Dertig jaar na de val van de Muur

‘Elke Oost-Duitser heeft Hitler en Stalin nog in de botten’

Waar komen alle woede en verongelijktheid in Oost-Duitsland vandaan, dertig jaar na de val van de Muur? Volgens filosoof en auteur Ines Geipel liggen de oorzaken vóór 1989, bij twee onverwerkte dictaturen. Niet iedereen deelt haar visie.

Jeugdband in Oost-Berlijn, 1974 © Thomas Hoepker / Magnumphotos / HH

Er was eens een land dat luisterde naar de naam Duitse Democratische Republiek. Die naam was sprookjesachtig, voor een dictatuur. De inwoners hebben hun ddr in 1989 opengebroken en in het jaar erop weggestemd. Ze geloofden toen in een nieuw sprookje. Dat is niet helemaal uitgekomen, zoals dat met sprookjes gaat. Al na tien jaar wenste menig Oost-Duitser de Muur terug – tegen de West-Duitsers. Maar er was nog weinig verlangen te bespeuren naar hun afgeschafte staat. Die werd hooguit in onschuldige, ironisch getinte ‘ostalgie’ verpakt. Inmiddels wil minstens een kwart van de voormalige ddr-bewoners en hun nazaten een Muur om de héle Bondsrepubliek.

In het oosten, ‘de nieuwe deelstaten’ van de Bondsrepubliek, wordt naar verhouding drie- tot viermaal meer rechts-extreem geweld gepleegd als in Duitslands westen. De standaardverklaring hiervoor is de achterstelling en vernedering van de Oost-Duitsers ná 1989. Maar van een féitelijke sociaal-economische achterstelling is amper sprake meer, blijkt uit recent onderzoek. De koopkracht is in verhouding tot de regionale prijzen niet lager dan in het westen en de pensioenen zijn gemiddeld zelfs hoger. Verder is de werkloosheid op het laagste niveau sinds de opheffing van de ddr. Bij de vermogens(groei) loopt het oosten nog achter. Maar hiervan liggen de oorzaken ook in het staatssocialisme.

De Friedrich-Ebert-Stiftung concludeerde eerder dit jaar uit eigen onderzoek dat iemands economische situatie een ondergeschikte rol speelt bij de keuze voor de rechts-populistische partij Alternative für Deutschland (AfD). Hij komt inderdaad uit alle sociale lagen, de AfD-stemmer die zijn partij op 1 september aan een kwart van de stemmen in het Oost-Duitse Brandenburg hielp, en in Saksen nog meer. Het overgrote deel van de AfD-aanhang heeft een baan en een behoorlijke opleiding. Een ruime meerderheid gaat het naar eigen zeggen goed.

Gevóelde vernedering, ontevredenheid, wantrouwen: dat is een andere dimensie. In het titelverhaal van weekblad Der Spiegel ‘So isser, der Ossi’, dat daags voor die deelstaatverkiezingen in Saksen en Brandenburg uitkwam, passeert die vermeende achterstelling van de Oost-Duitsers in tal van gedaanten de revue: het gevoel dat de staat niks voor je doet, dat je amper kansen hebt, je mening niet mag zeggen, dat je bang bent voor sociale neergang en eenzaamheid, en voor elke verdere verandering in het leven… Het is allemaal al vaker verteld.

Wat in het Spiegel-verhaal ontbreekt is een zoektocht naar de diepere oorzaken van dit gevoelde slachtofferschap. De analyse blijft hangen in het tijdperk van de markteconomie van na 1989. Waar komen die verongelijktheid en dat geweld toch vandaan? De filosoof, literatuurwetenschapper en verminkte ddr-topsporter Ines Geipel (Dresden, 1960) geeft in haar non-fictieboek Umkämpfte Zone: Mein Bruder, der Osten und der Hass, dat dit voorjaar verscheen, een genadeloze analyse van de psyche in Duitslands oosten. Ze reikt hiervoor ook een interessante verklaring aan. Met haar boek haalde ze de Spiegel-bestsellerlijst.

‘Merkels vluchtelingenzomer zegde in de ogen van veel Oost-Duitsers het principe verzorgingsstaat op’, schrijft ze, ‘ten gunste van de aangekomen vluchtelingen. “Integreert u óns eerst maar eens!” werd de slogan. Een keerpunt dat niet alleen angstpopulisten van alle kleuren samensmeedt, maar ook de volledige bandbreedte van Duitse gevoelens opriep. Angst als politieke realiteit, als iets wat zich had opgehoopt en nu in staat was Stasi-mensen en slachtoffers van het sed-regime te verenigen. Pijn verenigt niet. Wat verenigt, is het rauwe ressentiment.’

Geipel wijst hier, om te beginnen, op een boeiend fenomeen dat tot nog toe weinig aandacht heeft gekregen: de broederlijke hereniging van daders en slachtoffers uit de ddr. Bijna niemand wil de dictatuur terug, maar met weemoed wordt de vermeende heile Welt van vóór eind 1989 herbeleefd. Ik heb het zelf vaak genoeg meegemaakt. Zo zat ik eens aan de bar tussen een oud-ddr-functionaris en een wat treurige muzikant die vertelde hoeveel ellende die andere man hem ooit had bezorgd. Ze kibbelden, maar bleven elkaar opzoeken.

Als bezoeker van een Oost-Berlijnse journalisten-Stammtisch, een wekelijkse borrelbijeenkomst, zag ik de ideologische tegenstellingen tussen de aanwezigen in twintig jaar tijd versmelten. Men had een gezamenlijke nieuwe vijand gevonden: er werd met toenemend dedain over ‘het westen’ gesproken. De paar West-Duitse collega’s die rond 2000, tegelijk met mij, waren aangeschoven, zijn allang weer opgestapt. Deze Stammtisch-leden, nu allen 65-plus en met uitstekende pensioenen, waren trouw of balorig ddr-staatsdienaar geweest (echte elite kon zich enige dwarsheid permitteren), meeloper of een beetje dissident, en meestal van alles wat. Hoe kon je er anders als journalist functioneren? Na de Wende maakten ze nog een keer carrière.

Twintig jaar geleden was er soms wat ongemak aan de Stammtisch: de Stasi-activiteiten bij de media werden langzaamaan onthuld. Tien jaar later werd een van hen ontslagen bij de krant. Een paar anderen hadden eveneens gedoe met de staatsveiligheid gehad, maar dat was evident minder schadelijk geweest. Weer tien jaar later, dertig jaar na de val van de Muur, is de Stammtisch Oost-Duitser dan ooit. Er heerst een saamhorigheid die men als ddr-gevoel bestempelt, terwijl men toen soms tegenover elkaar had gestaan. Zonder enige wroeging en met veel pret worden anekdotes opgehoest over het werk voor de gelijkgeschakelde ddr-media. Met de Stasi belaste collega’s zijn allen nu extra solidair. Het thema mag op tafel en wordt weggelachen.

Iets van dit ‘Ossi-sentiment’ werd onlangs in De Groene Amsterdammer invoelbaar gemaakt door de Oost-Duitse journalist Anja Maier. Zij verlangt soms terug naar de ddr, schrijft ze in ‘Fantoompijn in het Oosten’, waar ze ‘een ander leven’ had. En ze klaagt over gebrek aan respect: ‘Eén ding is duidelijk: het feit dat je uit Oost-Duitsland komt, is in Duitsland nog steeds een biografische tekortkoming.’

Bij topfuncties delven Oost-Duitsers inderdaad nog het onderspit, maar je kunt met hun biografie toch mooi bondspresident worden (Joachim Gauck) en zelfs bondskanselier. Maar Angela Merkel zou haar ddr-achtergrond verloochenen, schrijft Maier. Merkel profileert zich, zeker dit jaar, juist opvallend als Oost-Duitse. Maier bedoelt blijkbaar dat de bondskanselier de Oost-Duitsers als ‘haar eigen volk’ meer had moeten bevoordelen. ‘Merkel heeft zich ontwikkeld tot haatfiguur.’

Voor Ines Geipel is deze haat – zie haar boektitel – in combinatie met een ‘imaginair retro-ddr-sprookje’ een gruwel, vertelt ze in haar Wést-Berlijnse woonwijk. ‘Wij beleefden eind 1989 het wonder van de geschiedenis. Je moet dat natuurlijk van de daken blijven schreeuwen. Maar wat roepen wij nu in meerderheid? Dat we tweederangsburgers zijn. Hoe vaak hoor ik wel niet tijdens mijn lezingen: “9 november 1989 was de ergste dag van mijn leven.” Tja, onze geluksrevolutie is gekaapt.’

Door de AfD? De Oost-Berlijnse Stammtisch-journalisten en Anja Maier stemmen heus niet op die partij, eerder op de Linkspartei of sociaal-democratisch. Maar ook zij zijn gevoelig voor de (res)sentimenten die vooral door de AfD en de Linkspartei (of Die Linke, de Duitse SP) worden gevoed. Bondskanselier Merkel weigert pertinent in zulke Oost-Duitse stemmingmakerij mee te gaan, al kost dat haar cdu veel stemmen.

Appartementencomplex in Halle-Neustadt, gebouwd begin jaren tachtig voor werknemers van een chemische fabriek in de voormalige DDR, 2015 © Alexander Koerner / Getty Images

‘De AfD beroept zich op het nationale en op het volkse, socialistische’, zegt Geipel. ‘Dit klinkt de ddr-burger vertrouwd in de oren.’ De kern van het AfD-kiezersbestand wordt gevormd door de Generation Mauer, haar eigen generatie die in de jaren zestig is geboren. Ze schreef in 2014 een boek met deze titel, maar vond het verhaal achteraf, na Merkels vluchtelingenzomer, te positief. ‘Hoe kan bijna een derde van hen die zich altijd als antifascisten definieerden, mensen in de Middellandse Zee willen laten verdrinken? Mijn oude vriendenkring, die de jaren onder de dictatuur had overleefd, is door het pro en contra over de vluchtelingen doormidden gebroken.’

De echte oorzaak van de huidige woedeuitbarstingen en verongelijktheid ligt volgens Geipel niet ná 1989, maar ervóór: in twee onverwerkte dictaturen, 1933-1989, die in de ddr werden ineengeschoven tot één dictatuur. ‘Elke Oost-Duitser van nu heeft Hitler en Stalin nog in de botten. De ddr is nog lang geen verleden tijd. In Duitslands oosten heeft men de nazi in zichzelf nooit opgeruimd.’

Geipel spreekt van een ‘overerfde xenofobie’ via drie generaties. ‘Antisemitisch en ander rechts geweld van jongeren in de ddr, met name van skinheads, werd door hun Stasi-vaders ongemoeid gelaten en doodgezwegen.’ Ook in de generatie na Geipel, de zogenaamde Dritte Generation Ost, die tussen 1975 en 1985 is geboren, zit deze erfenis volgens haar nog diep. De racistisch gemotiveerde nsu-moorden uit het eerste decennium van deze eeuw zijn hiervan het extreemste voorbeeld.

‘Een geloofwaardige verwerking van de misdaden in de ddr heeft niet plaatsgevonden’, schrijft ze in haar laatste boek. ‘Ieder kon ervan denken wat hij wilde. Slachtoffers? Nooit gezien. Daders? Geen idee. (…) De historische waarheid druppelt parelsgewijs van de herinnerde ddr af als vet van een teflonbaklaag.’

Umkämpfte Zone (‘umkämpft’_ is letterlijk en figuurlijk te duiden) kreeg een uitermate positieve pers, ook in de voormalige ddr. De Sächsische Zeitung schreef: ‘(Geipel) ontzwijgt in dit boek het verleden van de in de ddr opgegroeide generatie, van wie een deel tot vandaag tijdbommen in de ziel meesleept, die nu beetje bij beetje dreigen te exploderen.’

Ines Geipel, die verskunst aan Berlijns belangrijkste theateropleiding doceert en haar zoektocht naar het wezen van de Oost-Duitser beeldend verwoordt, heeft de Duitse taal met het woord ‘entschweigen’ verrijkt. In diverse media is ze ‘die Entschweigerin’ genoemd, de ont-zwijgster. De Oost-Duitse samenleving van na 1989 is, aldus Geipel, namelijk nog steeds een Schweigeordnung.

Weliswaar is er genoeg wetenschappelijk onderzoek naar de ddr gedaan en zijn er karrenvrachten belastend materiaal openbaar, maar deze feiten zijn bij de bevolking amper aangekomen. Die vindt eerder dat het westen moet stoppen met al dat gezeik over de Stasi, in verband met hen. Geipel wordt door een deel van haar voormalige landgenoten als verraadster gezien.

In Umkämpfte Zone schrijft ze: ‘Dan worden de woorden binnengehouden om zich te beschermen, wordt er voorgewend om zich onschadelijk te maken, kapotgezwegen om niet te hoeven voelen. Wat zou daaraan na 1989 veranderd kunnen zijn? Hoe? Waardoor?’ Het verzwijgen, verdringen, vervalsen van elke schuld, kenmerkend voor totalitaire regimes, maakt Geipel in Umkämpfte Zone invoelbaar aan de hand van mensen en gebeurtenissen uit haar leven. Ze plaatst deze binnen de ‘geweldsstructuren’ van de ddr, net als zichzelf. Daarbij heeft ze haar pijngrenzen opgezocht, vooral wanneer het gaat om de geweldssystemen familie en sport. De voormalige ddr-tophardloopster rende in de zomer van 1989 door de Hongaars-Oostenrijkse grens. In de maand dat zij vluchtte, zijn in dat stukje grensgebied nog twintig mensen neergeknald. Haar wereldrecord op de estafette liet ze later uit de boeken verwijderen.

Ines Geipel was het kind van fanatieke communisten en het kleinkind van fanatieke nazi’s. ‘Ook binnen de families is men Hitler nooit kwijtgeraakt, anders dan in West-Duitsland’, zegt ze. ‘Mijn moeder verhuisde als zevenjarige in 1943 met het gezin naar Riga: midden in het slachthuis. Ze heeft gezien hoe joden op straat werden doodgeslagen. Eénmaal heeft ze daarover terloops iets gezegd. Ze vertelde dat ze met haar vader in de auto naar het getto reed, waar hij werkte. Ze zei me vrolijk dat ze bij die gelegenheid chic in de kleren was gestoken, genaaid door joodse kleermakers. En onderweg, zei ze, had ze heel veel rode sneeuw gezien. Ik vroeg wat dat was. “Daar lagen neergeknuppelde joden.” Toen ik later expres nog eens vroeg hoe ze haar vader zag, had ze alles uitgewist. Ze kreeg een zweetuitbarsting en riep: “Laat me deze vader, het enige wat ik heb in het leven!”’

Veelzeggend is dat Geipels moeder meer dan eens had benadrukt dat de tijd in Riga haar gelukkigste jaren waren. ‘Verder zat moeder potdicht van de angst. Ze had ook nog het inferno van Dresden meegemaakt en de vlucht over de Oostzee. Deze meisjes met hun afschuwelijke ervaringen werden in de ddr moeders. Ze waren verlamd, verstard.’ Met alle gevolgen voor de volgende generatie, Geipels Generation Mauer. ‘Een leeftijdgenoot staat tijdens een lezing van me op, en zegt: “Ik weet niet waarom ik mijn hele leven alleen maar bang ben geweest, zo onwaarschijnlijk bang.” Die angst werd doorgegeven. Men kon de kinderen enkel als een verlengstuk van zichzelf zien.’

‘Antisemitisch en ander rechts geweld van jongeren in de DDR, met name van skinheads, werd door hun Stasi-vaders ongemoeid gelaten en doodgezwegen’

Het gaat hier niet om gewoon zwijgende moeders, nuanceert ze, maar om verbéten zwijgende, dus emotioneel afwezige moeders. ‘Door systematisch weg te kijken werden onze moeders mededaders. Dat is een vorm van geweld dat een kind de adem neemt. Het had ook fout met me kunnen aflopen. Want wat doet een kind om te overleven? Naar de moeder trekken. Maar die gaf geen sjoege.’

Geipel en haar broer waren onderworpen aan het geweld van hun vader, ook fysiek geweld, misbruik. Hij was een Stasi-agent die diverse identiteiten aannam, waarmee hij ook in het westen onheil aanrichtte. ‘Vader heeft minstens acht zeer ongeremde levens door elkaar geleid.’ Geipels broer uit de boektitel koos voor een teruggetrokken bestaan en verdrong het ‘geweldssysteem familie’. Maar op zijn sterfbed moest zij hem beloven dit boek te schrijven.

Toegegeven, zegt ze, haar ervaringen zijn een beetje extreem. ‘Maar in grote lijnen zijn deze familiegeschiedenissen exemplarisch voor een leven onder dictatuur. De druk, de leugens, de schijnlevens, de onderwerpingsmodellen: het betrof allen. Dictaturen leren je dat het gevaarlijk is om vragen te stellen.’

Vragen stellen aan de ouders: dat is juist wat de zogeheten Dritte Generation Ost (dgo), de generatie na Geipel, wil. Deze naam is in 2010 bedacht door een auteursnetwerk. Maar de dgo romantiseert, aldus Geipel, de wereld van hun ouders en grootouders. ‘Onverdraaglijk. De Dritte Generation Ost heeft veel publiciteit gegenereerd. Dat een kritiekloze houding tegenover de ddr nu mainstream is, is mede aan deze auteurs te danken. Ze luisteren naar de mythen die ze thuis opgedist krijgen. Zo’n Sabine Rennefanz die “weet” dat veel in de ddr in orde was… Ze kennen de pijn niet, ze waren nog snotneuzen.’

Wel kennen ze de ‘fantoompijn’. Dit woord uit de kop van Anja Maiers Groene-bijdrage is een typisch dgo-begrip. Er was hun, zo is bij menig dgo-auteur te lezen, een staat afgenomen die bij voortbestaan wellicht nog echt socialistisch had kunnen worden. Hun ouders waren treurig en reddeloos. Zij, de kinderen, hebben meegetreurd en tegelijk de vrijheid geproefd, zij het niet per se genoten.

Een klapper was in 2012 het boek van genoemde Sabine Rennefanz, met de veelzeggende titel Eisenkinder: Die stille Wut der Wendegeneration. Het gaat over het leven van haarzelf en andere jongeren na 1989; ‘ijzerkinderen’ verwijst naar de socialistische modelstad Eisenhüttenstadt, voorheen Stalinstadt. Deze derde en laatste ddr-generatie heeft flink wat ontspoorden en (tijdelijk) geradicaliseerden voortgebracht, zoals de nsu-moordenaars. Rennefanz zelf had zich een tijd in een sekteachtig kerkgenootschap opgesloten, maar kon zich heroriënteren en is nu een veelgevraagd publicist.

De (zelf)reflectie van Sabine Rennefanz is kritischer dan Ines Geipel doet vermoeden. Zij beschrijft de existentiële angsten en het gebrek aan houvast, omdat opeens ‘alles mocht’ en de ouders de weg kwijt waren. Maar inderdaad, de Sehnsucht naar haar stabiele oude Heimat sijpelt door. En dat terwijl het geweldssysteem juist in hun jeugd, de jaren tachtig, zijn hoogtepunt beleefde, legt Geipel uit. ‘Vorige week heb ik in archieven nog zitten nalezen hoezeer het militaire apparaat toen heeft geëxperimenteerd op de bevolking. Hoevelen werden er geen proefkonijn in wetenschappelijk onderzoek: vrouwen om hun foetussen, kinderen om hun lichamelijke ontwikkeling, soldaten, gevangenen, noem maar op. Ik stuitte op een onderzoeksgroep van zesduizend meisjes, geboren eind jaren zeventig, op wie penicilline was uitgetest. Ze werden ziek, sommigen stierven.’

Geipels bevindingen leg ik in Amsterdam voor aan Christine Steinhäuser (1976), publicist en journalistiek-docent te Utrecht. Zij bracht een derde van haar leven in de ddr door en twee derde in de Bondsrepubliek en Nederland. Bovendien schreef ze een bijdrage voor het veelbesproken boek Dritte Generation Ost: Wer wir sind, was wir wollen uit 2012. Steinhäuser vindt Umkämpfte Zone een belangrijk boek, zegt ze. ‘De dubbele dictatuur als verklaring voor de hedendaagse gevoelstoestand van de Oost-Duitser: dat is een nieuw perspectief voor me.’

Maar Geipels kritiek op haar generatie vindt Steinhäuser ongenuanceerd. ‘De meesten van ons verlangen echt niet naar de ddr terug. En mijn oude vrienden in Chemnitz en Dresden zijn verontwaardigd over de AfD, terwijl zij toch dezelfde socialisatie hebben als die rechts-radicalen. Hun families leefden in diezelfde twee dictaturen. Ook daar werd veel verzwegen.’ De dgo heeft opgeroepen om met de oudergeneratie te gaan praten, voegt ze toe. ‘Wij schreven kritisch over dat zwijgen. Maar het is lastig daardoorheen te breken. De meesten van ons zijn geen professionele interviewers, en dan nog bij je eigen ouders… Het lukte Ines Geipel zelf toch ook niet?’

Christine Steinhäuser werpt een interessante vraag op. ‘Hoe kun je überhaupt een dictatuur verwerken? Wat moet je daarvoor doen, in de praktijk? En hoe over dat leven te oordelen? In de ddr kon elk teken van verzet je je studieplaats of veel meer kosten.’ Maar sommige van haar generatiegenoten zijn nu doorgeslagen. ‘Daar wordt de hypothese van de dubbele, onverwerkte dictatuur afgedaan als een typisch West-Duits perspectief.’

Ines Geipel © Gregor Fischer / ANP

Ines Geipel heeft na de Wende in haar functie van hulpverlener toch nog veel vrouwen aan de praat gekregen. En ze wil een mythe ontlarven. ‘In het huidige narratief heten de ddr-vrouwen supergeëmancipeerd. Inderdaad, ze werkten. Maar emancipatie heeft ook met je identiteit te maken, met zelfontplooiing. Daartoe bestond amper een kans. De vrouwen vormden de grote stabilisators van de dictatuur – al zijn er natuurlijk voldoende uitzonderingen.’

En daarbij, vervolgt ze, wat betekent een mens, een lichaam, nou in een dictatuur? ‘Ziekte was taboe. Zieken hadden geen nut voor de staat.’ Zij was na de Wende jarenlang de voorzitter van een hulpinstantie voor ddr-dopingslachtoffers en getuigde in strafprocessen tegen sportbestuurders en -artsen. Over het ‘geweldssysteem sport’ in de ddr schreef ze een boek. Het leverde haar bedreigingen en tegenwerking uit die kringen op, en natuurlijk ook veel zwijgen van ‘gedoopte’ collega’s.

Zijzelf bedreef topsport van 1977 tot 1985. ‘Ik rende om mezelf en mijn ouders kwijt te raken.’ Ze zat onder de steroïden onder het mom van vitaminepreparaten. ‘In 1985 vloog ik eruit.’ Tijdens een trainingskamp in Mexico, ter voorbereiding van de Olympische Spelen, was ze verliefd geworden op een Mexicaan. Ze werd prompt teruggevlogen, men zocht thuis vergeefs een Mexicaan-achtige vervangende man, en ze moest zogenaamd een blindedarmoperatie ondergaan. In werkelijkheid zou die haar ongeschikt maken voor de topsport. ‘Toen ik in 2004 opnieuw een operatie aan mijn buik kreeg, vertelde de arts me dat ze destijds expres spieren hebben doorgesneden en dat alles daar met elkaar was vergroeid.’ Kinderen kon ze niet meer krijgen, door de testosteron en/of de operatie.

‘Topsport was in de ddr de heilige graal. Daarmee kon je de wereld veroveren’, vertelt ze. ‘Ik heb inmiddels de levensgeschiedenissen van vele honderden kinderen uit het ddr-sportsysteem verzameld. De armen van acht- tot tienjarigen werden vastgebonden als ze bang waren om van tien meter hoogte in het zwembad te springen. Zo werden ze het water ingegooid, om ze op het laatste moment op te duiken. Of kinderen die door de trainer met het hoofd tegen de muur werden geknald, omdat ze iets niet konden. Moeten we dan verbaasd zijn dat er zo veel angststoornissen zijn ontwikkeld? “Zelf heb ik geen geweld ervaren”, hoor ik vaak. Bij doorvragen blijkt zo iemand dan in de sauna door de trainer te zijn verkracht. Ik geloof dat het oosten amper meer besef van geweld heeft. Daar is men te getraumatiseerd voor.’

Geweld heette bovendien een verschijnsel van het verdorven kapitalisme. Men woonde zelf in het ‘goede’ Duitsland. In die ‘geweldloze’ ddr waren, op een paar vroege showprocessen na, de nazi’s als sneeuw voor de zon verdwenen. Een spreuk die in de ddr populair was, luidde echter: ‘De vrede moet bewapend zijn’.

Falko Hennig is in 1969 geboren in Berlijn, hoofdstad van de ddr. Hij is oprichter en columnist van een bekende Oost-Berlijnse Lesebühne, een wekelijks voorleespodium. Zijn autobiografische roman Rikscha Blues van dit jaar kreeg goede kritieken. Hennig struint in boeken en leven quasi-argeloos door Berlijn, ook als stadsgids per riksja. Hij heeft veel oog voor exotische details onderweg. Het zit hem nog steeds niet lekker dat hij in 2002 in het weekblad Die Zeit ervan werd beschuldigd de ddr goed te praten.

De kritiek dat hij het staatssocialisme ‘in het potsierlijke’ zou trekken bleef aan hem kleven. Het betrof zijn schelmenroman Trabanten. Opvallend is dat hij er ook in de ‘ddr-goedpratende’ (Geipel) verzamelbundel Dritte Generation Ost van langs krijgt: ‘In deze kinderwereld bestaat er geen onrechtsstaat.’ In de linkse tageszeitung werd Hennig juist weer verdedigd: niks geen ‘geschiedsrevisionisme’, maar ‘het wezen van de ddr in terloopse bijzaken’ blootgelegd.

‘Het was me nogal een verwijt in Die Zeit, dat ik de ddr-werkelijkheid zou bagatelliseren’, zegt Hennig desgevraagd. ‘Mijn boek werd afgebrand. Als stadsgids zou ik het verleden nooit mooier maken. Maar ik heb mezelf de vraag gesteld of het wel de taak van een roman is om het bagatelliseren van een verschijnsel te verhinderen. En Trabanten verheerlijkt Trabanten, niet de ddr. Misschien moet ik het boek nog eens doornemen om te kijken of er wat in die kritiek zat.’

Duitsers vermelden zelfs bij een documentaire over de aardbeienpluk in de jaren dertig minstens driemaal expliciet hoe erg het Derde Rijk was. Hennig schrijft in Trabanten niet letterlijk hoe erg de ddr was, maar wel hoe de ‘vermilitarisering’ van het dagelijkse leven om zich heen greep, met parades op school en les in het doden. En hoe ‘deprimerend’ het land in de jaren tachtig was: ‘Iedereen zoop en at alleen nog Bockwurst.’

Hennig is net als Geipel in de zomer van 1989 over de Grüne Grenze bij Sopron gevlucht, toen daar nog met scherp werd geschoten. Wel waren zijn motieven volslagen anders dan de hare. ‘Tja, waarom deed ik dat… Zucht naar avontuur? Ik was socialist, antikapitalist – ben ik nog. Alleen was het ddr-socialisme gruwelijk. Het enorme wantrouwen tussen de mensen, die totale onverschilligheid en kilheid tegenover elkaar, behalve dan binnen de families, althans sommige. Tja, en nu speelt men de saamhorige Oost-Duitsers. Ik dacht toen dat de Muur er voor eeuwig stond. Slapstick was een middel om daarmee om te gaan. Net als radicalisering. Ik had in mijn vlegeljaren een rechts-radicale fase. Punk of neonazi, dat maakte toen niet zoveel uit. De punks droegen ook nazisymbolen en allemaal maakten we foute grappen, liefst ook racistische.’

Falko Hennig betwijfelt of hij echt geloofde in wat hij toen allemaal riep. ‘Hoewel… mijn moeder komt uit Silezië en zag haar oude Poolse vriendinnen nog elk jaar. Net zo goed sprak ze denigrerend van een “Polakkenhuishouden” als ze chaos beschreef. Of van “een joodse school”, of “als bij de Hottentotten”. Dus ja, hier heeft Ines Geipel met wat ze zegt over de overerfde vijandigheid tegenover al het vreemde absoluut een punt.’

Ook met Geipels analyse van de geweldscultuur in de ddr is Hennig het eens. ‘Slaan was normaal, bevelen waren normaal, zeker ook in de sport. Ik was toen wel bang, weet ik nog, daarvoor ooit murw te worden, mee te gaan doen.’ Maar, nuanceert hij, er waren ook andere, positieve ervaringen. ‘In de amateursport bijvoorbeeld. Diepe vriendschappen met Poolse en Tsjechische sporters, maar ook met Denen en Zweden die bij ons kwamen logeren.’

Hoe is het Ines Geipel eigenlijk gelukt er zo goed uit te komen? Wat maakte dat zij niet bleef zwijgen? ‘Ik had een enorme drang om mijzelf helderheid te verschaffen over wie ik was’, zegt ze. ‘Dat was mijn redding.’ Haar bevrijding uit de trauma’s begon bij haar vlucht. ‘Mensen vragen me of die, achteraf gezien, niet een beetje lullig was, zo kort voor de val van de Muur. Maar het was het belangrijkste wat ik ooit heb gedaan: mijn leven in eigen hand nemen. Niet te blijven hangen in die volledige onveranderbaarheid die in het ddr-systeem school. Men stond zichzelf niet toe om dingen anders te doen dan dertig of vijftig jaar eerder, terwijl de hele wereld om de staat heen zich voortdurend veranderde.


Umkämpfte Zone: Mein Bruder, der Osten und der Hass van Ines Geipel is eerder dit jaar verschenen bij Klett-Cotta. De citaten zijn vertaald door Annemieke Hendriks