik, heel diep, dat is mijn rol, al moet ik mijn neus diep in deze stinkaarde steken’, gaat het koortsachtig door hem heen, terwijl Bob Dylans songregel 'There’s a battle outside raging’ nog vers in zijn oren klinkt. 'Ik ben al veel te lang aan de oppervlakte gebleven.’ Dat is het beklemmende slot van een enerverende roman, een veelkleurig mozaïek van verhalen, binnengedachten en commentaren.