Elke dag één klap

Halverwege de roman Mensenwerk krijgt de jonge redactrice Kim Eun-sook zeven slagen in het gezicht van een agent van de censuurdienst. Zij gaat diezelfde middag terug naar haar werk en probeert de rest van de week elke dag één klap te vergeten.

Wanneer de zwelling en bloeduitstorting uit haar gezicht verdwenen zijn, weet ze de vernedering van de klappen te boven te komen. Maar deze ervaring roept ook de met moeite onderdrukte herinnering op aan de eerste keer dat ze met de regering in aanraking kwam, vijf jaar eerder tijdens de volksopstand in Gwangju, mei 1980.

De Zuid-Koreaanse schrijfster Han Kang (1970) debuteerde jong, schreef meer dan vijftien romans en is ondertussen een gelauwerde auteur in Zuid-Korea. Ze brak internationaal door met De vegetariër, over een vrouw die besluit geen vlees meer te eten en steeds dunner wordt in haar verlangen boom te worden. Haar verzet lokt agressieve reacties op van haar mannelijke familieleden. In Mensenwerk staat het menselijk lichaam als middel tot verzet opnieuw centraal. Deze keer niet in de familiekring, maar in het perspectief van de Zuid-Koreaanse geschiedenis. De door regeringstroepen bloedig neergeslagen opstand in Gwangju, toenmalige hoofdstad van de meest zuidelijke provincie, is een van de belangrijkste momenten in de naoorlogse geschiedenis van Zuid-Korea. Onder het regime van generaal Park Chung-hee maakte Zuid-Korea zijn eigen Wirtschaftswunder door, waarbij mensen- en arbeidsrechten grof werden geschonden. Park werd na zijn gewelddadige dood opgevolgd door de jonge generaal Chun Doo-hwan, die zelfs de pretentie van democratie snel liet varen en de noodtoestand uitriep met als direct gevolg de opstand in Gwangju op 18 mei 1980.

Zeven vertellers, in even zo veel hoofdstukken, laten de lezer de opstand en de nasleep onder het repressieve militaire regime zien. Ze worden allen verbonden en getekend door de dood van de scholier Dong-ho, de eerste verteller. De tweede verteller, zijn vriend Park Jeong-dae, spreekt Dong-ho toe nadat hijzelf is gestorven en zijn bloed uit zijn lichaam sijpelt onder op een stapel rottende lijken. Zijn relaas wordt verteld in een verstikkende jij-vorm. De overige vijf vertellers zijn drie jonge opstandelingen die hem in zijn laatste dagen hebben gekend, zoals de eerder genoemde redactrice Kim Eun-sook, maar ook zijn moeder en, ten slotte, de historicus die de verhalen van de overlevenden probeert op te tekenen. Zij vertellen het verhaal ieder vanuit een jaar tussen 1985 en 2013 en tonen zo het effect van de opstand op hun eigen leven en de geschiedenis van Zuid-Korea.

Medium gettyimages 111299386

De roman begint wanneer de goedmoedige scholier Dong-ho zijn vriend Park Jeong-dae kwijtraakt terwijl het leger het vuur opent op de demonstranten op het plein voor het provinciehuis. In de zoektocht naar zijn vriend en diens verdwenen zus helpt Dong-ho vrijwilligers lichamen van de gevallen burgers te verzamelen om ze te wassen in een geïmproviseerd mortuarium in een sportzaal.

Hoe kunnen burgers de moed opbrengen om in verzet te komen tegen een regime dat bereid is elke vorm van geweld te gebruiken?

Een kleine groep jongeren, waaronder Dong-ho, probeert tot het laatste moment verzet te bieden tegen het leger vanuit het provinciehuis. Bewapend, maar niet in staat om te schieten, geven ze zich over. Voor de overlevenden is het lijden dan nog niet afgelopen, want dan beginnen de gevangenschap, marteling en zoektocht naar vergetelheid: ‘Waterig vocht en plakkerig pus, smerig speeksel, bloed, tranen en snot, pis en stront die je broek bevuilden. Dat was alles wat me restte. Nee, dat was waartoe ik mezelf had gereduceerd. Ik was niets anders dan de som van die delen. De klomp rottend vlees waaruit het weglekte was de enige “ik” die bestond.’ De roman beukt met gruwelijk fysieke details in op de lezer. Natuurlijk zijn zulke beschrijvingen effectief, maar ze lijken niet altijd even noodzakelijk. Aangezien gekozen is voor een vertaling uit het Engels valt er over die nuance van stijl niet veel te zeggen.

Wanneer het lichaam nog het enige is dat de burger kan inzetten in zijn verzet tegen de staat krijgen alle aspecten van dat lichaam een tragische beladenheid. Of dit is in ieder geval het effect dat Han Kang weet op te roepen. De beschrijving van de frêle nek en schouders van de naaister en het vakbondslid, de schoonheid en lange wimpers van de student en de liefdevolle wassing van de verminkte lijken wordt onverdraaglijk in contrast met de behandeling van diezelfde lichamen door het leger. Jaren later, getekend door de kortstondige hoop op een andere wereld, het verlies van hun medestrijders en de gruwelijke martelingen in gevangenschap, vragen de personages zich af hoe ze hebben kunnen overleven.

De vraag die Han Kang haar lezers stelt is hoe burgers de moed kunnen opbrengen om in verzet te komen tegen een regime dat bereid is elke vorm van geweld te gebruiken. De schrijfster zoekt het antwoord in de moed, euforie bijna, die de personages krijgen door deel te zijn van een massa. Even goed als de mens als onderdeel van een massa in staat is om verschrikkelijke wandaden te plegen, zoals de soldaten die op burgers schieten en ze systematisch martelen, kan de mens als groep in staat zijn idealen te volgen, altruïstisch te zijn.

De strijd voor de nagedachtenis van de slachtoffers van Gwangju is cruciaal geweest voor het democratiseringsproces in Zuid-Korea. Park Geun-hye, de huidige president en dochter van voormalig president Park Chung-hee, kwam afgelopen jaar onder vuur te liggen vanwege, onder meer, haar plannen voor staatscontrole over geschiedenisboeken in het onderwijs en het geweld van de politie tegen jonge demonstranten. Deze bloedige roman houdt de strijd van een eerdere generatie levend.


Beeld: Arrestanten worden weggevoerd na een demonstratie tegen dictator Chun Doo-hwan. De meesten werden daarna gemarteld en vermoord. Gwangju, Zuid-Korea, 1980 (FRANCOIS LOCHON / GAMMA – RAPHO / GETTY IMAGES)