Rechts-extremisme in nederland 

Elke dag een rassenrel

Twee jaar na de moord op Theo van Gogh en het daaropvolgende geweld broeit het nog steeds op de vaderlandse schoolpleinen, op koopavonden en in het uitgaanscircuit. ‘Bijna elk weekend is het raak.’

‘Apen meppen’: het was begin 2004 het vaste vrijdagmiddagvermaak voor autochtone jongeren in het Zeeuwse Goes. Jeugdige ‘boeren’, vaak uit omliggende dorpen als Arnemuiden, verzamelden zich in café Nationaal. Allochtone jeugd deed hetzelfde op een andere plek, beide groepen kwamen elkaar tegen op de Markt en vervolgens sloeg de vlam in de pan.

Gevechten tussen autochtone en allochtone jongeren zoals in Goes, waar het volgens een medewerker van het Anti Discriminatie Bureau Zeeland weer rustig is, komen de laatste jaren steeds vaker voor. Het gebeurde, zoals het Zeeuwse voorbeeld laat zien, al vóór de moord op Theo van Gogh. Het verschil is dat in de weken na de moord, ook vanwege het aantal incidenten, de media-aandacht voor het geweld piekte. Terwijl vice-premier Zalm de oorlog verklaarde aan de radicale islam, registreerde de politie in de eerste drie weken volgend op de moord niet minder dan achthonderd incidenten die daar op enige wijze verband mee hielden. Daders waren zowel autochtonen als allochtonen. Moskeeën waren het vaakst de pineut: in totaal 104 keer. Een stroom van onderzoeken naar vooral de zogeheten Lonsdale-jongeren – genoemd naar het door hen gedragen kledingmerk, dat zelf overigens afstand neemt van het nationalistische gedachtegoed – kwam op gang. Na die roerige periode nam het aantal incidenten af. Ook de overvloedige aandacht van de media ebde weg.

Is Nederland daarmee twee jaar ná Van Gogh tot rust gekomen? Niet dus. Vooral vechtpartijen tussen allochtone en autochtone jongeren zijn schering en inslag. Terwijl het aantal racistische incidenten al sinds 2003 redelijk gestabiliseerd is, neemt het aantal confrontaties tussen allochtone en autochtone groepen jongeren toe, zo blijkt ook uit Het Lonsdalevraagstuk, een onderzoek uit 2005 in het kader van de jaarlijkse Monitor racisme en extremisme. Dader- en slachtofferschap zijn daarbij moeilijk te onderscheiden. ‘Je ziet tegenwoordig een soort gewenning voor iets wat in de jaren tachtig zeker “rassenrellen” genoemd zou zijn’, zegt Jaap van Donselaar, auteur van het onderzoek, verbonden aan de Universiteit Leiden en specialist op het gebied van racisme en extreem rechts. ‘Rassenrelletjes komen veel voor. Bijna elk weekend is het raak of bijna raak. En ook doordeweeks, op schoolpleinen of op koopavonden.’

Voorbeelden van dat andere Nederland, waar het blijft broeien, zijn niet alleen te vinden op het Friese, Brabantse of Limburgse platteland, maar ook in tal van grotere steden als Zoetermeer en Alphen aan den Rijn. In een lokaal onderzoek naar de sociale cohesie in die laatste stad, De kwaliteit van de Alphense samenleving, wordt gesproken over nationalistische Lonsdale-jongeren die zo bedreigend zijn dat de jongerenwerkster niet meer op hen af durft te stappen. ‘Ze schreeuwen mensen na met “kankerzwarte”, zetten hakenkruisen en zijn nauwelijks aanspreekbaar.’ Een klein aantal radicalen werd vorig jaar zelfs veroordeeld voor mishandelingen van Marokkanen en punkers met honkbalknuppels.

Deze problemen zijn nog relatief bescheiden in vergelijking met die waarmee Zoetermeer kampt. ‘Ten opzichte van twee jaar geleden is de situatie hier niet veel erger, maar ook niet veel beter geworden’, vertelt woordvoerder Noortje van Zanten. In een in augustus door het college van b. en w. gepresenteerd plan voor de aanpak van rechts-extremisme wordt een onderscheid gemaakt in drie groepen: een grote groep ‘gabbers’, ruim tweehonderd extreem rechtse ‘Lonsdalers’ (onder wie ook voetbalsupporters van ADO Den Haag) en een kleine dertig zeer radicale extreem rechtse skinheads. De laatsten zijn ‘out of reach’ voor de gemeente en bijvoorbeeld het jongerenwerk. Zoetermeer wil zich daarom op de tweede groep richten, om te voorkomen dat deze jongeren verder radicaliseren. ‘Ten aanzien van deze groep kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een matige vorm van rechts-extremistische sympathieën’, aldus de nota. Dat rechts-extremisme kan zich bijvoorbeeld uiten in een grote vechtpartij, zegt Van Zanten, zoals op 6 mei dit jaar tussen extreem rechtse jongeren en skaters. Maar meestal is vooral sprake van hinderlijk gedrag. ‘Rondhangen met veel lawaai, bekladding met hakenkruisen, vandalisme of in groepsverband provocerend door de stad marcheren.’ En dan zijn er inderdaad nog de ‘gewone’ vechtpartijen tussen groepen jongeren. Van Zanten: ‘Het is moeilijk te beoordelen wanneer daarbij racisme in het spel is. Het kan bijvoorbeeld ook over een meisje gaan dat een vriendje heeft in de verkeerde groep.’

Dat Nederland ondanks de relatieve stilte in politiek en media nog steeds te kampen heeft met een probleem is duidelijk. Maar over de precieze omvang daarvan tasten ook de deskundigen in het duister. ‘Er zijn geen officiële cijfers’, aldus Van Donselaar, coauteur van de jaarlijkse Monitor racisme en extremisme.

Tot 2003 verzamelde de aivd de benodigde informatie over de aard en omvang van racistisch geweld. Die cijfers waren vooral afkomstig van de 25 politieregio’s. Toen de veiligheidsdienst daarmee ophield, brak een lastige tijd aan voor het onderzoek. Intussen heeft het Korps Landelijke Politiediensten (klpd) deze taak overgenomen. ‘Maar hoe goed of slecht je ook registreert’, zegt Van Donselaar, ‘je krijgt op die manier toch maar beperkt zicht op wat zich in werkelijkheid afspeelt. De meeste voorvallen worden niet bij de politie gerapporteerd.’

Een illustratie is het enorme verschil tussen het aantal geïnventariseerde gevallen van racistisch geweld (enkele honderden) en het percentage allochtonen dat in onderzoeken zegt hiervan slachtoffer te zijn geweest (enkele duizenden). Ook als in aanmerking wordt genomen dat mensen in zo’n onderzoek de zaken mogelijk erger voorstellen dan ze zijn, blijven de verschillen opmerkelijk. Behalve dat er sprake is van onderreportage door de politie, is het waarschijnlijk dat veel slachtoffers geen aangifte doen, volgens de onderzoeken in zo’n veertig procent van de gevallen.

De incidenten die via de officiële registraties doorsijpelen, zijn dus alleen het spreekwoordelijke topje van de ijsberg. Politie en justitie hebben sowieso veel invloed op de perceptie van de omvang van racistisch geweld. Zij bepalen in eerste instantie welke stempel een vechtpartij of mishandeling krijgt – en daarmee ook of een incident het nieuws haalt. Zo werd op 20 mei een 49-jarige man van Antilliaanse afkomst gemolesteerd door een groepje neonazi’s in Papendrecht. Pas in juli werd bekend dat het wellicht om een racistische daad ging, waarop de zaak groot in de media kwam. Volgens NRC Handelsblad wilde justitie destijds om ‘redenen van privacy’ niet bevestigen of de verdachten uit de uiterst rechtse hoek kwamen.

Vaak liggen de zaken ook gecompliceerder dan bij deze mishandeling. Want hoe beoordeel je als politie een vechtpartij tussen jongeren: wanneer is er sprake van racisme, van zinloos geweld of gewoon van een ouderwets opstootje tussen verschillende groepen? Van Donselaar: ‘In de maanden na de moord op Van Gogh werd vooral ingezoomd op de Lonsdalers, maar aan die clashes zit vaak ook een andere kant. Dan zijn het de allochtonen die begonnen.’

Dat wil volgens hem niet zeggen dat de huidige vechtpartijen niet veel anders zijn dan de knokpartijen uit de ‘goeie ouwe tijd’ tussen jeugd uit verschillende dorpen op de kermis of tussen pleiners en dijkers. ‘Ik kom zelf van het platteland en ik ken dat wel een beetje. Vroeger waren er altijd nog ongeschreven regels: dat je het bijvoorbeeld bij vechten met de vuisten hield. Nu zijn er meer wapens in het spel. Door mobieltjes en internet zit er tegenwoordig bovendien een turbo op zulke conflicten.’ Maar het belangrijkste verschil met vroeger, en de reden dat racistisch geweld speciale aandacht verdient, is volgens Van Donselaar dat het een veel grotere maatschappelijke impact heeft. ‘Neem nu de integratie. Racisme en racistisch geweld werken daarbij altijd belemmerend, dat blijkt uit alle onderzoeken. Als je dus vindt dat mensen moeten integreren, en dat vindt bijna iedereen tegenwoordig, dan moet je ook iets tegen dat geweld doen.’

Over de vraag hoe je met die wetenschap om moet gaan met racistisch geweld verschillen de meningen, getuige ook de uiteenlopende lokale reacties. In het Noord-Limburgse Venray reageerde de burgemeester zeer fel op enkele incidenten rond de plaatselijke moskee. Maar in veel gevallen is sprake van terughoudendheid en heeft een burgemeester geen zin om een kwestie etnisch beladen ‘te maken’. Vaak gaat het ook om het imago van de gemeente. Toen ondergetekende contact had gezocht met een Alphense buurtwerker om te praten over de spanningen tussen jongeren, kwam een overijverige medewerkster van de gemeente spontaan met de suggestie om in plaats daarvan aandacht te besteden aan de campagne ‘Alphen Oké’ en met een beleidsambtenaar te spreken. En: ‘Als je op zoek bent naar problemen tussen Lonsdalers en Marokkanen, moet je niet hier zijn, dan kun je beter in een stad als Gouda gaan kijken.’

Het bagatelliseren van problemen met rechts-radicale jongeren is oneerlijk voor steden die wél de vuile was buiten hangen, vindt Van Zanten van de gemeente Zoetermeer. Die stad lijkt een omslag te hebben gemaakt in haar beleid. In 2005 verhuurde de gemeente op bevrijdingsdag nog een zaaltje aan extreem rechtse jongeren om een eigen feestje te kunnen vieren. Doel was een grote vechtpartij in de stad, zoals in het jaar daarvoor, te voorkomen. Erg tevreden over het resultaat van die tactiek – foto’s van siegheilende jongeren en veel negatieve publiciteit – zal de gemeente niet zijn geweest. Nu lijkt Zoetermeer te kiezen voor een minder tolerante koers, getuige ook de aangekondigde demonstratie van de extreem rechtse nvu in die stad ‘tegen de criminalisering van volksnationalistische jongeren’. Van Zanten: ‘Op een gegeven moment hebben wij besloten dit naar buiten te brengen en hier beleid op te gaan maken. Maar wij zijn absoluut niet de enige stad die last heeft van extreem rechtse jongeren. Dat is het nadeel: ineens word je genoemd als stad met heel veel rechts-extremisten.’

De terughoudendheid van gemeenten is nog eens extra onnodig omdat de nationalistische sentimenten weliswaar breed leven en de vlam gemakkelijk in de pan kan slaan, maar er tegelijkertijd nog lang geen sprake is van een onuitroeibaar probleem. Het rechts-extremisme is vooralsnog vluchtig. Zo lijkt de situatie in het Alphense Europapark, een van de plekken waar volgens het onderzoek van de gemeente sprake was van problemen met Lonsdale-jongeren, alweer redelijk genormaliseerd. Met de problemen tussen allochtonen en autochtonen valt het best mee, vindt een groepje voetballende jongeren. ‘Anders stond hij hier niet meer’, wijst een allochtone jongen naar zijn blanke medespeler. Een echtpaar van middelbare leeftijd dat aan het park woont en net op de fiets stapt, kan dat bevestigen. De man wijst naar een blauw gebouwtje in het midden van het park, de shelter. ‘Daar zitten wel eens wat jongeren, maar die zorgen niet voor overlast.’ ‘Die Lonsdalers’, vertelt de voetballer, ‘dat is vooral stoer doen met kleren en zo.’ Hij lacht: ‘Als ik daar last van had, zaten ze niet meer in die shelter.’ .

Buitenparlementair en ondergronds

Hoe serieus is de dreiging vanuit extreem rechts, twee jaar na de roerige maand volgend op de moord op Theo van Gogh? De vijver om in te vissen is er in ieder geval nog steeds: de Lonsdale-scene. Maar hoewel nationalistische sentimenten daarin breed leven, is slechts een klein deel van de vele tienduizenden hardcore liefhebbers werkelijk extreem rechts. In Het Lonsdalevraagstuk wordt een aantal van 125 gabbergroepen genoemd die in de periode van 1 januari 2002 tot 1 augustus 2005 iets van doen hadden met rechts-extremistische activiteiten of incidenten. In totaal zou het om zeshonderd tot zesduizend extreem rechtse Lonsdalers gaan.

Wat deze zeer grove schatting in ieder geval toont, is dat het Lonsdale-milieu slechts beperkt gepolitiseerd is. Dat verleidde de AIVD vorig jaar tot de conclusie dat de media de problematiek uitvergroten. Van een systematische en actieve rekrutering door extreem rechtse partijen is geen sprake. Dat lijkt te optimistisch gesteld. De uiterst rechtse partijen weten inderdaad slechts beperkt te profiteren van de opleving van het rechtse jongerenmilieu. ‘Voor de meeste jongeren kost lid worden toch weer een paar biertjes’, zo vatte voorman Jan Teijn van de Nationale Alliantie de situatie krachtig samen in het boek Generatie Lonsdale van journaliste Maaike Homan.

Maar de dreiging is op dit moment vooral buitenparlementair. Via internet en binnen informele, lokale groepen is een behoorlijk aantal jongeren bezig met extreem rechtse ideeën. ‘Veel rechts-extremisten voelen zich niet meer vertegenwoordigd door een politieke partij’, vertelt Jaap van Beek van de antifascistische onderzoeksgroep Kafka. ‘Steeds meer activisten kiezen daarom voor een lidmaatschap van een actiegroep. Compromisloos, radicaal en min of meer ondergronds.’

Een netwerk van zulke extreem rechtse clubs dat de laatste tijd aan kracht lijkt te winnen is Blood & Honour. Het lijkt de meest serieuze poging tot een politieke uitdrukking van de Lonsdale-subcultuur tot nu toe. Het neonazistische Blood & Honour is niet te vergelijken met een partij. Groepjes activisten organiseren zich op lokaal niveau als een soort rechts-extremistische ‘directe-actiegroepen’. Op landelijk vlak komt men elkaar onder meer tegen bij subculturele activiteiten of op internet. Het is een organisatiemodel dat misschien nog wel het meest lijkt op dat van de in de jaren zeventig en tachtig populaire autonome stroming binnen radicaal links – al houdt daarbij dan ook iedere gelijkenis op.

Een politieke bedreiging in de zin van parlementaire macht is Blood & Honour in de verste verte niet. Maar het gevaar van radicalisering is er des te meer. Alle tekenen zijn daar. Toen onlangs een Belgische tak van Blood & Honour werd opgerold, bleken de deels in het leger werkende activisten wapens te hebben en paramilitaire trainingen te organiseren. Daarbij waren ook enkele Nederlanders aanwezig. Vervolgens vond de Nederlandse politie bij een inval in een woning van twee rechts-extremisten in Rotterdam behalve wapens en chemicaliën ook sporen van een oude bekende. De voortvluchtige, schietgrage overvaller Eric Jan Quakkelsteijn bleek zich een tijdlang op de zolder schuil te hebben gehouden. Het is een op het oog wilde speculatie, maar feit is dat bankovervallen traditiegetrouw het startschot vormen voor de politieke ondergrondse strijd: ook radicalen hebben immers geld nodig.

Twee conclusies, de eerste ter geruststelling: ook hier heeft zich inmiddels de in moederland Engeland ontstane splitsing voltrokken binnen de Blood & Honour-gemeente tussen neonazistische diehards (in Nederland waarschijnlijk enkele tientallen) en neonazistische bierdrinkers (wellicht enkele honderden), inclusief een stevige mat- en slooppartij bij een door de subculturele tak georganiseerd concert. De andere conclusie stemt wat minder optimistisch. Het zijn nog altijd heel wat meer tot geweld bereide radicalen dan de totale Hofstadgroep telt.