Personeelstekort in de ggz

Elke dag nieuwe gezichten

De geestelijke gezondheidszorg verkeert in een diepe crisis. Na eerdere massaontslagen drijven instellingen nu op uitzendkrachten en duurbetaalde zzp-psychiaters. Personeelstekort leidt tot dodelijke slachtoffers, blijkt uit ons onderzoek. ‘Waarom smeer je poep in je haren?’

Psychiater Ilse (44) zet een doos met tompoucen op tafel. ‘Chaos!’ roept ze. ‘Ze vroegen gisteren: “Kom je morgen werken?” Dus hier ben ik.’ Ilse – blonde, lange krullen, felroze coltrui en een stralende lach – gaat tussen haar collega’s zitten: verpleegkundigen, groepsbegeleiders en artsen in opleiding. Het is negen uur ’s ochtends, tijd voor de overdracht. Ilse werkt als zzp-psychiater op verschillende afdelingen van GGZ Friesland. Sinds een maand loopt ze rond op de High Intensive Care in Leeuwarden, een 24-uursafdeling voor mensen met complexe psychiatrische problemen.

Met een salaris van 150 euro per uur is Ilse de best betaalde persoon aan tafel. En een van de meest gewilde specialisten van dit moment. Een paar jaar geleden koos zij voor een carrière als zzp’er. Nu houdt ze er helemaal mee op. ‘Het is mijn laatste dag’, zegt ze als haar collega’s vragend naar de tompoucen kijken. ‘Niet op aarde hoor, maar wel hier’, grapt ze. Ze kiest voor haar gezin, vertelt ze even later in een lege overdrachtsruimte. ‘Het is hard werken op zo’n heftige kliniek als deze: waar mensen agressief worden, waar ze zichzelf kunnen suïcideren. Het beheerst je hele leven.’

Ggz-klinieken draaien sinds een paar jaar op uitzendkrachten en zzp’ers. Het tekort aan personeel in de ggz loopt zo hoog op dat de instellingen de wanhoop nabij zijn: afdelingen moeten sluiten, instellingen proberen met bonussen medewerkers bij elkaar weg te kapen en besteden noodgedwongen miljoenen euro’s aan de inhuur van zzp’ers en andere invalkrachten. De tekorten zijn groot en zullen toenemen: bijna alle (93 procent) ggz-instellingen hadden begin vorig jaar vacatures voor zorgpersoneel – in totaal voor 2390 banen. Ter vergelijking: minder dan de helft van de ziekenhuizen heeft vacatures. Bovendien is 85 procent van de vacatures in de ggz moeilijk vervulbaar en staat langer dan drie maanden open. Driekwart is zelfs zeer moeilijk in te vullen en blijft zes maanden of meer openstaan.

De tekorten gelden voor de hele organisatie, maar vooral voor cruciale functies als psychiater, gz-psycholoog, klinisch psycholoog en verpleegkundig specialist. Het is een bizarre situatie, geven de instellingen toe. Niet zo lang geleden was de sector hard bezig om personeel te ontslaan vanwege de bezuiniging van 600 miljoen euro die door voormalig minister Edith Schippers was opgelegd onder het mom van ‘betere en efficiëntere zorg voor minder geld’. Een paar jaar later weten instellingen van gekkigheid niet hoe ze aan geschoold personeel moeten komen.

Het nijpende personeelstekort heeft grotere gevolgen voor de veiligheid in de ggz-klinieken dan algemeen bekend is. De afgelopen anderhalf jaar deden zich incidenten met dodelijke afloop voor, die grotendeels aan het personeelstekort zijn toe te schrijven. Dit blijkt uit onderzoek dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (igj) op ons verzoek deed voor De Groene Amsterdammer en Trouw naar de relatie tussen personeelstekort en ‘calamiteiten’ in de ggz-klinieken. Een calamiteit wordt door de Inspectie omschreven als een ‘niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis die betrekking heeft op de kwaliteit van zorg en die tot de dood van, of een ernstig schadelijk gevolg voor een cliënt heeft geleid’. In bijna de helft van de door de Inspectie onderzochte calamiteitsrapportages speelde het personeelstekort een rol. In twintig procent van de gevallen was het personeelstekort de ‘grondoorzaak’, en bij nog eens een kwart speelde het een ‘nadrukkelijke rol’.

‘De Inspectie maakt zich zeker zorgen’, reageert hoofdinspecteur Korrie Louwes op de bevindingen. ‘Een fiks percentage van de calamiteiten heeft te maken met personeelstekorten.’ Maar, geeft ze toe, ook al doet een instelling nog zo haar best om allerlei maatregelen te nemen, ‘een blik goed geschoold personeel trek je niet zomaar even open’.

Verzorgende Tonnie (64) moet alles alleen doen. Het is negen uur in de ochtend en in het Haagse psychiatrisch verpleeghuis Dorestad betekent dat spitsuur. In Dorestad verblijven patiënten die behalve een ernstige chronische psychiatrische stoornis ook een lichamelijke aandoening hebben. De meesten lijden al tientallen jaren aan hun psychiatrische problematiek, bijna iedereen is ouder dan vijftig. Door de complexe combinatie kunnen ze niet terecht op een ‘normale’ ggz- of ziekenhuisafdeling. Op afdeling Icarus, waar Tonnie sinds jaar en dag werkt, staan de 45 patiënten allemaal tegelijk op, slikken medicijnen en moeten zich wassen, aankleden en ontbijten. De meesten kunnen dit niet zelf.

Daarom komt het allemaal aan op deze ene vrouw met haar grijze halflange haar en haar ferme passen. Met een verhit hoofd beent ze van kamer naar kamer, brengt boterhammen zonder korsten rond en rijdt rolstoelen de gezamenlijke woonkamer in. ‘Mevrouw Van Duin wordt om tien uur opgehaald met het busje voor een afspraak bij de tandarts!’ roept ze in het voorbijgaan tegen de koffiejuffrouw. ‘Ik hoop maar dat ze de tijd in de gaten houden’, verzucht ze. ‘Mevrouw Van Duin is altijd zo langzaam met ontbijten.’

Tonnie staat er natuurlijk niet écht alleen voor, dat weet ze zelf ook wel. Maar zo voelt het. Haar collega Merel – de enige andere vaste kracht van deze ochtend – is ‘een schat, maar wel zwanger en kotsmisselijk’. De rest: een zzp’er, een stagiair en drie leerlingen, van wie eentje pas net aan z’n opleiding verpleegkunde is begonnen.

Ook een verdieping lager, in het kleine managementkamertje van Dorestad begint de dag hectisch. ’s Ochtends komen de eerste ziekmeldingen binnen, zegt manager Debbie. Dorestad, onderdeel van de enorme ggz-instelling Parnassia Groep, heeft al zeker een jaar standaard vijftien vacatures openstaan. Iedere extra afmelding leidt tot een kleine crisis. Vanaf dat moment beginnen Debbie en haar twee collega’s met appen, mailen en bellen: wie kan een uurtje eerder komen, een paar uur langer blijven? Als eigen werknemers geen soelaas kunnen bieden zetten ze oproepen uit bij zzp-bemiddelingssites. Parnassia’s eigen flexbureau heeft alle oproepkrachten meestal al uitgezonden.

Eigenlijk moeten de drie afdelingen Icarus, Luzerne en Atalanta ieder met zeven man personeel de dag beginnen. Stagiairs mogen niet als volle kracht worden meegeteld, leerlingen wel; zij zijn namelijk in dienst van Parnassia en volgen een leerwerktraject. ‘Vandaag is het weer een zootje’, verklaart Debbie. ‘Icarus zes man, Atalanta zeven, Luzerne vier en een half.’ Die halve is ‘eigenlijk ziek’.

Dezelfde dilemma’s – maar dan op grotere schaal – beheersen de bestuurskamers van de Nederlandse ggz-instellingen. We deden voor dit onderzoek een journalistieke rondgang langs de HR-afdelingen van tien grote ggz-instellingen, die alle in bedekte bewoordingen of onomwonden laten weten dat ze met de rug tegen de muur staan. Ze hebben veelal geen idee waar ze de werknemers vandaan moeten halen. Verschillende werkgevers riepen al ‘aanbrengbonussen’ in het leven. De Amsterdamse ggz-instelling Arkin betaalt duizend euro aan een werknemer die iemand aandraagt die minstens twee maanden in dienst komt. Ook Lentis, GGZ Friesland en Dimence Groep delen dit soort cadeautjes uit. GGZ Friesland heeft daarnaast een ‘fijn-dat-je-blijft’-bonus en helpt net als de Eindhovense GGzE indien nodig ook de partner van de nieuwe medewerker een baan te vinden. Desnoods denkt GGZ Friesland mee over een geschikte makelaar. En verder? ‘Handboeien en touwen’, grapt de bestuurder van GGZ Friesland.

Op de eerste verdieping van een statig pand in Wolfheze draait Roely Molendijk er niet omheen: ‘Zo erg als nu was het nooit eerder.’ Ze is HR-directeur van de Gelderse ggz-instelling Pro Persona. Uitkijkend op wat je zou kunnen omschrijven als een ‘psychiatrisch dorp’ – kleine gebouwtjes in het groen, een veldje met schapen, hier en daar iemand die op een plastic tuinstoel buiten een sjekkie zit te roken – maakt Molendijk zich zorgen om de vijftig vacatures waarvan er veel al maanden openstaan.

Haar medewerkers worden geregeld benaderd door andere ggz-instellingen, ondanks het ‘gentlemen’s agreement’ om niet tegen elkaar op te bieden. Dat geldt in principe ook voor de lonen: het cao-loon zou de hoogte moeten dicteren. ‘Anders maken we elkaar gek.’ Toch blijken werkgevers onder het motto ‘nood breekt wet’ ook hiervan af te wijken. Arkin betaalt aan nieuwe werknemers van een afdeling met een ‘buitengewoon zware cliëntenpopulatie’ eenmalig vijfduizend euro extra als zij er een jaar aan het werk zijn, en ook Molendijk geeft toe ‘in uitzonderingsgevallen’ meer dan het cao-loon te betalen aan nieuwe medewerkers.

Als de vacatures wél worden gevuld, is dat lang niet altijd met degene die de werkgevers zochten. Ggz-instellingen namen in 2017 bij meer dan de helft van de ingevulde vacatures genoegen met een ‘tweede keuze’, blijkt uit onderzoek van gezondheidszorg-onderzoeksbureau Prismant. De instellingen zochten bijvoorbeeld een gz-psycholoog maar namen bij gebrek aan beter een ‘normale’ psycholoog aan, die niet de verdiepende tweejarige opleiding heeft gedaan. Liefst tweederde van de vacatures van gz-psychologen wordt met alternatieven gevuld.

Zo ontstaat een permanente stoelendans van functies en personen: op welke afdeling is de nood het hoogst? Wie kan welke functie nog missen? De gaten die niet met eigen mensen kunnen worden gevuld worden gedicht met externe uitzendkrachten en zzp’ers. Uit onze rondgang langs tien grote ggz-instellingen blijkt dat de instellingen zwaar leunen op deze inhuurkrachten. De HR-afdelingen doen vaak zaken met wel zeven uitzend- en bemiddelingsbureaus tegelijkertijd.

Ilse: ‘Hielp het prikje gisteren om je rustiger te maken?’ Hij knikt. Ze probeert oogcontact te maken en zegt zacht: ‘Mag ik je aanraken? Ik ga je geen pijn doen.’ Hij schudt zijn hoofd. Ilse: ‘Het is wel nodig. Ik wil je helpen’

Dat heeft gevolgen voor de begrotingen: inhuurkrachten zijn beduidend duurder. In 2017 was de groei al merkbaar: toen maakten inhuurkrachten 8,1 procent van de totale personeelskosten in de ggz uit. Het jaar ervoor was dat nog 7,3 procent, blijkt uit de Barometer Nederlandse Gezondheidszorg van consultancybureau EY. De jaarrekeningen over 2018 zijn nog niet rond, maar de verwachting is dat het percentage opnieuw hoger zal zijn – met grote financiële gevolgen. Instellingen vertelden ons al in het najaar van 2018 miljoenen méér te hebben besteed aan inhuurkrachten dan in 2017. GGzE en Arkin gaven ieder twee miljoen extra uit aan inhuurkrachten, Lentis zelfs zes miljoen. Bij Pro Persona maakten de inhuurkrachten in 2017 nog zeven procent van de loonkosten uit, in 2018 was dit in de herfst al gestegen tot tien procent. ‘We sluiten niet uit dat we daardoor in 2019 moeten bezuinigen’, zegt Molendijk.

De gangen van de HIC-afdeling in Leeuwarden lijken haast ontworpen om in te verdwalen. Overal hetzelfde linoleum op de vloer. Deur volgt na deur, steeds een ander naambordje. Het ene is versierd met hartjes, een ander met een doodshoofd. Een man loopt minutenlang door zijn knieën gezakt hetzelfde rondje door de gang. De hakken van psychiater Ilse tikken op de gladde vloer. Op deze dag die begon met tompoucen maakt ze haar laatste ronde langs haar patiënten. Nu is ze op weg naar de twee mannen die sinds gisteren in de separeercellen zitten.

Op de gesloten afdeling A van de High Intensive Care is plek voor twaalf mensen. De patiënten zijn psychotisch, schizofreen en vaak suïcidaal. Gemiddeld blijven patiënten hier zo’n drie weken, maximaal vier. Agressie is een groot probleem. Regelmatig komen mensen binnen onder politiebegeleiding. Zeventig procent zit hier tegen zijn wil. Elke deur kan op slot en in de tuin is alles hufterproof. Vorige week is het dak verhoogd omdat er te veel mensen ontsnapten.

Sleutel in het slot, deur open, daarna nog een deur. Ilse stapt eerst binnen bij Mewael, een Eritrese jongen van 25 jaar, sinds twee jaar is hij in Nederland. Mewael zit aan het voeteneind van het bed, zijn hoofd gebogen. Ilse stapt op hem af: ‘Dag Mewael. Ik ben je psychiater. Ik heb begrepen dat je met mij wilt praten. Hoe gaat het?’ Hij blijft voor zich uit staren. Ilse: ‘Het lijkt alsof je iets ziet of hoort. Ben je moe?’ ‘Nee’, antwoordt hij bijna onhoorbaar. ‘Waarom smeer je poep in je haren? Wil je dat nog steeds doen?’ De jongen haalt zijn schouders op. Ilse: ‘Hielp het prikje gisteren om je rustiger te maken?’ Hij knikt. Ze probeert oogcontact te maken en zegt zacht: ‘Mag ik je aanraken? Ik ga je geen pijn doen.’ Hij schudt zijn hoofd. Ilse: ‘Het is wel nodig. Ik wil je helpen. Kun je je arm omhoog doen?’

De jongen werkt gelaten mee. Ilse loopt de kamer uit en overlegt met de verpleegkundige: ‘Hij is knetterpsychotisch. Maar hij komt wel beter op mij over dan de vorige keer, hij gaf nu wel antwoorden.’ De verpleegkundige knikt maar heeft andere gedachten. Hij vertelt dat de jongen vanochtend vroeg nog languit op de grond lag. En dat hij zich gisteren had uitgekleed in de woonkamer. ‘Wat we eigenlijk zien is dat hij flink achteruit gaat.’ Ilse informeert naar eerdere onderzoeken die zijn gedaan, ze denkt even na en adviseert dan om nog een injectie te geven met antipsychotica en zes keer per dag lorazepam, een kalmerend middel.

In de ruimte ernaast wacht Tristan (27) op haar. Gisteren heeft hij een ontsnappingspoging gedaan. Terug in zijn kamer heeft hij zijn laptop naar een medewerker gegooid, raak. Vervolgens heeft hij op de afdeling uitgehaald naar een medepatiënt. Ilse gaat naar binnen. Ze gaat tegenover hem zitten op een kolos van een stoel, gemaakt van glad materiaal. Met grote ogen begint hij te vertellen: ‘Ik was een vulkaan die tot uitbarsting kwam.’ Ilse knikt: ‘Ik moet zeggen dat ik wel een beetje verrast was om te horen dat dit was gebeurd.’

Tristan heeft het moeilijk met zijn moeder, gisteren was ze langs geweest. ‘Alles moet, moet, moet maar van haar. Ze is geen abonnement dat ik kan afzeggen. Het beste zou zijn als ik haar mijn hele leven niet meer zie. Misschien op haar sterfbed, of op haar begrafenis nog een keer.’ Ilse: ‘Kan het zijn dat je het verkeerd opvat?’ Tristan: ‘Dat weet ik niet. Ik zie door de bomen het bos niet meer.’ Hij is even stil. ‘Weet je wat het is, ik ben zelf die boom, ik kom niet meer vooruit.’

In een bedrijfsverzamelpand naast een snelweg in Zwolle huist zorguitzendbureau Kroek en Partners. Je zou zeggen: gouden tijden voor een bedrijf als dit. Toch is de stemming in het kantoor van mededirecteur Harry Evers enigszins bedrukt. Evers, die zijn carrière ooit begon als groepsleider in een justitiële jeugdinrichting, maakt zich zorgen. ‘We kunnen de vraag niet aan. Het is gi-ga. We hebben zo’n zeshonderd man voor ons werken, voornamelijk groepsbegeleiders en verpleegkundigen, maar de vraag is minimaal het dubbele. Het gevolg is dat iedereen aan die mensen loopt te trekken.’

Afgelopen zomer was de kentering, vertelt recruiter Janneke Komen, een energiek type met dreads die zelf ook als groepsbegeleider in de ggz heeft gewerkt. ‘Tot voor kort belden de uitzendkrachten óns: heb je nog iets voor me? Maar in de zomer dachten we ineens: waar zijn ze? Waarom nemen ze de telefoon niet op? Veel flexers werken al jaren voor ons, we hebben een band met hen opgebouwd, dus we konden ze eerlijk vragen: wat is er aan de hand?’

Toen kwamen de verhalen over nieuwe ‘cowboybureaus’ die ‘belachelijke bedragen’ boden, vertelt Komen. ‘De verschillen zijn enorm. Een groepsbegeleider kreeg bij ons misschien 35 euro per uur, voor datzelfde klusje kregen ze bij een ander bureau 57. Vertrouwensband of niet, een zzp’er voelt zich dan natuurlijk een domme ondernemer als ’ie niet voor die andere gaat. Kroek heeft de tarieven sindsdien ‘een paar euro’ omhoog gedaan. ‘Niet veel. Dat komt ook doordat wij gewoon overeenkomsten hebben met onze klant. Die gelden een jaar. Ik kan niet halverwege zeggen: ja sorry hoor, er moet vijftien euro bovenop’, vertelt Evers. ‘We hebben besloten niet mee te gaan in de idioterie. Het is net als de huizenmarkt: straks barst de bubbel en wie staan er dan nog overeind? Niet die cowboys denk ik. Hoop ik. Ik probeer het ook aan te kaarten bij de directies: wat zijn jullie nou aan het doen? Dit is niet in het belang van jullie cliënten! Ze geven wel hun machteloosheid aan hoor. Er zitten cliënten binnen, ze moeten wát.’

De vijver van uitzendkrachten en zzp’ers waaruit de bureaus vissen, bestaat deels uit mensen die voorheen in vaste dienst in de ggz werkten. Bij detacheringsbureau GTSzorg maakt deze groep zelfs zeventig procent van het bestand uit, zegt Edwin Exoo die bij het bureau verantwoordelijk is voor de ggz-markt. ‘Die mensen zijn de hoge administratieve lastendruk in vaste dienst zat. Ze zijn het zat om niet hun eigen rooster te mogen bepalen; zat om bij tekorten zomaar op een andere afdeling geplaatst te worden. En zat om tegen de bierkaai te vechten.’ Ook Kroek en Partners heeft die groep ervaren werknemers in het bestand. ‘Van iedere afdeling waar wij mensen uitzenden, kloppen er een maand later twee of drie medewerkers bij ons aan’, vertelt Komen. ‘Er zijn er altijd wel een paar die het gevoel hebben klem te zitten bij hun werkgever. Zij denken: wacht even, die zzp’ers zien er gelukkig uit, dat ga ik ook doen.’

Maar niet alle inhuurkrachten zijn van het type ‘ex-medewerker die zijn vrijheid terug wil’. Een andere categorie bestaat uit – zoals Komen ze omschrijft – ‘urenboeren’. ‘Dat zijn jonge groepsleiders, een jaar of negentien, niveau mbo-4. Ze hebben vaak nog weinig ervaring. Een soort dure oppas, eigenlijk. Als jonge kracht ging je vroeger eerst een tijd in een vast team werken om het vak en de doelgroep te leren kennen. Deze jongens draaien overal een dienstje. Ze gaan van de ene instelling door naar de volgende. Tot in het extreme. Daar kan ik nog wel eens slapeloze nachten van hebben. Ik kan namelijk niet controleren of ze na een dienst voor ons in een volgende dienst stappen via een ander bureau. Ze draaien dan een avonddienst, een nachtdienst en dagdienst na elkaar.’

Iemand is beter dan niemand, is het devies bij ggz-instellingen met krapte. Zorgverzekeraars schrijven de minimale bezetting voor per afdeling, en zo is kwantiteit belangrijker geworden dan kwaliteit. Uiteraard moeten de inhuurkrachten over diploma’s en certificaten beschikken maar de kwaliteitseisen dalen, geven HR-functionarissen toe. ‘Het maximale wat je kunt doen is zorgen dat je genoeg mensen hebt rondlopen. Op welke manier dan ook’, zegt Jasper van de Giessen, HR-manager van ggz-instelling Altrecht. Als de inspectie zou langskomen met het advies om de kwalitatieve bezetting beter op orde te krijgen, zou hij niet meteen weten wat te doen. ‘Ik zou niet één-twee-drie een briljant antwoord hebben. De huidige situatie vind ik al spannend genoeg.’

Ondertussen neemt de druk op de vaste werknemers almaar toe. Inhuurkrachten vullen weliswaar gaten maar kunnen lang niet alle taken uitvoeren. Ze kunnen niet optreden als persoonlijk begeleider (het vaste aanspreekpunt van een patiënt en zijn familie), op vergaderingen kunnen ze weinig toevoegen, en op sommige afdelingen krijgen invalkrachten geen toegang tot computersystemen, waardoor de administratieve taken veelal op schouders van de vaste krachten terechtkomen. Inwerken en uitleg geven moeten uiteraard ook door de vaste krachten worden gedaan. HR-directeur Roely Molendijk van Pro Persona kent alle bezwaren: ‘Het is een bekend probleem dat overuren niet meer opgenomen kunnen worden, daar is simpelweg geen tijd voor. Onze medewerkers zijn zo bevlogen, ze doen het voor de patiënten. Maar wie denkt: even een tandje bij; nog even een tandje bij – die valt gewoon om.’

Dat is te zien in de verzuimcijfers die al jaren gestaag stijgen. Was het verzuimpercentage in de ggz in 2015 nog 5,2, in het derde kwartaal van 2018 is dit gestegen tot 6,2. Dat komt overeen met de cijfers in de gehele zorgsector, maar in geen enkele zorgbranche stegen de percentages zo hard als in de afgelopen twee jaar in de ggz. ‘Zorgwekkende percentages’ noemde consultancybureau EY de verzuimcijfers over 2017 al in de Barometer Nederlandse Gezondheidszorg, net als het percentage werknemers dat zijn baan verlaat. In 2017 was dit verloop in de ggz bijna één op zeven: vijftien procent – ‘ronduit alarmerend’ volgens EY. ‘Zeker als werknemers uitstromen naar functies buiten de zorg.’ En dat is inderdaad het geval. Volgens de recentste cijfers over het eerste kwartaal van 2018 verlaat maar liefst de helft van de vertrekkers de zorgsector.

Op de High Intensive Care-afdeling in Leeuwarden is psychiater Ilse bijna klaar met haar laatste ronde. Op naar patiënt Liza van twintig. Zij deed een zelfmoordpoging en zit nu op afdeling B, een besloten afdeling waar de deuren op slot gaan, maar waar de patiënten meer vrijheden hebben en ze bijvoorbeeld een middag kunnen knutselen. Na Liza heeft Ilse nog één intake, daarna moet ze alle patiëntgegevens registreren in het systeem, om vervolgens haar kinderen van school te halen. Terwijl ze het opsomt begint ze harder te lopen.

‘Overuren kunnen niet meer opgenomen worden, daar is geen tijd voor. Onze medewerkers zijn zo bevlogen, ze doen het voor de patiënten. Maar wie denkt: even een tandje bij; nog even een tandje bij – die valt gewoon om’

Ze doet dit werk al veertien jaar: tien jaar in loondienst bij GGZ Friesland, en sinds vier jaar als zzp-psychiater bij dezelfde instelling. Vanaf vanmiddag is ze voorlopig psychiater-af. Ze gaat met haar man en kinderen emigreren naar een tropisch eiland. Tot ze kinderen kreeg hield ze het werk in vaste dienst redelijk goed vol. Toen na het eerste kind een tweeling kwam, begon de kliniek haar op te breken. Ze begon als zzp’er: ‘Ik kies er sindsdien voor de nacht- en weekenddiensten niet meer te doen. Mijn ritme raakte volledig in de war. Ik werd er chagrijnig van – en ik wil natuurlijk ook mijn kinderen zien opgroeien.’

Gaat ze haar vak missen als ze vanmiddag klaar is? Vlak voor Ilse op de deur van Liza wil kloppen, staat ze even stil: ‘Weet je, dit is eigenlijk een heel mooi beroep: je pakt niet alleen een probleem op, je krijgt te maken met een persoon. Het gaat om een heel leven. Als psychiater kun je zo’n impact maken.’ Ze kan zich ook nu nog druk maken om de verdiensten van de psychiater in loondienst: ‘Je verdient misschien een derde van wat een ziekenhuisspecialist krijgt. Als je dan 24-uursdiensten moet draaien, 45-urige werkweken hebt en weekenddiensten moet draaien, is de rekensom snel gemaakt.’

Een verdieping hoger zit psychiater Ferdi Starrenburg (39) in zijn werkkamer. Sinds 2015 werkt hij op de hic-afdeling van GGZ Friesland in Leeuwarden. Hij is in vaste dienst. De eerste periode bij GGZ Friesland stond hij er alleen voor: in totaal had hij de verantwoordelijkheid over dertig patiënten met zware psychiatrische problemen. Er moest nog een psychiater bij, maar die was niet te vinden. Het was keihard werken. Starrenburg: ‘Je beperkt je in zo’n situatie tot de meest zieke patiënten. Je leest je wat minder in. Tja, de kwaliteit gaat achteruit, daar komt het gewoon op neer.’

Sinds begin vorig jaar werkt hij samen met zzp’ers: collega Ilse is de vierde in een jaar tijd. Starrenburg: ‘Steeds komt er een nieuw iemand, ze blijven maar kort. Je hebt natuurlijk liever een vaste collega naast je.’ Als psychiater in vaste dienst kun je op zo’n specialistische afdeling veel meer bereiken, je bouwt echt wat op, vindt Starrenburg. Toch denkt hij er inmiddels zelf óók serieus over na om zzp’er te worden. ‘Het is heel verleidelijk. Ik kan met drie dagen werken in de week meer verdienen dan wat ik nu voltijd verdien.’ En als zzp’er zou hij geen nacht- en weekenddiensten meer hoeven te draaien. Starrenburg haalt zijn schouders op; het zijn de bekende argumenten. Hij hoort van steeds meer collega’s dat ze twijfelen. Plotseling is hij fanatiek: ‘Het voelt niet fair als er naast jou iemand zit die precies hetzelfde doet, maar die wel twee keer zo veel betaald krijgt.’

Ggz-instellingen zitten met hun handen in het haar: zonder psychiater – die behandeldossiers (dbc’s) kan openen en zo het geld van de zorgverzekeraars binnenhaalt – kan een afdeling wel sluiten. Dit is het afgelopen jaar gebeurd bij twee afdelingen van GGZ Centraal, maar ook andere klinieken hebben (soms tijdelijk) afdelingen moeten sluiten vanwege het tekort aan psychiaters en andere typen regiebehandelaren.

Vanwege de schaarste en hun belangrijke positie kunnen de zzp-psychiaters zo ongeveer alles eisen; welke diensten ze wel en niet draaien (bijna geen enkele zzp’er werkt ’s nachts of in het weekend), met welke doelgroepen ze willen werken, en vooral: tegen welke tarieven. Sommige zzp-psychiaters laten zelfs hun hotelovernachtingen door de instellingen betalen. Voor een provincie als Friesland is het extra lastig om psychiaters te trekken: meestal kiezen de specialisten toch liever voor de Randstad. Het duo Ilse en Ferdi is een illustratie van de problematiek: bij GGZ Friesland werkt een kwart van de psychiaters inmiddels op zzp-basis. Dat drukt zwaar op de begroting: de instelling zit dit jaar met een overschrijding van het budget voor interimpersoneel van zo’n twee miljoen euro, vertelt Ton Dhondt, lid van de raad van bestuur van GGZ Friesland en zelf ook psychiater. ‘Dit kan niet heel lang meer zo doorgaan.’ Het fenomeen ‘de zzp-psychiater’ speelt de belangrijkste rol in die overschrijding.

Als de nood hoog is, gaan ze behoorlijk ver mee in de eisen van zzp’ers, vertelt Dhondt. ‘Pas hadden we een psychiater nodig voor het weekend. Die moest uit Amsterdam komen en vroeg zijn reistijd vergoed als werktijd. Schoorvoetend – en onder de voorwaarde dat hij in de trein zou werken – ga je dan akkoord met een bedrag van 165 euro per uur.’ Maar je ziet het niet alleen bij psychiaters hoor, zegt Dhondt haast geruststellend. ‘Het gebeurt ook steeds vaker bij de psychologen en de verpleegkundigen. Het gaat eigenlijk alle kanten op.’ De oplossing? Dhondt lacht zenuwachtig: ‘Daar denken we hier al een tijd heel hard over na.’

Zes jaar geleden luidde werkgeversorganisatie GGZ Nederland nog de noodklok. Na jaren van groei moest van het eerste kabinet-Rutte 600 miljoen euro bezuinigd worden in de geestelijke gezondheidszorg. Toenmalig vvd-minister Edith Schippers van Volksgezondheid zei dat mensen alleen een beroep op de ggz moesten doen als ze ‘echt last’ hadden van hun ziekte, en dat ze het in alle andere gevallen in hun eigen omgeving moesten ‘uitvogelen’. GGZ Nederland waarschuwde dat ‘de klappen aan personeelszijde’ zouden vallen. Toenmalig voorzitter Marleen Barth voorzag duizenden ontslagen. De schattingen liepen uiteen van zeven- tot dertienduizend banen die verloren zouden gaan. De vakbonden op hun beurt waarschuwden de werkgevers. ‘“Houdt die mensen nou vast!” zeiden wij. “Door de vergrijzing is er straks weer een hoop personeel nodig, en ondertussen heb je geen nieuwe instroom gehad”’, vertelt fnv-bestuurder zorg en welzijn Cor de Beurs. ‘Een kind kon het uitrekenen hoor!’

Toch zette ook GGZ Nederland in juni 2012 een handtekening onder het ‘Bestuurlijk Akkoord Toekomst GGZ’, dat tot doel had de uitgaven aan ggz niet verder de pan uit te laten rijzen. In het akkoord werd onder meer afgesproken dat instellingen het aantal bedden zouden verminderen met een derde ten opzichte van peildatum 2008. In de jaren erna volgden de massaontslagen waarvoor gewaarschuwd was. Tussen 2013 en 2014 daalde de werkgelegenheid in fulltime banen met 3,1 procent. (Alleen al in 2013 gingen er ruim drieduizend voltijdbanen verloren.) Uit een werkgeversonderzoek van GGZ Nederland in 2014 bleek dat de helft van de instellingen bezig was met inkrimping van het personeelsbestand. In bijna een kwart van de instellingen vielen gedwongen ontslagen onder medewerkers met een vast contract.

Maar tijdens de onderhandelingen over het akkoord waren ontslagen of arbeidsmarktproblematiek ‘niet aan de orde’ geweest, vertelt Véronique Esman, sinds twee jaar directeur van werkgeversorganisatie GGZ Nederland. Ze werkte destijds als topambtenaar voor het ministerie van Volksgezondheid en zat dus aan de ándere kant van de onderhandelingstafel. Geen van de onderhandelaars maakte volgens haar een groot punt van mogelijke ontslagen: het sluiten van bedden zou geen verdwijning maar vooral een verschuiving van banen teweegbrengen, luidde de verwachting.

Precies daar zijn de ggz-instellingen de mist in gegaan. ‘Het afbouwen en opbouwen is niet in gelijke tred gegaan’, zegt Esman. ‘In eerste instantie is de meeste energie gaan zitten in de afbouw. Pas als je dat een beetje op orde hebt, kun je kijken: hoe nu verder?’ Die aanpak ging ten koste van het personeel. ‘Je kunt die mensen niet als buffer aanhouden, omdat je denkt dat je ze over een tijdje weer nodig hebt. Zo werkt dat niet.’ Tel daar de vergrijzing en economische crisis bij op, en de sector heeft in een paar jaar tijd duizenden vakmensen verloren die nu uit alle macht worden gezocht. Zoals de Anneke de Graaf, manager HR van GGZ Centraal, het verwoordde: ‘Als je nog bezig bent een deel van je personeel boventallig te verklaren, is het lastig om je tegelijkertijd te realiseren dat je je recruitment honderd procent op orde moet hebben.’

Belangrijke kanttekening: de meeste ontslagen vielen in de ondersteunende functies zoals secretaresses, HR-adviseurs en ict-mensen – niet in de zorgfuncties. Maar een belangrijk bijkomend effect was dat er ook geen nieuwe aanwas kwam in de zorgfuncties. Zo leidt het lage aantal dat jaarlijks afstudeert aan een specialistische vervolgopleiding tot bijvoorbeeld psychiater, verpleegkundig specialist ggz, gz-psycholoog of klinisch psycholoog tot grote frustraties bij de werkgevers. Deze specialistische vervolgopleidingen worden grotendeels door de overheid gefinancierd; iedere drie jaar berekent het zogenoemde Capaciteitsorgaan hoeveel plaatsen er nodig zijn. In 2015 adviseerde het orgaan gek genoeg minder mensen op te leiden dan in het advies van 2013.

‘Misschien hebben we in dat advies van 2015 inderdaad niet alles boven water gekregen’, geeft beleidsmedewerker Maurice Heck toe. Als een van de oorzaken noemt hij dat er in 2015 nauwelijks vacatures waren. ‘Dat die er bijna niet waren, wil niet zeggen dat er geen tekort was, maar instellingen durfden gewoon geen mensen aan te nemen’, zegt hij nu. Tegenwoordig kan het Capaciteitsorgaan ook de wachttijden van de instellingen meenemen in de analyse – wat dit probleem zou kunnen ondervangen.

Maar de voornaamste reden voor het huidige tekort is volgens Heck niet het lage aantal opleidingsplekken in 2015, maar de opeenvolging van stelsel-, systeem- en financieringswijzigingen in de sector. ‘Klap, na klap, na klap. Als je achter elkaar zet wat er de afgelopen tien jaar over de ggz is uitgestrooid – je schrikt je rot. En iedereen moet maar proberen zich daartoe te verhouden.’ In het pas uitgebrachte advies voor de jaren tot 2024 gaat het aantal opleidingsplekken behoorlijk omhoog. Zo adviseert het Capaciteitsorgaan nu jaarlijks 723 opleidingsplekken voor gz-psychologen, terwijl het in 2015 nog 524 plekken voorschreef.

De ochtendhectiek in psychiatrisch verpleeghuis Dorestad is voorlopig nog niet voorbij. Verzorgende Tonnie is pas halverwege haar ronde om de patiënten uit bed te halen en heeft zojuist een onaangename ontdekking gedaan: de stoma van meneer Lunsen is ‘ontploft’. Het hele bed, inclusief meneer Lunsen zelf, zit onder. Tonnie heeft een mondkapje voor, een schort aan, en boent met een washandje de poep van de arm van de man. ‘Ik zweet me kapot hier’, mompelt ze. Leerling-verpleegkundige Meredith Bernstein, ook met mondkapje, stroopt dapper zijn doorweekte pyjamabroek af. Lunsen ondergaat het alsof hij er zelf niet bij is en staart naar de televisie. Een quiz op zender Max, het geluid staat hard. Tonnie is klaar met de arm en laat hem los. Meneer Lunsen legt hem rustig naast zich neer, terug in de poep. ‘Nee!’ roepen Bernstein en Tonnie in koor.

Drie tv-programma’s later zit meneer Lunsen aangekleed en met nieuwe stoma in zijn rolstoel. Vol aandacht kamt Bernstein zijn grijze haar. ‘Zo, nu gaan wij eerst een bak koffie drinken’, zegt Tonnie zichtbaar opgelucht. Ze rijden meneer Lunsen naar de woonkamer. ‘Dan ruimen we daarna je kamer wel op.’

‘Dat er doden zijn gevallen is nooit alléén door het feit dat er te weinig mensen zijn. Daar komt dan bij dat het personeel bijvoorbeeld ook nog niet goed is ingewerkt, of te onervaren is – waardoor het signalen van agressiviteit mist’

In de teamkamer zit Tonnie net met een boterham in haar hand aan de leerlingen te vertellen dat ze zo’n stoma-ongeluk in al die jaren nooit heeft meegemaakt, als manager Debbie met de mededeling komt dat mevrouw De Leeuw wordt overgeplaatst. Ze wordt ‘geruild’ voor twee nieuwe patiënten. Vandaag. Tonnie reageert als door een wesp gestoken: ‘Dus al haar spullen moeten worden ingepakt?’ Debbie knikt. Tonnie: ‘Is ze überhaupt al gewassen?’ De leerlingen schudden hun hoofd.

De pauze van Tonnie duurde elf minuten. Ze is al weer op weg naar mevrouw De Leeuw die vandaag ineens moet verhuizen. Op de gang komt ze meneer Lunsen van de stoma tegen, die net de eetzaal weer uit rijdt. ‘Ach sorry lieverd, je kan nog niet terug naar je kamer. Hij is nog niet schoon.’ Zo vervelend, mompelt ze, maar ze moet echt door.

‘Nou, daar gaan we’, zegt Tonnie tegen zichzelf voordat ze zich op de kledingkast van mevrouw De Leeuw stort. Een grote hoeveelheid knuffels komt te voorschijn, in een plastic mandje met schoenen vindt ze een gedeelte van een kunstgebit. Tonnie propt alles in drie grote plastic boodschappentassen. Ze inspecteert de kamer. Nee, hier moet eerst grondig worden schoongemaakt voor er iemand anders in kan. ‘Twee nieuwe mensen, en wij zitten hier met de rotzooi.’

Op de gang trekt ze wild een andere deur open. De kamer lijkt eerder bedoeld als een soort opslag voor oude meubels. ‘Dit bedoel ik nou!’ roept ze uit. ‘Allemaal taken die zijn blijven liggen.’ Ze kijkt mismoedig de kamer in. ‘Let it go Tonnie, let it go.’ En tegen de leerling die voorbij loopt: ‘We gaan nu kamers opruimen! En o ja, meneer Klaassen moet ook nog uit bed. We lopen achter de feiten aan!’ Als de leerling uit het zicht is, zegt Tonnie zacht: ‘Het liefst zou ik nu wegrennen. Dit is zo erg, we kunnen zo die nieuwe bewoners toch niet ontvangen?’ Maar ze wordt al weer geroepen. ‘Tonnie, kun je even komen? We moeten iemand in de tillift doen en dat mogen wij nog niet zonder toezicht.’

Dorestad is een verblijfsvoorziening; de behandelplannen zijn niet zozeer gericht op ‘genezing’, als wel op verbetering van kwaliteit van leven. Maar juist aan die verbetering komt het personeel door onderbezetting niet toe. Naast het tekort aan verpleegkundigen is er in heel Dorestad, 135 patiënten, al drie maanden geen psychiater. De vorige is in oktober weggegaan om ergens anders te gaan werken, de twee vervangers kunnen pas in januari beginnen. Voorlopig moeten de patiënten het daarom doen met één psychiater in opleiding, Lotte, die door stressgerelateerde problemen in haar zwangerschap maar halve dagen aanwezig is. Lotte’s halve dagen worden gevuld met het blussen van brandjes, aan structurele zorg komt ze niet toe.

‘Dit is niet de manier waarop ik psychiater wil zijn’, zegt ze. Juist in de ggz is het belang van vaste gezichten, een vertrouwensband tussen personeel en patiënt zo ontzettend groot, weet Lotte. ‘Iedere week een vast moment plannen waarop een patiënt een gesprek kan hebben met zijn persoonlijk begeleider bijvoorbeeld, of de mogelijkheid dat de patiënt op korte termijn met zijn behandelaar kan afspreken, in plaats van dat vragen via de verpleging moeten worden beantwoord – dat soort veranderingen zou al zoveel rust geven. Als dat niet gebeurt, gaan patiënten er op den duur voor zorgen dat ze zelf het spreekwoordelijke brandje worden.’

Op afdeling Icarus heeft leerling-verzorgende Leonie (19) een paar dagen later avonddienst. Ze heeft haar haren in een knotje, en al na tien minuten rode wangen. Het begint meteen goed. ‘O wat is dat voor kankerzooi’, roept mevrouw Pronk wanneer Leonie met een bord aardappelen, groente en vlees met jus haar kamer binnenkomt. ‘Het eten’, zegt Leonie kalm. ‘Ik moet het niet! Ik gooi het uit het raam! Gister at ik spinazie, ik dacht dat ik doodging, de klootzakken.’

Mevrouw Pronk is de hele dag haar bed niet uit geweest. Het ging mis toen de ochtenddienst haar vertelde dat ze naar de tandarts moest. ‘Sindsdien is er geen land met haar te bezeilen’, heeft Leonie’s collega Carlos het tijdens de overdracht samengevat. Hij heeft haar extra kalmeringsmedicatie gegeven, maar dat had weinig effect. Ze wilde niet eten, ze wilde niet uit bed, en ze wilde al helemaal niet verschoond worden. Iedere keer dat een van Leonie’s collega’s van de dagdienst een toenaderingspoging deed, schreeuwde mevrouw Pronk hen de kamer uit. Nu is het zes uur ’s avonds, de dagdienst heeft de taak overgedragen: ‘Ze moet vandaag nog verschoond worden. Desnoods met z’n tweeën, onder lichte dwang.’

Leonie hoort het geschreeuw van de vrouw nog even aan, dan: ‘Kom op Lies, even eruit. Drink dan in ieder geval een beker melk.’ Om haar woorden kracht bij te zetten, trekt Leonie alvast de deken van de vrouw af. De vrouw ligt met schoenen aan in bed. ‘Ik word kwaad!’ roept de vrouw. Haar stem klinkt hard, haar ogen staan fel maar ook ondeugend. ‘I love you darling’, zegt Leonie, draait zich om, en loopt de kamer uit. ‘Ze doet soms wat lastig’, legt Leonie op de gang uit. ‘Maar als je haar even laat, komt ze soms toch zelf uit bed om te eten.’

Wie niet beter zou weten, zou denken dat er tien minuten later een gevecht op leven en dood plaatsvindt. Lage, rauwe kreten klinken door de gangen. ‘Volkomen normaal’, zegt Leonie opgewekt. ‘Dit is een goed teken. Dit doet mevrouw Pronk om te laten weten dat ze uit bed is. Waarschijnlijk betekent dit dat ze is gaan eten.’ De deur staat op een kier, Leonie gluurt naar binnen. Mevrouw Pronk zit met bestek in haar handen, aan het tafeltje achter haar bord, tegen het raam te schelden. Zonder geluid zou het tafereeltje er haast gemoedelijk uitzien. Leonie glimlacht en maakt zich uit de voeten om het diner niet te verstoren.

Vaste krachten met wie de patiënten vertrouwd zijn, een team van ervaren medewerkers die op elkaar zijn ingespeeld – het zijn niet alleen belangrijke ingrediënten om het verblijf en de behandeling voor de ggz-patiënt zo effectief mogelijk te maken, ze zijn ook noodzakelijk voor de veiligheid op de psychiatrische afdelingen. De geïnterviewde ggz-medewerkers, zzp’ers en uitzendkrachten zijn eensgezind: agressie op de werkvloer is een groot probleem en neemt toe door personeelstekort.

De talloze verhalen van geïnterviewden over incidenten worden ondersteund door het onderzoek dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (igj) voor ons deed. Hieruit blijkt dat personeelstekort heeft geleid tot overlijden van patiënten en tot zeer ernstig letsel. Instellingen zijn verplicht calamiteiten bij de Inspectie te melden, en moeten vervolgens zelf onderzoek doen naar de oorzaken. De Inspectie controleert vervolgens of dit goed is uitgevoerd. Deze onderzoeksrapporten worden niet openbaar gemaakt. Op ons verzoek voerde de Inspectie een quickscan uit. Uit 177 rapporten van de laatste anderhalf jaar nam ze een steekproef van in totaal twintig onderzoeksrapporten en beoordeelde die inhoudelijk op de relatie tussen de calamiteit en een eventueel personeelstekort. Alle calamiteiten in de steekproef vonden plaats in ggz-klinieken (dus niet in ambulante zorgsituaties) en deden zich voor in 2017 of in de eerste helft van 2018.

Bij bijna de helft van de onderzochte calamiteiten werd personeelstekort door de instellingen genoemd als de belangrijkste oorzaak, of speelde het een nadrukkelijke rol. De Inspectie hield in deze analyse niet alleen rekening met het aantal medewerkers op de werkvloer tijdens de calamiteit, maar ook met andere factoren die samenhangen met personeelstekort. Zo werd onder meer gekeken of er inhuurkrachten werkten, of nieuwe medewerkers voldoende waren ingewerkt, of er mensen aan het werk waren die taken uitvoerden die eigenlijk niet bij hun functie hoorden.

De Inspectie wil niet zeggen hoeveel van de calamiteiten waarbij personeelstekort de grondoorzaak was, hebben geleid tot overlijden. Maar dat er om die reden doden zijn gevallen, bevestigt zij. Om privacyredenen mag de Inspectie de calamiteiten niet inhoudelijk bespreken, maar hoofdinspecteur Korrie Louwes benadrukt dat bijna altijd meerdere problemen tegelijk spelen: ‘Het is nooit alléén het feit dat er te weinig mensen zijn. Daar komt dan bij dat het personeel bijvoorbeeld ook nog niet goed is ingewerkt, of te onervaren is – waardoor het signalen van agressiviteit mist.’

‘Ik maak je dood als ik je op straat zie’ of ‘Ik sla je helemaal kapot’. Vrijwel dagelijks wordt Sammie (om privacyredenen niet haar echte naam) uitgescholden en krijgt ze bedreigingen van patiënten naar haar hoofd geslingerd. Het afgelopen jaar heeft ze een fysiek incident meegemaakt, waarbij ze werd aangevallen. ‘Ik kon gelukkig wegrennen.’ Na de gebeurtenis heeft Sammie ‘even op een kantoortje gezeten om wat water te drinken’. Daarna is ze gelijk weer doorgegaan. ‘Ik moest tot elf uur werken die avond.’

Sammie en haar collega’s moesten de afgelopen drie maanden vanwege agressie bijna iedere week wel een paar keer de politie bellen. Sammie, begin twintig, begon vorig jaar als groepsbegeleider op de High Intensive Care van GGZ Centraal in Almere. Ze had ervaring in de psychiatrie, maar niet op zo’n zware afdeling. ‘Ik stond meteen als volledige medewerker op de groep. Dat was wel wennen: die mensen zijn zieker dan ik tot dan toe had gezien in de ambulante zorg. Ze zijn nog psychotischer, manischer en depressiever.’

Op de afdeling van Sammie is er een personeelstekort van zo’n twintig procent. Zeker de helft van het team is relatief onervaren en werkt er pas een paar maanden. Er werken nu maar vier mensen met een hbo-opleiding. Inwerken gebeurt wel, maar het moet snel: na drie weken stond Sammie, samen met een uitzendkracht, alleen op een afdeling. De druk is hoog. ‘Na twee maanden moest ik al iemand inwerken. Hoe kon ik nou iemand inwerken? Ik werkte er zelf pas net!’

‘Ik kies ervoor om mensen te helpen, die agressie hoort er nou eenmaal bij.’ Toch aarzelt ze: ‘Je hoopt wel dat de bezetting van het team beter wordt. Ik kan niet zeggen: dit houd ik nog vijf jaar zo vol’

Sammie staat vrijwel altijd samen met een uitzendkracht of een fysiek zorgbegeleider op een afdeling. ‘De kwaliteit is heel wisselend. Je merkt het ook aan de manier waarop uitzendkrachten rapporteren. Dan schrijven ze: “Hij is op de groep geweest, en het is goed gegaan.” Maar hé, denk ik dan: dat is niet wat we rapporteren. Heeft hij verwarde uitspraken gedaan? Hoe zat hij erbij? Dan merk je wel dat er een plankje wordt misgeslagen, want dit zijn natuurlijk juist de dingen die we moeten doorgeven aan de arts.’

Door structurele inzet van uitzendkrachten kan Sammie regelmatig niet naar het overdrachtsmoment, vertelt ze. ‘Zo’n uitzendkracht kan je niet zo lang alleen laten op de groep. Al gebeurt dit soms wel als er bijvoorbeeld nood wordt gedrukt.’ In sommige gevallen – als de vaste bezetting erg laag is – roepen ze er een uitzendkracht bij om te helpen iemand onder controle te krijgen. Sammie: ‘We schreeuwen dan naar die uitzendkracht: “Jij pakt dat been!” Eén iemand doet het hoofd, twee de armen, twee de benen en één iemand prikt.’

Sammie is uitgeput, zegt ze. Ze zit aan haar keukentafel in een rijtjeshuis in Almere. ‘De weken nadat ik was aangevallen, droomde ik veel ’s nachts, sliep onrustig, trappelde om me heen in mijn bed.’ De betreffende patiënt was ook niet de minste: ‘Ik weet dat als hij de kans had gekregen hij was doorgegaan tot ik niet meer bewoog.’ Een paar dagen geleden heeft ze ook nog een situatie meegemaakt waarbij een patiënt bijna dreigde te stikken. ‘Deze man is zwakbegaafd: hij snapte niet wat er aan de hand was en begon in het wilde weg te slaan. Mijn collega zag dat hij stikte.’ Er moest iets gebeuren, maar dat kon de collega niet alleen. ‘De man was ook best wel dik en zij had te korte armen voor de Heimlich-methode. De uitzendkracht die ernaast stond, deed niks.’ Sammie is van haar eigen afdeling weggegaan om te helpen. 112 is gebeld. ‘Een andere collega heeft de Heimlich toegepast. Zonder succes: de hartslag viel weg.’ Het liep uiteindelijk net goed af. ‘De ambulance is gekomen, zij hebben hem gereanimeerd.’

2200 bruto verdient ze per maand. Dat is niet veel, zeker niet als ze bedenkt hoe vaak ze overuren moet draaien. Waarom houdt ze er niet mee op? ‘Ik vind het mooi om mensen na zo’n grote crisis waarin niks meer lijkt te lukken toch te zien opknappen. Ik kies ervoor om mensen te helpen, die agressie hoort er nou eenmaal bij.’ Toch aarzelt ze: ‘Je hoopt wel dat de bezetting van het team beter wordt. Ik kan niet zeggen: dit houd ik nog vijf jaar zo vol.’

Ggz-instellingen maken, om de veiligheid van hun patiënten en personeel te waarborgen, steeds meer structureel gebruik van zorgbeveiligers. Vaak zijn het breedgeschouderde mannen die veel tijd in de sportschool doorbrengen. Ervaring met psychiatrisch patiënten ontbreekt regelmatig. Toch zijn de meeste ggz-medewerkers positief over deze zorgbeveiligers: ze vergroten het gevoel van veiligheid op een afdeling en ze kunnen snel ingrijpen als het misgaat.

Instellingen worstelen met de vraag welke verantwoordelijkheden de zorgbeveiliger heeft. ‘In de zomer hadden we een probleem met de bezetting. We moesten onszelf echt terugroepen. Voor je het weet heb je daar iemand staan die niet gecertificeerd is, maar die wel allemaal taken doet waar hij niet bevoegd voor is. Zo knabbel je aan je eigen functieprofiel totdat er iets hartstikke fout gaat’, vertelt Monique Menger, manager behandelzaken van de hic-afdeling in Leeuwarden van GGZ Friesland.

Bij veel instellingen wordt de zorgbeveiliger ingezet bij de separeercellen. Daar kan hij de medewerker bijstaan als hij of zij naar binnen moet om het avondeten te brengen of voor een kort gesprek. Die rol is niet makkelijk als je geen ervaring hebt met psychiatrische patiënten, vertelt beveiliger Ahmet (niet zijn echte naam). De afgelopen maanden werkte hij zes dagen – soms nachten – in de week bij een instelling in het zuiden van het land. ‘Hiervoor werkte ik als winkelbeveiliger. Soms moest ik bij iemand blijven vanwege diefstal, maar dat is wel even iets anders dan een dag doorbrengen met een psychotische patiënt die gevaarlijk is voor zichzelf of anderen.’ Hij begrijpt de huidige gang van zaken niet: ‘Ik sta urenlang bij iemand die het liefst zelfmoord wil plegen. Ik kijk naar hem, maar een gesprek valt niet te voeren, dus je zegt maar niets.’ Soms staat hij ook op de afdeling zelf. ‘Dan sta je daar gewoon en kijk je. Tot het moment dat het misgaat.’

De stress heeft toegeslagen bij psychiater Ilse in haar allerlaatste uur op de High Intensive Care in Leeuwarden. ‘Ik moet zo om twee uur mijn kinderen ophalen, nog een intake doen en mijn rapportages schrijven.’ Ze schuift achter haar computer en begint driftig te typen. Sinds drie uur vannacht is ze al wakker, want ze moest ook nog haar spullen inpakken voor de verhuizing. Na een paar minuten roept ze, turend naar het beeldscherm: ‘Ik red die intake zo niet! Ik ga vragen of Andrei het overneemt, hij zou om twee uur beginnen.’ Ze realiseert zich al gauw dat Andrei de patiënt niet kent. Ze typt weer verder. Het is inmiddels kwart voor twee.

Er wordt geklopt. Daar staat de manager Behandelzaken van de afdeling met een bos bloemen in haar handen, een bedankje voor haar werk. Geen tijd, dat komt zo, zegt Ilse wijzend naar de bloemen. Ze staat op om haar jas te pakken: ‘Ik moet nu mijn kinderen ophalen. Ik kom zo terug om dit af te maken. De kinderen kunnen wel even in mijn kamer blijven als ik de intake doe.’ De manager kijkt verbouwereerd naar de psychiater die de deur uit rent.

Geef de medewerker meer zeggenschap over zijn rooster. Creëer meer opleidingsplaatsen en mogelijkheden. Zorg voor een beter imago van de ggz en geef vaste medewerkers meer waardering voor het werk dat ze doen. Dat zijn zo’n beetje de antwoorden van de ggz-instellingen als je ze vraagt hoe ze de komende jaren personeel gaan trekken en behouden. Het tij van de oprukkende zorg-zzp’er lijkt echter niet te keren en op die ontwikkeling heeft eigenlijk niemand een goed antwoord. Jasper van de Giessen, HR-manager van ggz-instelling Altrecht, zegt voorzichtig: ‘Je zou bijna hopen dat er landelijke wet- en regelgeving op gang komt die het zeer onaantrekkelijk maakt voor mensen om zzp’er in de zorg te worden.’

In het café van Hotel Babylon vlak bij Den Haag Centraal wacht Véronique Esman, directeur van GGZ Nederland. Op een televisiescherm brandt het haardvuur, door de speakers klinkt housemuziek. Esman – ferme handdruk – zit naast een raam dat uitkijkt op een enorme bouwput. Over één ding wil ze duidelijk zijn: ‘Spreken over de ggz als een sector “met het grootste tekort” en “o, het is zo moeilijk”, dat helpt niet!’ Praten over de oorzaken van het grote personeelstekort vindt ze op dit moment niet zo belangrijk. Ze herhaalt: ‘Het is tijdens de onderhandelingen in 2012 géén hoofdthema geweest: de ggz moest veranderen, transformeren – daar ging het over.’ Ze is even stil: ‘Tja, het is makkelijk praten nu; van achteren kijk je de koe in zijn kont, hè?’

Wat moet de ggz-sector doen om de ontwikkeling van de zzp’ende zorgprofessional te stoppen? Wanneer is dat probleem groot genoeg voor de instellingen? ‘Ja, wanneer? Dat weet ik niet! Uiteindelijk gebeuren er dingen in het maatschappelijk verkeer en op een gegeven moment zegt iemand: “En nou is het klaar.” Maar dat is nu nog niet het geval.’ Ze zucht: ‘Uiteindelijk wil je gewoon dat het arbeidsklimaat zó aantrekkelijk wordt dat al die psychiaters weer in die instelling komen werken. Laten we ons vooral daar op focussen, zou ik zeggen.’

De oplossingen dus – daar wil ze het over hebben. E-Health vindt ze een belangrijke: zorg op afstand via digitale middelen. Net als het verminderen van de administratieve lasten en het verplicht stellen van nacht- en weekenddiensten voor zzp-psychiaters. Haar belangrijkste punt is dat het mogelijk moet worden anders om te gaan met het regiebehandelaarschap. De regiebehandelaar is de enige die een behandeling mag opstarten en als centraal aanspreekpunt voor het andere personeel mag dienen. Per stoornis is vastgelegd welke functie als regiebehandelaar mag optreden: de psychiater, de klinisch psycholoog, de gz-psycholoog of de verpleegkundig specialist. In de gespecialiseerde ggz mag bijvoorbeeld alleen de psychiater regiebehandelaar zijn.

‘Dat moeten we pragmatischer gaan toepassen. We zouden nog meer beroepsgroepen moeten toelaten ter ondersteuning van de regiebehandelaar.’ Gebeurt dat niet al? ‘Nog onvoldoende. Wie mag wat doen? Bepaalde taken, zoals het voorschrijven van medicatie, zouden ook gedaan kunnen worden door de verpleegkundig specialist. En ook de ervaringsdeskundigen zouden meer kunnen gaan betekenen. De psychiater vindt die ontwikkeling alleen doodeng.’ Ze is even stil: ‘We zullen er hard aan moeten trekken. We houden elkaar – met onze verschillende perspectieven – nu gevangen.’ Wie zijn de partijen die dwarsliggen? ‘Ik zou zeggen: iedereen, behalve GGZ Nederland.’

Het is acht uur ’s avonds, op afdeling Icarus is mevrouw Pronk weer in haar natte bed gaan liggen. ‘Lieve vriendin, je bent helemaal nat’, spreekt leerling-verzorgende Leonie haar plagerig toe, terwijl ze een schone pyjama uit de kast trekt. ‘Niet die! Die klote pyjama doe ik niet aan! Die is toch niet te doen!’ Geduldig houdt Leonie haar andere pyjama’s voor, maar de ene klote pyjama is nog erger dan de andere. ‘Dan doe ik hem aan’, zegt Leonie ineens. ‘Mag jij mijn shirt.’ Leonie steekt haar hoofd al door de pyjama. De vrouw peilt met een scheef lachje het gezicht van Leonie, niet helemaal zeker of ze in de maling wordt genomen. Leonie lacht. ‘Vertrouw nou maar op zuster Agatha.’

Samen schuifelen ze naar de badkamer, waar Pronk opnieuw over de klote pyjama begint. ‘Ik doe hem echt niet aan hoor!’ Rustig opent Leonie een raampje. ‘Uit het raam dan maar?’ Met grapjes, onverwachte opmerkingen en eindeloos geduld gaat er uiteindelijk een pyjama aan, onder zwak gesputter. ‘Je bent lastig hoor darling’, zegt Leonie. ‘Jazeker’, zegt de vrouw trots. ‘Ik ben zo stout als een deur, altijd al geweest’, waarna ze een lang verhaal begint over hoe ze vroeger van school werd gestuurd, terwijl Leonie haar benen wast. Het wordt zowaar gezellig.

Om wille van privacy zijn de namen van de patiënten gefingeerd. Ook de namen van de uitzendkrachten Sammie en Ahmet zijn om die reden gefingeerd. Met het management van Dorestad werd afgesproken dat medewerkers alleen bij hun voornaam genoemd worden. Ook van psychiater Ilse van GGZ Friesland is op haar verzoek haar achternaam weggelaten. De namen en contactgegevens van de medewerkers zijn bij de redactie bekend

Verantwoording

Voor dit onderzoek spraken we uitgebreid met ruim 75 betrokkenen. We interviewden medewerkers in vaste dienst bij ggz-klinieken door het hele land, evenals zzp’ers en uitzendkrachten. We spraken uitgebreid met verpleegkundigen, groepsbegeleiders, zorgbeveiligers, verpleegkundig specialisten, psychologen, ervaringsdeskundigen, psychiaters, (ex-)patiënten en hun familieleden. Ook spraken we met vakbonden en zorgverzekeraars. We deden een rondgang langs de HR-functionarissen van tien grote ggz-instellingen: Pro Persona, Arkin, GGZ Eindhoven, Dimence Groep, Parnassia Groep, GGZ Centraal, GGZ Friesland, Lentis, Altrecht, en GGZ Noord-Holland-Noord.

Bij acht instellingen legden we het verzoek neer om een aantal dagen te mogen meelopen om te zien hoe het er in de praktijk aan toe gaat. De meeste instellingen durfden dit niet aan. We liepen in totaal een week mee bij de HIC van GGZ Friesland en bij psychiatrisch verpleeghuis Dorestad van Parnassia Groep. Deze afdelingen zijn niet gekozen omdat we vermoedden dat het personeelstekort hier het meest nijpend zou zijn, maar louter omdat de medewerkers bereid waren ons hier toe te laten.

Research werkbeurs Fonds 1877

Deze publicatie komt voort uit een werkbeurs die Fonds 1877 beschikbaar heeft gesteld om tot een half jaar journalistiek onderzoek te kunnen doen. Fonds 1877 is begin 2016 opgezet met geld van de Hartwig Foundation en donaties van lezers van De Groene Amsterdammer. Sindsdien financierde het fonds al meer dan tachtig journalistieke projecten met bijbehorende publicaties in De Groene en bij dagbladen en op radio en televisie.