Je zag en hoorde daar deze sterren dus in levende lijve, wat toch echt iets anders was dan op een grammofoonplaat. Je had die platen wel, je draaide ze veel, je danste erop op schoolfeesten en de nafeesten bij iemand thuis. Maar de belevenis in het Concertgebouw in die tot de laatste plaats gevulde grote zaal was fantastisch. Nog steeds kan ik de muziek uit die tijd meezingen en meefluiten. Het begrafenislied dat Louis Armstrong (door ons vanzelfsprekend Satchmo genoemd) op zijn trompet speelde, bracht ons in grote vervoering en zelfs mijn ouders hielden daarvan. Je ging natuurlijk niet met je ouders naar die concerten, dat zou echt een afgang geweest zijn, maar met je vrienden.
Bij de toen favoriete nummers zong je zachtjes mee en soms haalden mensen het in hun hoofd om te gaan dansen in de gangpaden, maar dat was erg gewaagd en mocht niet.
De toegiften beschouwden we als nummers die speciaal voor ons in Amsterdam werden gezongen, omdat wij zo'n leuk publiek waren, dachten we. Achteraf gezien waren we blanke harken die zoet luisterden, maar die wel onze handen uit ons lijf klapten. Het publiek in New Orleans was misschien wel veel leuker voor de sterren. Een fantastische tijd. Nu ook, hoor.