Elkaar toevallig van de dood redden

‘De laatste mooie dag van het jaar.’ De eerste, uiteraard symbolische zin van een roman over een terroristische aanslag op een terras en een bioscoop in een grote stad. Bommen, moordpartijen, tientallen doden. Onder een terrastafeltje zoeken een man en een vrouw, ze kennen elkaar niet, bescherming bij elkaar. Ze ontsnappen aan de dood. In de weken die volgen zoeken ze elkaar op. Wat is er precies gebeurd? Wat gebeurt er als je samen de dood in de ogen hebt gezien?

Small cropnatter bert

Pathetische termen als in de zin hiervoor gebruikt Bert Natter niet in zijn nieuwe roman, dat is zijn eer te na. Zelfs in de beschrijvingen van de rondvliegende ledematen, het gegil, de rondvliegende brokstukken, de zwiepende kogels, hanteert hij doelbewust een ingehouden stijl, die de zaken uiteraard nog meer op scherp moet stellen: ‘(…) sirenes loeien, in een vleugelslag is niets meer zoals het was.’ Natter houdt niet van sensatie, hij zoekt het in de doorwerking van eerdere gebeurtenissen, deed dat bijvoorbeeld ook al in de fraaie roman Remington (2015) waarin een vader en een zoon met hun verleden worden geconfronteerd. In deze nieuwe roman laat hij de verwarrende gevoelens bij de twee overlevenden zien. Ze zoeken elkaar op en krijgen krachtig last van onbeholpen erotische gevoelens. ‘We delen iets en we weten niet precies wat’, laat Natter zijn hoofdpersonage denken. De verwarring neemt toe wanneer ze bij een reconstructie op bewakingsbeelden zien dat een van de aanslagplegers wel degelijk wist dat ze nog leefden, maar hun levens spaarde. Zijn ze voor elkaar bestemd? De aanslag is overigens niet het hoofdthema van de roman. Geen beschouwingen over terrorisme en de achtergronden. Natter laat wel overtuigend de nawerking van zoiets zien, de goed bedoelende hulpverleners, het politieonderzoek, de reconstructie, de verwarring over wat er nu echt gebeurd is. Maakte ik het wel mee zoals ik denk dat ik het meemaakte? Maar ook dit is niet de kern.

‘In de keuken zet ik water op. Ik had de strijkplank moeten opruimen. Zo ziet het er rommelig uit’

Natter zoomt in op de hoofdfiguur, op Alfred Ellerau en diens verwarring. We zitten in zijn hoofd, kijken en voelen en redeneren met hem mee. En langzamerhand komen we erachter waarom deze beklemde figuur niet alleen lijdt aan de gevolgen van de aanslag, maar steeds scherper met zijn eigen verleden wordt geconfronteerd. Natter maakte van hem een loser pur sang: zijn kroegvrienden pesten hem, zijn vrouw is overleden, hij is sterk vereenzaamd, zijn werkgever neemt hem nauwelijks serieus. Hij is chauffeur van een busje dat gehandicapte kinderen vervoert (symbool: hij vervoert zichzelf!). Afweer is zijn middle name. De schrijver laat dit haarscherp zien in treffende, kale beschrijvingen: ‘In de keuken zet ik water op. Ik had de strijkplank moeten opruimen. Zo ziet het er rommelig uit. Een man alleen die niet voor zichzelf kan zorgen.’ Ook in de dialogen streept hij detaillerende emoties weg.

‘“Het is de wind”, zegt ze. “Die waait keihard in mijn gezicht.” Ik sla mijn arm om haar heen. Het helpt niet.’ Deze kale, realistisch aandoende stijl doorademt de hele roman: Natter houdt al te grote sentimentaliteit en grote woorden doeltreffend op een afstand. Tegelijkertijd creëert hij een gevoel van toenemende melancholie die in de slotpagina’s als een golfslag over me heen spoelde. Hij scherpt dit nog aan door regelmatig een verschil in te bouwen tussen wat zijn personage zegt en wat hij denkt. Steeds laat hij hem in zijn hoofd commentaar leveren op wat er gezegd wordt. ‘“Hoe deel je de dag in?” (vraag van een hulpverlener – kth). Straks vraagt hij nog of ik moeite heb met poepen.’

Af en toe laat Natter de teugels van zijn afstandelijke, objectiverende stijl vieren, vooral in de scènes rondom de gehandicapte kinderen en de ontmoetingen met de vrouw. Dan wordt de roman af en toe toch gewoonweg sentimenteel en slaat zelfmedelijden toe, aan mij was dit wel besteed. ‘Mijn ogen lopen vol tranen. Ze buigt zich over me heen. “Gaat het.” “Het is zand.” Ik huil niet. Voor mij is er nooit genoeg reden om te huilen.’ Zo kan-ie wel weer, dacht ik hierbij, maar toch vond ik het mooi.

Er bleef bij mij iets knagen over de opzet van de roman. Het idee van twee mensen die elkaar per ongeluk van de dood redden en wat er dan gebeurt, is overtuigend en melancholiek uitgewerkt, compleet met erotische dromerijen en illusies. Misschien was dat op zich al genoeg geweest. Iets voor Nobelprijswinnaar Patrick Modiano en toch ook voor Natter die het genre van de verzwijgende literatuur heel goed beheerst. Maar hij werkte er nog verhaallijnen doorheen die de achtergrond van de hoofdfiguur moeten toelichten. De geheimzinnige dood van zijn vrouw die verder onduidelijk blijft, gedoe met cafévrienden, de gehandicapte kinderen en hun verdriet. Misschien wilde Natter de trieste achtergrond van zijn ‘held’ te veel verhelderen. Soms dacht ik, en zeker na het mooie einde: ach, had toch alleen afgekoerst op die man en die vrouw. Het rare is dat ik achteraf af en toe zelfs denk dat die hele terroristengeschiedenis als startpunt van de roman niet eens nodig was geweest. Gewoon: een man en een vrouw redden elkaar toevallig van de dood en wat er dan gebeurt. Een roman is in de grond en op z’n best toch niets anders dan de formulering van een poging elkaar van de ondergang te redden?