Ongerijmd succes

Elkaar de pik vasthouden

Thomas Vaessens
Ongerijmd succes
Vantilt, 246 blz., 19,90

Op 6 juni 2006 om 07.33 uur plaatste Wil Melker het gedicht bloeit in koolzaads zon op www.poezie.startpagina.nl/prikbord. De eerste strofe luidt als volgt: «nog zijn de heuvels rond/ zacht en glooiend in het geel/ dat bloeit in koolzaads zon/ maar aan de flanken is de rots nog heel». Geen gek begin, mooie beelden, «koolzaads zon» is fraai gevonden, misschien is dat «maar» van de derde regel minder gelukkig, daar kun je over discussiëren. Het gedicht eindigt als volgt: «want ik heb je lief/ voel in jou de aarde beven/ het fundament van hart en geest/ heb ik aan jou en jij aan mij gegeven». Sterke gevoelens van verbondenheid met de aarde en met een geliefde: dit is uit het hart van de dichter gegrepen.

Het werk van Wil Melker kom je wel vaker tegen op de grote hoeveelheden sites op www.poezie.startpagina.nl waar je gedichten naar kunt sturen en waarop letterlijk duizenden Nederlandse dichters hun werk plaatsen. Die sites werken wel met bepaalde afspraken (geen raar gedoe, geen obscene praatjes), maar verder zijn er geen keuzecommissies of redacties onder leiding van belezen kenners die plaatsing in de weg staan. Stuurt u maar op, is het motto, wij doen de rest. In literaire bladen als De Gids, De Revisor of Bunker Hill komt Melker niet aan de bak, maar vermoedelijk zit hij er niet erg meer mee. Gelezen wordt hij inmiddels wel en daar gaat het hem om.

Thomas Vaessens schreef een bevlogen boek over de merkwaardige bloei en tegelijkertijd de crisis van de Nederlandse poëzie. Over de oorzaken en gevolgen daarvan. De hoofdstelling staat meteen in de inleiding: «De ‹hogere› poëzie is haar geprivilegieerde status kwijt.» Met veel argumenten probeert Vaessens aannemelijk te maken dat dit werkelijk zo is, of dat er in ieder geval sprake is van een onomkeerbare tendens: er heerst op het ogenblik steeds minder één door allen gedeeld kwaliteitsoordeel over wat «de juiste» poëzie is. Allerlei groepen nieuwe dichters trekken zich geen bal meer aan van de centrale poëzie politbureaus (cppb) die tot voor kort de dienst uitmaakten en gaan steeds meer over tot de orde van de dag van hun eigen oordeel.

Daar sta je als poëzierecensent, cultuurpaus, commissielid of redacteur van een officieel literair blad: verrek, het kan ze gewoon weinig tot niks meer schelen wat wij ervan vinden. Langzamerhand schrijven en oordelen de officiële kenners uit de cppb’s alleen nog over een stuk of tweehonderd (vooruit, driehonderd) andere officiële dichters die elkaar allemaal kennen en elkaars werk hoogstens even snel in de boekhandel lezen (niet kopen) en elkaar dan enthousiast daarover mailen of bellen: «Mooie bundel, gewaagde metaforiek, veel actueel debat.» Zij geloven dus nog wél in de juiste heersende smaak, die ze zelf hebben ontworpen, vooral ook omdat ze wel gek zouden zijn wanneer ze dat niet deden. Je wilt als officieel dichter natuurlijk niet buiten de boot van de officiële smaak vallen en de risee van je collega’s worden, maar vooral wil je erbij blijven horen omdat je anders financiële problemen krijgt.

Een deel van deze driehonderd uitverkorenen is namelijk voor hun inkomen afhankelijk van een staatssubsidieregeling waarbij ze onderworpen zijn aan het oordeel van literaire commissies. En wie zitten er in die commissies? Eén keer raden is genoeg. Dezelfde officiële kenners, meestal dus collega-dichters, die elkaar allemaal kennen («elkaars pik vasthouden», zeiden we vroeger treffend) en allemaal de juiste heersende smaak ten koste van alles in stand willen houden. En zo blijft de cirkel uiteraard gesloten, hopen ze, tot op de jongste dag. Ik denk dat ik niet eens zo erg overdrijf.

Wat dit gesloten kastesysteem voor de poëzie van de driehonderd getrouwen betekent, heb ik mogen beleven toen ik afgelopen jaar als jurylid van de Ida Gerhardt Prijs 2006 zo ongeveer alle officiële dichtbundels van de afgelopen twee jaar heb gelezen: meer dan 140 bundels. Allemaal postmodern. Nou vooruit, op tien na. Ik bedoel: allemaal last van onzekerheid, allemaal in verwarring, allemaal rijmloos, allemaal schrijven dat taal niet alles is, allemaal wel eens een filosofieboek gelezen, allemaal kenner van de Antieken, allemaal veel wit tussen de regels, allemaal het Handboek voor de Poëzie van de Vijftigers uit het hoofd geleerd, allemaal dezelfde rare afgebroken zinnen die je niet snapt, allemaal een beetje verdrietig, allemaal piepkleine waarnemingen belangrijk vinden, allemaal niet meer christelijk, allemaal poëzie heilig vinden, allemaal weltschmerz, allemaal spleen, allemaal dezelfde romantische voorgangers bewieroken (Rimbaud!), allemaal Plato-liefhebbers, allemaal van dezelfde kunst houden, allemaal jong geweest en nu oud geworden, allemaal hetzelfde jargon. Nou vooruit, op tien na. Allemaal tegen het kapitalisme, allemaal aardig voor dier, mens en milieu, allemaal bezorgd, allemaal tegen verloedering, allemaal ernstig, allemaal dromen van rust en stilte, allemaal sociaal-democraat.

Gadverdamme. En de bundels zien er ook nog allemaal hetzelfde uit en ze zijn allemaal even dik en op iedere pagina staat één gedicht en zo’n gedicht telt tussen de acht en twee-en-twintig regels met altijd stukjes wit na drie, vier of vijf regels. Als ik me kwaad zou maken, zou ik elke bundel binnen twee uur kunnen schrijven, ik weet het zeker, en dan beter. Nou goed, bijna elke bundel. Zal ik uit iedere bundel van dichter A tot en met Z een treffende regel citeren? Kun je lachen.

Eén ding weet ik zeker, de Nederlandse «hogere» poëzie van de kenners bevindt zich in een ernstige crisis: er is geen debat, er is alleen een vast jargon, er is een vaste toon, een vaste club, er is een vaste burcht en een vaste god die Poëzie heet en die een walmende geur verspreidt van grote en ellendige vanzelfsprekendheid. Letterlijk vanzelf sprekend is.

Het lucht me wel op om op deze manier over de stand van de huidige officiële poëzie te schrijven en natuurlijk is het ook allemaal waar wat ik schrijf, ik neem er geen woord van terug, maar Vaessens piekert er niet over mijn geschmier hierboven over «de» poëzie en mijn crisisjargon in het poëziedebat in te zetten. Hij probeert duidelijk te maken dat je met het begrip «crisis» en het vaak militaristische jargon dat daar altijd bij hoorde, niet langer de situatie in de Nederlandse poëzie kunt beschrijven. Uitvoerig en overtuigend gaat hij in op historische dichtersscholen (de Tachtigers, de Vijftigers et cetera) die altijd eerst een crisis in «de» poëzie van hun tijd plachten te zien, die zichzelf daarna tot redders van die poëzie uitriepen, de nieuwe generatie, de avant-garde, en vervolgens dankzij vaak voortreffelijke reclamecampagnes erin slaagden de rest van de poëticale goegemeente, die vooral uitblonk in meelopen, achter zich te krijgen. Waarna er dus opnieuw een algemeen goedgekeurde dichtersschool ontstond waar iedereen lid van was, want wee je gebeente als je je buiten de club opstelde: geen aanzien, geen subsidies, geen baantjes. Vaessens brengt in dit verband het treurige lot van Bertus Aafjes in herinnering, die het waagde een klein beetje tegen te sputteren toen de Vijftigers met veel publicitair geweld de Nederlandse literatuur, mede dankzij de meegaandheid van de toenmalige kritiek, volledig naar hun hand zetten. Het viel nog mee dat hij niet in het gevang belandde.

Vaessens wil niet in generatie- of crisisjargon denken, volgens hem is dat niet langer vruchtbaar, hij laat zien hoe de laatste – overigens bescheiden – poging tot een generatieconflict rondom Ruben van Goghs bloemlezing Sprong naar de sterren: De laatste generatie van de twintigste eeuw (1999) weinig rumoer teweegbracht. Hij wil tendensen schetsen en twijfelt eraan of er nog ooit een «nieuwe beweging» vanuit de poëzie zelf, waarmee hij de «officiële» poëzie bedoelt, van de grond kan komen. Het is volgens hem afgelopen met de autonomie van de poëzie en met het idee dat daarbinnen eigen wetten gelden. Hij vindt ook dat de uit de Romantiek stammende roep om «oorspronkelijkheid», die tot nu altijd aan de basis stond van «nieuwe» bewegingen, tegenwoordig niet meer luid genoeg doorklinkt tot de vele verschillende «niches» waarbinnen men poëzie maakt. Oorspronkelijkheid is vervangen door diversiteit.

Het is niet niks wat Vaessens allemaal te berde brengt, ik vind dat het zo hoort van een net aangetreden hoogleraar Nederlandse literatuur. Geef ze van jetje, laat ze maar wenen en jammeren, al die kenners van hoe het hoort en moet, al die cultuurdragers. Ze kunnen piepen wat ze willen maar het maakt niks meer uit, want de letterlijke vanzelfsprekendheid van poëzie is door dit boek in elk geval niet meer wat ze de laatste dertig jaar in hoofdzaak geworden was: geborneerd gemompel in de marge.

Gelukkig vallen er toch ook een paar kritische opmerkingen over te maken. Je kunt Vaessens’ boek het beste opvatten als een groot opgezet, zeer interessant en vooral ambitieus onderzoeksprogramma dat hij nu verder uit moet werken. Ik vind dat hij daarvoor flink veel subsidie moet krijgen en we wachten in spanning op de resultaten. Echt hard maakt hij zijn stellingen nog niet, dit boek bevat weinig uitgewerkt onderzoek, dat moet dus nog gebeuren. Is het bijvoorbeeld echt zo dat er geen officieel centrum meer bestaat binnen de poëzie? Veel dichters die eerst alleen op internet actief waren, of als _poetry slam-_artiest, en zich volkomen terecht niks aan leken te trekken van hun officiële kunstbroeders, zie je na enige tijd toch met een dichtbundel opduiken bij een officiële uitgever. Dat heeft vast en zeker ook te maken met de financiële voordelen van zo’n publicatie: je komt in aanmerking voor een subsidie als je minstens twee bundels bij een officiële uitgever hebt gepubliceerd. Als je niks publiceert, krijg je niks. Maar misschien is de hoge status van het officiële circuit toch nog steeds meer intact dan Vaessens denkt. Hij zou het nader in kaart moeten brengen.

Vaessens verwacht veel voor poëzie van de ontwikkelingen op internet. In het hoofdstuk Dichters op internet probeert hij aan te tonen «waarom elektronische poëzie wél interessant kan zijn». Ik help het hem hopen, maar zijn verwachtingen lijken me behalve nogal rooskleurig ook in strijd met zijn eerdere betoog over het einde van nieuwe bewegingen in poëzie. Hij werkt in zijn enthousiasme over nieuwe technologische ontwikkelingen op internet, en elders, toch weer, zij het erg voorzichtig, met termen als «nieuwe ontwikkeling» en «verandering». Hij lijkt dus toch weer een nieuwe beweging aan de poëziehorizon te ontwaren. Het daarbij passende militaristische jargon rond avant-garde en crisis ontbreekt bij hem nog wel, maar je ziet het al aankomen en je houdt je hart vast: kijk uit man, straks val je nog met een luide smak in de door jezelf bijna dichtgegooide romantische valkuil over vernieuwing en generatieconflicten.

Absolute kwaliteitsoordelen bestaan volgens hem steeds minder, omdat je steeds meer naast elkaar bestaande poëziedomeinen aantreft die allemaal hun eigen kwalitatieve systemen hanteren: wat een poetry slammer goed vindt, vindt een officiële kennerdichter prutswerk. Misschien had hij uitvoeriger op het kwaliteitsbegrip moeten ingaan. Af en toe duikt toch ineens een kwalitatief oordeel op, het bloed kruipt blijkbaar waar het niet gaan kan.

Bij een verder welwillende bespreking over het falen van Ruben van Goghs bloemlezing komt hij ineens aanzetten met het talentbegrip: «Dat zal ongetwijfeld óók een kwestie van talent zijn (Van Gogh is geen Kouwenaar: geen schande).» Maar hoe zit dat dan precies met «talent»? Wie stelt vast wat het is? Aan welke voorwaarden moet je voldoen om «een talent» te worden genoemd? Of jezelf er een te vinden? Hoort «oorspronkelijkheid» daar toch weer bij? Volgens mij wel.

In het hoofdstuk Het beroep van dichter (mooi om het daarover te hebben!) bespreekt Vaessens nogal voorzichtig enkele absurditeiten van «dichterssubsidies». Hierboven schetste ik al de merkwaardige situatie dat dichters uit de beroepsgroep elkaar op kwaliteit beoordelen. Vaessens zegt het zelf niet met zoveel woorden, maar dit leidt uiteraard tot flagrante vriendjespolitiek waarbij dichters die weinig in de juiste cafés komen en zich weinig houden aan de juiste poëticale zeden en gewoonten van de officieel goedgekeurde «kenners» naar hun geld kunnen fluiten.

Maar er is meer. Je krijgt pas subsidie als je werk wordt uitgegeven door een officiële uitgever. Je kunt je voorstellen wat dit aan maatschappelijke druk bij uitgevers oplevert. Mochten zij een dichtbundel niet uit willen geven, omdat die nu toch echt niet meer door de beugel kan, dan staat de volgende dag de dichter (met vrouw en kinderen) op de stoep van de uitgever om handenwringend een publicatie af te smeken. Anders krijg ik geen geld! Vaessens vindt terecht dat de huidige subsidieregeling te veel de deur dicht houdt voor vaak zeer actieve dichters en dichteressen die nog geen «officiële» uitgever hebben, maar wel allang in buurthuizen of op poetry slams optreden of als hiphopper opereren, of een eigen website onderhouden of redacteur zijn van een internetsite.

Kortom, de huidige subsidieregeling moet, na een overgangsperiode, vervangen worden door een regeling waarbij een kwalitatieve beoordeling door collega’s geen rol meer speelt en publicatie van een bundel niet meer een voorwaarde hoeft te zijn om geld te krijgen.