Amerikaans conservatisme is dood

Elke zeloot kan kandidaat zijn

De Republikeinse voorverkiezingen worden omschreven als een wedstrijd ‘wie is het conservatiefst?’ Maar ideeën als het afschaffen van ministeries en het afbreken van de welvaartsstaat zijn eerder radicaal. Waar gaat het heen met het Amerikaanse conservatisme?

SINDS SOUTH CAROLINA in 1980 voor het eerst Republikeinse voorverkiezingen hield, heeft deze zuidelijke staat steeds de kandidaat gekozen die uiteindelijk ook de Republikeinse presidentsnominatie won. Volgens die wetmatigheid wordt Newt Gingrich, voormalig voorzitter van het Huis van Afgevaardigden, straks de Republikein die het op dinsdag 6 november tegen president Obama opneemt.
Hoe representatief het huidige South Carolina voor de rest van het land is, moet natuurlijk nog blijken. De staat heeft sinds de opkomst van Barack Obama als nationale politicus in ieder geval een sterke ruk naar rechts gemaakt. In 2000 noemde 24 procent van het electoraat in South Carolina zich ‘zeer conservatief’. In 2008, het jaar dat Obama de presidentsverkiezingen won, groeide dat getal naar 34. Nu is het 37. Van de kiezers die afgelopen zaterdag stemden, zei tweederde dat ze de Tea Party steunen. Een vergelijkbaar aantal kiezers gaf aan dat snijden in de federale begroting belangrijker is dan het bevorderen van de werkgelegenheid - terwijl dertien miljoen Amerikanen werkloos zijn, willen deze kiezers dat de overheid daar helemaal niets aan doet.
Dat juist deze staat voor Gingrich koos, is op z'n minst contra-intuïtief te noemen. Gingrich propageert een gematigde immigratiewet, heeft zich in het verleden hard gemaakt voor het verplicht stellen van een ziektekostenverzekering (een essentieel onderdeel van Obama’s zorgwet waar conservatieven zo'n hekel aan hebben) en hij is, bovenal, al sinds de jaren tachtig onderdeel van het politieke establishment in Washington. En dan hebben we het nog niet over zijn drie huwelijken gehad of het feit dat hij als Huis-voorzitter een boete van driehonderdduizend dollar kreeg vanwege 'ethisch wangedrag’. Dit is niet de gedroomde Tea Party-kandidaat, zou je zeggen.
Toch won Gingrich de voorverkiezing met een marge van 12,5 procent ten opzichte van de nummer twee, Mitt Romney, de oud-gouverneur van Massachusetts (en private equity-multimiljonair) van wie vooraf werd aangenomen dat hij nu zo ongeveer wel de nominatie op zak zou hebben. Ruim tweederde van de kiezers gaf aan dat ze hun keuze hadden gebaseerd op de twee tv-debatten in de week voor de verkiezing. Daarin bleek Gingrich als beste de rauwe woede aan te voelen die veel Republikeinse kiezers jegens Obama koesteren. Hij noemde Obama herhaaldelijk 'de grootste voedselbonnenpresident uit de Amerikaanse geschiedenis’ en suggereerde in reactie op een vraag van een zwarte journalist dat het hoge aantal aan zwarten verstrekte voedselbonnen het gevolg is van hun bedenkelijke arbeidsethos.
Dat was wat de kiezers in South Carolina wilden zien: een man die bereid was echt de confrontatie met Obama aan te gaan. Een kiezer verwoordde dit sentiment tegenover The Washington Post als volgt: 'Ik denk dat we het punt bereikt hebben waarop we iemand nodig hebben die gemeen is.’ Tijdens een bijeenkomst vroeg een andere kiezer Gingrich of hij bereid was 'Obama op z'n neus te stompen’. Waarop Gingrich antwoordde: 'Ik zal hem niet alleen op z'n neus stompen, ik zal hem knock-out slaan.’
Het werkte. Met als gevolg dat de eerste drie staten waar Republikeinse voorverkiezingen werden gehouden steeds een andere winnaar hadden. Iowa ging (na een hertelling) naar Rick Santorum, een zeer christelijke oud-senator uit Pennsylvania die met zijn populisme zowel de werkende klassen als sociale conservatieven paait; Romney won als verwacht New Hampshire en Gingrich dus nu South Carolina.

DEZE SCHIJNBARE verscheurdheid is een van de tekenen dat het Amerikaans conservatisme op sterven ligt, stelt Corey Robin, hoogleraar politieke wetenschappen aan het Brooklyn College in New York en auteur van het pas verschenen The Reactionary Mind: Conservatism from Edmund Burke to Sarah Palin. 'Dit is nog niet eerder gebeurd in de moderne Republikeinse Partij’, zegt Robin in een telefonisch interview. 'Er waren altijd uitdagingen - Reagan die Ford uitdaagde in 1976, Buchanan die Bush senior uitdaagde in 1992 - maar er was ook steeds een koploper, die altijd won. Daar lijkt nu geen sprake van.’
Daarnaast kende de partij altijd figuren als Ronald Reagan of George W. Bush, die de verschillende stromingen binnen de partij verenigden: de sociale conservatieven, de neoconservatieven, de vrijemarktideologen. 'De afwezigheid van zo'n figuur duidt op het uit elkaar vallen van de conservatieve beweging, die op haar hoogtepunt bij elkaar werd gehouden door haar oppositie tegen links - in conservatieve ogen een project dat de nationale, centrale staat gebruikte om de lagere klassen te emanciperen. Nu links zich nauwelijks nog inzet voor de lagere klassen is er voor rechts geen reden samen te werken. Wat zich nu op nationale televisie tijdens de Republikeinse debatten afspeelt, is het sterven van een ideologie: de harde onderlinge aanvallen, het pochen wie de echte conservatief is in de race en het stuitende gebrek aan constructieve ideeën en oplossingen voor het land - ze komen allemaal niet verder dan het afschaffen van dingen.’ Dat betekent niet dat de Republikijnse Partij geen electorale rol meer kan spelen. 'Ze zullen de komende decennia heus een paar verkiezingen winnen, misschien zelfs wel de volgende, omdat de economie zo slecht is. Zo gaat dat in een tweepartijenstelsel. Maar op termijn kan het moderne conservatisme maar één kant op: naar beneden.’
Het einde van het conservatisme is natuurlijk al eerder aangekondigd, onder meer in 2009 door Sam Tanenhaus: eerst in een geruchtmakend essay in The New Republic, later dat jaar in zijn boek The Death of Conservatism. Het klassieke, burkeaanse conservatisme in de Verenigde Staten is dood, schreef Tanenhaus. Wat resteert is geen echt conservatisme, maar 'radicaal revanchisme’. Wat als conservatisme wordt beschouwd, is in werkelijkheid een 'radicale anti-overheidhouding. Als constructieve kracht in het serieuze politieke leven speelt conservatisme geen rol meer. Het is niet slechts ontspoord; het is dood.’
Onder George W. Bush blies het conservatisme zijn laatste adem uit, stelde Tanenhaus. Bush, gesteund door een coalitie van christelijk rechts en neoconservatieven, kreeg na '9/11’ van de Republikeinse Partij carte blanche om zijn revanchistische agenda uit te voeren. Wat volgde, had niets meer met conservatisme te maken. Tanenhaus noemde de belastingverlagingen voor rijke Amerikanen, het loslaten van de fiscale discipline en Bush’s poging om de algemene pensioenvoorziening ('Social Security’) te privatiseren - wat overigens dankzij Democratische oppositie en verzet van ouderen mislukte. De definitieve nekslag voor het conservatisme was de inval in Irak, schreef Tanenhaus: 'Zo onverschillig als Bush was tegenover de noden van de civiele maatschappij in eigen land, zo vroeg hij zich nauwelijks af hoe moeilijk het zou zijn om een democratie te creëren in een ver gelegen land met een geheel andere geschiedenis. Wie zich binnen de regering daarover uitsprak, werd gemarginaliseerd of verwijderd.’

NET ALS tanenhaus plaatst Corey Robin de opkomst van de moderne conservatieve beweging in de jaren dertig, zoals ook hij stelt dat de beweging in de jaren vijftig en zestig tot wasdom komt als 'een coherent project’. Robin kan zich echter niet vinden in de oorzaken die Tanenhaus aanvoert voor het einde van het conservatisme. 'Hij lijkt te denken dat de conservatieve beweging in haar hoogtijdagen een soort van bedachtzaam, voorzichtig conservatisme in de traditie van Edmund Burke was en dat ze pas onlangs is gekidnapt door de zeloten die haar nu laten ontsporen. Compleet fout. Het conservatisme is op weg naar de uitgang omdat het zo succesvol is geweest.’
Die bewering is pas goed te begrijpen in het licht van Robins hoofdthese in The Reactionary Mind: conservatisme is van oudsher een reactie op democratische bewegingen van onderaf, zoals nu Occupy Wall Street, en kan alleen floreren als de bestaande machtsstructuren worden uitgedaagd. 'Het moderne conservatisme is een reactie op de arbeidsbeweging, de burgerrechtenbeweging en de feministische beweging’, zegt Robin. 'Daarin is het grotendeels succesvol geweest: het heeft de arbeidsbeweging en de welvaartsstaat teruggedrongen, het heeft de burgerrechtenbeweging in essentie tot halt gebracht. Met de vrouwenbeweging ligt het wat gecompliceerder, maar ook die beweging heeft het flink dwars gezeten. Kortom, in zekere zin is het project afgerond.’
De conservatieve stellingname komt volgens Robin niet louter voort uit het cynisch verdedigen van de eigen machtspositie: 'De conservatief gelooft oprecht dat een door sociale bewegingen geëmancipeerde wereld lelijk, grof en saai zal zijn. Zo'n wereld ontbeert immers de uitmuntendheid van een wereld waarin de betere mens de mindere mens beveelt. Deze connectie tussen uitmuntendheid en gezagsverhouding is wat in naoorlogs Amerika die bizarre alliantie heeft gecreëerd tussen de kapitalist, die absolute macht van de werkgever op de werkvloer voorstaat, de traditionalist, volgens wie de vader thuis de basis is, en de statist die in een heroïsche leider van de staat gelooft.’
Om de hiërarchische orde te verdedigen, begint de conservatief steevast een contrarevolutie, stelt Robin. Soms is daartoe zelfs het overhoop halen nodig van het regime dat hij verdedigt. 'Om Lampedusa (schrijver van 'De tijgerkat’ - mvg) te citeren: “Als we willen dat de dingen blijven zoals ze zijn, dan zullen de dingen moeten veranderen.” Dit vereist vaak de meest radicale maatregelen. In God and Man at Yale noemde William Buckley conservatieven dan ook “de nieuwe radicalen”.’
De omarming van radicalisme is ook verklaarbaar aan de hand van het reactionaire karakter dat de grondslag vormt van de conservatieve doctrine, vervolgt Robin. 'De conservatief is niet alleen tegen links, hij gelooft ook dat links al sinds de Franse Revolutie de agenda zet. Als hij wil behouden wat hij van belang acht, dan moet hij de bestaande cultuur de oorlog verklaren.’
Momenteel worden de machtsstructuren in de Amerikaanse samenleving echter niet of nauwelijks bedreigd. 'De conclusie van mijn boek is dan ook: er is geen functionerend rechts omdat er geen functionerend links is. Pas als links weer gaat doen wat haar historische taak is - het omverwerpen van machtsstructuren die de werkende klassen en minderheden eronder houden - kan er weer een sterk conservatisme opbloeien. Tot dan moeten de VS het met deze poppenkast doen.’ Occupy Wall Street zou daarom volgens Robin het beste kunnen zijn wat het conservatisme in lange tijd is overkomen: 'Als Occupy geen momentopname blijkt maar een echte beweging, dan zou het de creatieve provocatie kunnen zijn die een nieuwe Burke of Hayek voortbrengt.’

'WAT BETEKENT het tegenwoordig om jezelf een liberal of conservatief te noemen?’ vraagt Mark Lilla, hoogleraar geesteswetenschappen aan Columbia University, in het laatste nummer van de New York Review of Books. 'Heeft het nut om onderscheid te maken tussen progressieven en reactionairen?’ Of tussen radicaal en revolutionair, reactionair en conservatief?
Lilla vindt van wel en hij zou willen dat ook Robin wat zorgvuldiger zou omgaan met de labels die hij politieke figuren opplakt. Hij heeft vooral moeite met de volgende passage in The Reactionary Mind: 'Ik gebruik de woorden conservatief, reactionair en contrarevolutionair door elkaar: niet alle contrarevolutionairen zijn conservatief, maar alle conservatieven zijn op een of andere manier contrarevolutionair.’
Volgens een dergelijk schema komen Burke, Bush, Hayek, Nietzsche, Palin en Tocqueville allemaal uit dezelfde pot nat. Lilla protesteert: 'Binnen elke stam bestaan klieken (…). Het grootste deel van de recente beroering in de Amerikaanse politiek is het gevolg van veranderingen in de kliekstructuur ter rechterzijde: het verdwijnen van conservatieven als William F. Buckley en George Will, en de opkomst van populistische reactionairen als Glenn Beck, Ann Coulter en andere Tea Party-favorieten.’ Om die ontwikkeling te begrijpen, zo stelt Lilla, moeten we begrijpen wat de termen 'conservatief’ en 'reactionair’ oorspronkelijk betekenden.
Conservatieven zien de maatschappij als een erfenis die we hebben ontvangen en waar we verantwoordelijk voor zijn, schrijft Lilla: we hebben verplichtingen naar onze voorgangers en nakomers en die verplichtingen wegen zwaarder dan onze rechten. In lijn met het gedachtegoed van Burke nemen conservatieven aan dat men dit verwezenlijkt middels geleidelijke veranderingen in gewoontes en tradities - niet middels expliciete politieke acties.
Reactionairen verdeelt Lilla in twee soorten, elk met een eigen houding ten opzichte van historische verandering. Er is de vrij onschuldige reactionair die droomt van een terugkeer naar een in zijn ogen ideale situatie vóór een revolutie. En er is wat Lilla noemt de 'verlossende reactionair’, die accepteert dat een revolutie een voldongen feit is. Zijn reactie daarop is echter dat hij een nieuwe Apocalyps nastreeft, in de hoop dat hij opnieuw mag beginnen.
Tot voor kort waren de verlossende reactionairen randfiguren in de Amerikaanse politiek. Maar nu niet meer. 'Het echte nieuwe aan rechts in Amerika is dat politiek apocalypticisme de norm is geworden’, schrijft Lilla. 'Dit borrelde al langer onder intellectuelen in de jaren negentig, maar in de afgelopen vier jaar heeft dit dankzij de rechtse media en de economische neergang een breder publiek bereikt en de Republikeinse Partij getransformeerd.’
Dit is de verkorte versie van hoe dit volgens Lilla is gebeurd: de eerste neoconservatieven waren teleurgestelde liberals als Irving Kristol en Nathan Glazer, die de tekortkomingen zagen van sociaal-democratische programma’s die president Johnson invoerde in het kader van zijn Great Society. In reactie daarop omarmden zij conservatieve aannames over de menselijke natuur en de politiek. In de jaren tachtig versomberde het neoconservatieve denken: voortaan was de grote vraag hoe men de culturele revolutie van de jaren zestig ongedaan kon maken die, in hun ogen, de familie had gedestabiliseerd, druggebruik had gepopulariseerd, pornografie acceptabel had gemaakt en burgerlijke ongehoorzaamheid had bevorderd. Met andere woorden: hoe de geschiedenis ongedaan te maken. Toen in de jaren negentig duidelijk werd dat de meeste Amerikanen zich hadden aangepast aan de nieuwe mores, begonnen neoconservatieven Het Einde Der Tijden te voorspellen - auteurs als Gertrude Himmelfarb en Robert Bork publiceerden boeken met titels als On Looking into the Abyss en Slouching towards Gomorrah.
Inmiddels is apocalypticisme wat Republikeinse elites met hun basis verbindt. Het land moet koste wat het kost worden teruggepakt, wat dat ook precies betekent, en men is bereid werkelijk elke presidentskandidaat te steunen, hoe ongekwalificeerd of zelotisch die ook is, die een vergelijkbaar apocalyptisch beeld heeft van de crisis van deze tijd.
Het is dit apocalypticisme, zo concludeert Lilla, dat we terugzien in de Republikeinse presidentsdebatten, waarin de kandidaten met elkaar concurreren over hoeveel ministeries ze gaan afschaffen zodra ze in het Witte Huis zitten en hoeveel vertrouwen ze hebben dat de Amerikanen het zonder die ministeries ook wel redden. 'Wat daaraan zo verontrustend is’, schrijft Lilla, 'is dat ze zich niet eens geroepen voelen om uit te leggen hoe een afgeslankte overheid de uitdagingen van de globale economie zou moeten aangaan, hoe het onderwijs hierop moet reageren of wat de geopolitieke complicaties van dit alles zouden zijn.’
Dit alles is nieuw en heeft niets met de principes van conservatisme te maken, besluit Lilla - en al helemaal niets met Robins aanname dat conservatieven zich door het aristocratische principe zouden laten leiden dat de betere mens de mindere mens behoort te leiden. 'Nee, er is iets donkerders en dystopischer aan de hand’, schrijft Lilla. 'Mensen die weten wat voor een nieuwe wereld ze middels een revolutie willen creëren zijn al problematisch genoeg - mensen die alleen weten wat ze willen vernietigen, zijn een vloek.’
De nieuwe reactionairen, of de verlossende reactionairen, doen Lila denken aan het personage Leo Naphta uit Thomas Manns Der Zauberberg. Naphta is razend dat hij de geschiedenis niet kan terugdraaien en droomt daarom van de komst van een Apocalyps, een periode van wreedheid en reiniging. Mann modelleerde Naphta niet naar Edmund Burke of Chateaubriand, maar naar de Hongaarse marxist György Lukács, die een even grote hekel had aan liberalen als aan conservatieven - volgens Lilla 'een man voor onze tijd’.