Over de vrijheid van meningsuiting

Elke dag Kristallnacht

De klacht van vooral rechtse roeptoeters dat ze niet meer kunnen zeggen wat ze willen, klinkt nogal potsierlijk. Wat verloren wordt is niet de vrijheid van meningsuiting, maar het privilege om zonder weerwoord alles zomaar te kunnen verkondigen.

Medium 20160319 zap o105 054
Matthias Oesterle via ZUMA Wire / HH © Ondanks de oneindige mogelijkheden om elke halfgare opinie een eigen podium te geven is er crisis

Op het gevaar af volmaakt non-controversieel te beginnen: de vrijheid van meningsuiting lijkt, zeker in ons tijdsgewricht, de onbetwiste koningin onder de politieke rechten. Dat wil zeggen: afgaand op de grote en voortdurende aandacht die dat recht ten deel valt, op de bezielde manier waarop men haar verdedigt in de publieke ruimte, op het belang ervan dat voortdurend wordt benadrukt, en niet in de laatste plaats op het feit dat opiniemakers die zich in hun podcasts, columns en op hun YouTube-kanalen opwerpen als haar verdediger, steevast kunnen rekenen op een enorm publiek.

Het Amerikaanse technologiemagazine WIRED wijdde enkele maanden geleden een half nummer aan de ‘gouden eeuw van het vrije woord’. Nooit eerder in de geschiedenis waren er zo veel mogelijkheden om gedachten ‘te openbaren’, nooit eerder was het voor overheden zo moeilijk om de infrastructuur die noodzakelijk is om gedachten te openbaren onder controle te krijgen, nooit eerder werden er zo veel gedachten geopenbaard – en nooit eerder was het gevoel van crisis zo groot.

Moeten we het hebben over de vrijheid van meningsuiting? En wat moeten we er in dat geval over zeggen? Waar komt het gevoel van crisis vandaan? Te zeggen dat het afhangt van wie je het vraagt lijkt op het eerste gezicht een zwaktebod. Toch valt moeilijk aan de indruk te ontsnappen dat het daar wel over gaat. Of misschien wat subtieler: het gevoel van crisis, voorzover men dat beleeft, en de voorbeelden die worden aangevoerd ter illustratie van die crisis, lijken te verschillen al naar gelang de ideologische oriëntatie van de ondervraagde.

Is het de Schotse YouTuber die een geldboete kreeg opgelegd voor een video waarin hij de hond van zijn vriendin had geleerd om na het horen van ‘Sieg Heil’ de Hitlergroet te brengen? Zijn het de nfl-atleten die na een jaar van stil protest door hun werkgever gedwongen worden te staan voor het Amerikaanse volkslied, of anders in de kleedkamer te blijven? Is het de bekladding van de deuren van de Rode Hoed op de dag dat Forum voor Democratie daar een lezing zou houden? Is het Donald Trump die dagelijks oorlog voert tegen de onafhankelijke journalistiek, die journalisten ‘vijanden van het volk’ noemt, en zijn het zijn stemmers die in grote aantallen te kennen geven dat zij het een goed idee vinden dat de staat onafhankelijke media kan opdoeken als die bevooroordeeld gevonden worden?

Zijn het Facebook en Twitter die er inconsequente en verwarrende huisregels op nahouden over wat wel en niet door de beugel kan? Is het Elon Musk die na negatieve berichten over zijn ondernemingen de beroepsgroep van journalisten collectief in staat van beschuldiging stelt, en plannen maakt om de journalistieke objectiviteit te laten testen door het immer kalme en beheerste digitale schervengericht? Is het de Google-medewerker die ontslagen werd nadat hij via een intern memo een discussie wilde voeren over de kwaliteiten van zijn vrouwelijke collega’s en de vraag of er geen biologische grond was voor het feit dat vrouwen het minder goed doen in de tech-wereld? Is het de zaak van Jerry Afriyie die zijn baan kwijtraakte omdat hij tegen Zwarte Piet demonstreerde en daarbij gearresteerd werd? Zijn het de studenten die op hun (met name Amerikaanse) universiteitscampussen demonstreren tegen de komst van racistische sprekers en die proberen zulke speeches te verstoren?

Zijn het bange mensen, of juist heel gedreven mensen die niet zullen rusten tot het vrije woord dood en begraven is?

Is het een crisis die met name beleefd wordt in de Noord-Atlantische wereld? Wereldwijd? Lokaal? Is het een crisis van de staat tegen zijn burgers? Van tech-bedrijven en -gebruikers? Van eenzame en dappere opiniemakers tegen de online horden? Van rechtse politici tegen de ‘elite’? Van linkse activisten tegen de populistische meerderheden die door veruit de meeste nationale politici naar de mond worden gepraat? Van vrouwen die zich niet in een online discussie kunnen mengen zonder vuige verkrachtingsverwensingen over zich heen te krijgen? Van kalme en beheerste onderzoekers die het niet zo goed doen op tv, waardoor we in plaats daarvan avond na avond moeten luisteren naar wat Gerard Joling, een journalist van De Telegraaf en een mediageniek Kamerlid van het voorpaginanieuws van die dag vonden? Zijn het gestaalde ideologen? Mensen zonder eigenschappen? Zijn het bange mensen, of juist heel gedreven mensen die niet zullen rusten tot het vrije woord dood en begraven is?

Het is niet de bedoeling om hier met een soort fijnbesnaarde ironie te doen alsof het allemaal maar een beetje opgewonden kippendrift is of alsof het nergens over gaat. De crisis van de onafhankelijke journalistiek die dagelijks wordt beschuldigd nep-nieuws te maken en de agressieve bejegening van politieke activisten die in de publieke ruimte een minderheidsstandpunt verkondigen (van Colin Kaepernick in de Verenigde Staten tot de anti-Zwarte Piet-activisten in Nederland) zijn serieus. Andere voorbeelden zijn dat denkelijk alleen als er een loopje met de feiten genomen wordt, zoals het even hardnekkige als opgeklopte idee dat de huidige studenten allemaal de mentaliteit van een politbureaubeambte hebben. Feiten doen ertoe.

Op de Amerikaanse universiteitscampussen bijvoorbeeld – het epicentrum van de crisis, als we tientallen columnisten en een handjevol benauwde professoren moeten geloven – is de steun voor het vrije woord de laatste jaren toegenomen, met als belangrijk feit dat de steun onder zowel studenten die zichzelf ‘zeer links’ noemen als studenten op de rand van afstuderen (dus na vier jaar campusleven) het grootst is. De crisis die besloten ligt in de politiek gemotiveerde oorlog van Amerikaanse conservatieven tegen de vrije pers, en de conservatieve stemmers die de staat willen mandateren om media te sluiten, is aanzienlijk groter, maar daar is dan vreemd genoeg betrekkelijk weinig aandacht voor.

Wat Nederland betreft: het Sociaal en Cultureel Planbureau publiceerde eind vorig jaar een langlopend onderzoek waaruit bleek dat de steun voor de vrijheid van meningsuiting sinds de jaren negentig weliswaar iets was afgenomen, maar merkte ook voorzichtig optimistisch op dat het recht niet langer een ‘links’ principe was, omdat ook politiek rechtse mensen sinds de jaren negentig een heel stuk positiever waren gaan denken over het vrije woord, en dat over het algemeen de publieke opinie over de vrijheid van meningsuiting stabiel was. Geen reden tot acute zorgen, over en sluiten.

Nee, het is eerder de bedoeling om na te gaan waar (in de Noord-Atlantische wereld althans, in toenemende mate één politieke ruimte voor wat het publieke debat betreft) de crisis zoals die beleefd wordt door wat we gemakshalve ‘rechts’ noemen vandaan komt. Vanwaar het grote exposé van opinieredacteur Bari Weiss in The New York Times over de ‘renegaten’ van het ‘intellectual dark web’ (allicht: niet allemaal rechts) die in hun podcasts in de bres springen voor het vrije woord en die eensgezind verklaren dat ze zich niet het zwijgen laten opleggen om het simpele feit dat de opvattingen die ze verkondigen op hevige kritiek kunnen rekenen? Waarom zoveel columnisten die compleet van hun theewater raken om een handvol studenten op een paar Amerikaanse campussen die de confrontatie niet schuwen? Waarom de recente potsierlijke poging om van een Britse journalist die het verbod om te filmen bij de rechtbank herhaaldelijk had overtreden (wat men daar verder ook van denkt) een martelaar van het vrije woord te maken? Waarom de hysterische GeenStijl-kop over het vandalisme bij de Rode Hoed, even geïsoleerd als onbeholpen, als ware het een ‘Kristallnacht’?

Een van de meest in het oog springende eigenschappen van het huidige discours over de vrijheid van meningsuiting door zelfverklaarde woordvoerders van politiek rechts is dat de grootste bedreiging van de vrijheid van meningsuiting niet zozeer van de staat komt, als wel van een aanzienlijk nefastere en amorfere vijand, namelijk ‘de elite’ of ‘links’ (dat zonder al te veel bekommernis om de feitelijke zindelijkheid van die claim een eendrachtige groep zou zijn die bestaat uit linkse activisten, Facebook-gebruikers, mensen uit de rechtspraak en de journalistiek, eenzame Twitter-gebruikers en half Hollywood). De verdediging van het vrije woord lijkt minder neer te komen op een gevecht dat zich richt op specifieke schendingen van het recht door de overheid, en meer op een algemeen beleefd gevoel dingen ‘niet te mogen zeggen’.

De claim dat de vrijheid van meningsuiting onder druk staat, lijkt niet zozeer een bezorgdheid om de wettelijke en institutionele verankering en garantie van dat recht, als wel een politiek en sociaal fenomeen. De dreiging gaat minder uit van de staat (al zijn er voorbeelden), maar komt in plaats daarvan uit de samenleving zelf. Ondanks de oneindige mogelijkheden om elke halfgare opinie een eigen podium te geven is er crisis. Zoveel wordt ook duidelijk uit de eindeloos herhaalde mantra over dingen die blijkbaar niet gezegd mogen worden. De crux zit in dat ‘mogen’. De onmogelijkheid wordt niet afgedwongen door de staat, maar door de publieke opinie.

De rechtse manier van spreken lijkt alleen geïnteresseerd in het vasthouden van oude privileges

Het punt is dat diegenen van (met name) politiek rechts die menen dat allerlei zaken door de verstikkende deken van de publieke opinie niet besproken kunnen worden de crisis niet lijken te beleven als een structureel probleem, maar eerder als een discursief probleem. Vandaar ook de lange jeremiades over ‘politieke correctheid’. Hoewel er in feite niets is wat in juridische of materiële zin de vrijheid van meningsuiting onmogelijk maakt – geen kranten die verboden worden, geen journalisten die worden gearresteerd, geen boetes die worden opgelegd – en er ook niet gezegd kan worden dat het martelaarschap van het vrije woord economisch een beroerde keuze is (of het nu gaat om de ophefindustrie van ‘clicks’ en inkomsten uit pageviews en advertenties, of individueel succes – de onvermijdelijke Jordan Peterson snoefde pas geleden dat hij binnenliep dankzij talloze kleine donaties van zijn publiek), hebben de meest luide stemmen in het publieke debat over de vrijheid van meningsuiting allemaal het idee dat hun rechten worden aangetast. Ondanks het feit dat het soms nergens anders meer over lijkt te gaan, en ondanks het feit dat sommigen onder de grootste slachtoffers wier mond klaarblijkelijk is gesnoerd niet weg zijn te slaan uit de nationale media. Dus nogmaals: van wie mag ‘het’ niet gezegd worden?

En wat is eigenlijk dat ‘het’ dat niet gezegd mag worden? Een van de meest treffende analyses aangaande Weiss’ essay over de ‘renegaten van het intellectuele dark web’ was dat een deel van het fenomeen verklaard kan worden door een relatief verlies van status. Wat nu verkocht wordt als subversief was een jaar of twintig, dertig geleden nog volmaakt saai en alledaags. Zoals de schrijver Ta-Nehisi Coates opmerkte: The New Republic schreef in de jaren negentig nog hele themanummers vol over de vraag of zwarte mensen genetisch minder intelligent waren dan witte mensen, zonder dat daarover al te veel opschudding ontstond. Dat de racistische wetenschap die dat wereldbeeld sinds ten minste de negentiende eeuw tot heden heeft gevoed op steeds minder intellectueel gezag kan rekenen, betekent ook dat iedereen die zich nu nog aan een dergelijk standpunt waagt kritiek mag verwachten. Met andere woorden: dat een van Weiss’ ‘renegaten’ Sam Harris in zijn podcast graag met Charles Murray over de ‘wetenschap’ van ras wilde praten staat hem vrij; het is nonsens om te beweren dat sommige ideeën om de een of andere morele reden niet besproken zouden ‘mogen’ worden.

De mogelijkheid om op een bepaalde manier te kunnen blijven spreken over de wereld, in weerwil van nieuwe spreeknormen (over huidskleur of seksualiteit, bijvoorbeeld) is de laatste strohalm van een wereldbeeld in verval. Als er zelfs geen woorden meer zijn om hun achterhaalde aannames te dragen, wat blijft er dan over? In die zin is het verlies van status raak: het eeuwige ‘het’ dat niet meer gezegd mag worden is eerder een ‘het’ dat lang zo alledaags was dat we amper door hadden dat het eigenlijk altijd al gezegd werd omdat het als gemeenplaats door het leven ging. Wat verandert, is dat het privilege daarvan voorbij is, en dat wat altijd ten onrechte een feit leek te zijn geweest nu betwist wordt. Dat men de verdediging moet aanroepen van de vrije mening is een erkenning van het verlies: wat wordt afgewaardeerd van algemeenheid tot betwistbare mening moet zijn eigen betrekkelijkheid en zwakte onder ogen komen. De vrijheid die geclaimd wordt is een vrijheid om de eigen zwanenzang wat laatste treurige luister bij te zetten.

In die zin is ook het discursieve element van de rechtse verdediging van het vrije woord verklaarbaar. De obsessie met martelaarschap past bij een wereldbeeld in verval. Wat verloren wordt is niet de vrijheid van meningsuiting, maar het privilege om zonder consequenties – dat wil zeggen: zonder weerwoord – dingen te zeggen waar, op z’n minst, een hoop tegenin gebracht kan worden. En in sommige opzichten om onzin te verkopen zonder dat het iemand persoonlijk werd aangerekend als domheid of karakterzwakte.

Wat daarbij nog opgemerkt kan worden is dat de discursieve eigenschap van de ‘rechtse’ omarming van de vrijheid van meningsuiting niet alleen naadloos aansluit op de recente geschiedenis van het nationalistische populisme (bij uitstek de veilige haven van reactionairen en geborneerde vrijdenkers), maar ook op de uitholling van wat we ‘het politieke’ zouden kunnen noemen. Zonder lelijke woorden als neoliberalisme te willen gebruiken, lijkt het er in zekere zin op dat alle betekenisvolle politiek alleen nog discursief is. De publieke zaak uitgehold, het individu onderworpen aan de tucht van het kapitalisme, geïsoleerd en teruggeworpen op zichzelf – is er überhaupt nog de mogelijkheid tot betekenisvolle sociale en politieke mobilisatie? Is niet alle politiek, zelfs die van politici en bestuurders zelf, een vorm van retoriek geworden? Is alles wat ons rest niet het discours over hoe we zouden willen dat de samenleving is, omdat de meeste instrumenten om de samenleving een beetje vorm te geven en te sturen sinds de jaren negentig zijn geofferd aan het mondiale kapitalisme?

Zijn we niet allemaal uit armoedige noodzaak gramsciaans, omdat de enige vorm van controle die we nog denken uit te kunnen oefenen over ons leven discursief is? De manier waarop we over onze ervaringen spreken, niet de manier waarop we onze ervaringen gebruiken om betekenisvolle politieke veranderingen door te voeren? In die zin is de bezorgdheid op ‘links’ over een ‘juiste’ manier van spreken een fenomeen van dezelfde categorie als de obsessie op ‘rechts’ om bepaalde dingen te ‘mogen’ zeggen, omdat ze zo vertrouwd zijn. Beide zijn een poging om enige controle uit te oefenen (of zelfs politieke macht) in een tijd waarin die ons permanent ontglipt. Hoe moeilijk is het om ons voor te stellen dat het politieke tij daadwerkelijk keert als gevolg van collectief handelen, en hoe eenvoudig legt men zich neer bij de machteloze pogingen om ten minste in de manier waarop we de wereld beschrijven nog enige grip te krijgen op – op wat? – op het wereldbeeld waarin we onszelf plaatsen, omdat alleen dat beeld nog houvast biedt?

Die observatie moet niet begrepen worden als moreel equivalent. Wat de linkse manier van spreken op z’n minst onderscheidt van de rechtse is dat de eerste in ieder geval nog tot doel heeft een meer inclusieve, rechtvaardige wereld te scheppen, al blijft die wereld dan op de eerste plaats een retorische ruimte. De rechtse manier van spreken lijkt daarentegen helemaal niet geïnteresseerd in het verbeteren van de wereld, maar slechts in het vasthouden van oude privileges. In die zin is het ook volstrekt verklaarbaar dat de vrijheid van meningsuiting tegenwoordig eigenlijk niet of nauwelijks tegenover de staat wordt verdedigd – die is veel te druk om zichzelf ondergeschikt te maken aan het functioneren van het wereldwijde kapitaal, die zal de formele rechten van de polis tot het laatst in ere houden, omdat die geen werkelijke bedreiging vormen. Bedoeld als garantie tegen de staatmacht lijkt de vrijheid van meningsuiting in zekere zin een vreemd soort relikwie in een tijd waarin de staat zijn macht vrijwillig afstaat aan de jungle van het kapitaal.

In plaats daarvan is de strijd sociaal – en dat is ten slotte ook de betekenis van het ‘mogen’ zeggen van dingen. Wat op het spel staat is uitsluitend een relatieve positie in de sociale pikorde waarin een zeer specifieke sociale klasse altijd het hoogste woord voerde. En als de nieuwe uitdagers van die historische pikorde niet langer beschreven kunnen worden in de vernederende termen die historisch het monopolie van die klasse garandeerde, dan is het hek van de dam. Met de verheven principes van het vrije woord heeft dat echter niets te maken. En het is zaak om de chantage die besloten ligt in het toch aanroepen ervan te doorzien, en er niet in te trappen.