Ella Vogelaar, 23 december 1949 – 7 oktober 2019

Tijdens haar vakbondsjaren werd Ella Vogelaar ongetwijfeld geconfronteerd met machtsspelletjes en vuile trucs. Maar op het soort hardheid dat haar te wachten stond als minister, was ze niet voorbereid. Dat pleitte juist voor haar.

Bij het openbare leven van de begin vorige week overleden Ella Vogelaar, dringt zich één vraag op die niet meer weg wil gaan. Hoe kan het dat een vrouw die het in 1997 voor elkaar kreeg twee sterk van elkaar verschillende onderwijsbonden te laten fuseren, elf jaar later door haar PvdA-partijleider Wouter Bos wordt gedwongen ontslag te nemen als minister omdat ze onvoldoende gezag zou genieten? Nota bene door dezelfde partijleider die haar nog geen twee jaar daarvoor zelf had gevraagd minister te worden.

Tijdens de formatie van wat uiteindelijk het kabinet Balkenende IV zou worden, na de verkiezingen in november 2006, benaderde Bos Ella Vogelaar. Hij vertelde haar dat vrouwelijke kandidaten voor kabinetsposten moeilijk te vinden waren. Hij was bij haar uitgekomen, omdat ze een groot netwerk had, vertrouwen genoot bij uiteenlopende maatschappelijke groeperingen en veel bestuurlijke ervaring had. Wat wil je nog meer? Die bestuurlijke ervaring deed Vogelaar op bij de onderwijsbond abop. In 1988 werd ze de eerste vrouwelijke voorzitter van deze bond, wat tot veel weerstand leidde in dit mannenbolwerk. Bij haar aantreden refereerde ze daaraan: ‘Ik zie het als een uitdaging met mijn voorzitterschap een bijdrage te leveren aan het verminderen van die weerstand.’

Tijdens dit voorzitterschap bleek dat ze niet bang was. Toen jonge docenten dreigden om het kantoorgebouw van de abop te bezetten uit onvrede over de nieuwe salarisregeling die voor hen slecht uitpakte, kroop ze niet weg. Integendeel, ze zette de deur voor deze zogeheten ‘nahossers’ wagenwijd open. Kom erin, laten we praten. Dat blijven praten deed ze ook met het Nederlands Genootschap van Leraren, destijds de bond van de pakken en de stropdassen in het middelbaar en hoger onderwijs; Vogelaars abop vertegenwoordigde het onderwijspersoneel met de slobbertruien en spijkerbroeken. Vogelaar vond een fusie tussen de twee bonden belangrijk om een vuist te kunnen maken naar het kabinet dat in de jaren tachtig flink had bezuinigd op onderwijs. In 1997 lukte de fusie en ontstond de Algemene Onderwijsbond, AOb, die bij de fnv was aangesloten.

Vogelaar was toen inmiddels zelf vicevoorzitter bij deze vakcentrale. Ze moet in al haar vakbondsjaren, bij de onderwijsbond en later de overkoepelende fnv, te maken hebben gehad met machtsspelletjes en vuile trucs. Het ging en gaat er in de vakbond niet altijd even lief aan toe.

Prachtwijken moesten het worden, maar Wouter Bos gaf geen cent

Maar als ze dan in 2007 minister van Wonen, Wijken en Integratie wordt in het kabinet van cda, PvdA en ChristenUnie lijkt het of ze niet bestand is tegen een nieuw soort hardheid die ze daar ontmoet. Eerst is er de hardheid van de media. Het grotere publiek herinnert zich Vogelaar vooral van de beelden van GeenStijl, waarin Rutger Castricum haar achtervolgt met zijn microfoon. Vogelaar slaat dicht. Castricum drijft haar letterlijk in de hoek. Castricums manier van opereren was destijds nieuw in de journalistiek. Hij gebruikte de camera als wapen om ongewapende bewindslieden te schofferen. Menig minister liep liever een blokje om dan hem tegen te komen. Zoals iemand afgelopen week zei: ‘Vogelaar was niet hufterproof, omdat ze dat soort gedrag gewoonweg niet verwachtte. Ze had niet kunnen bedenken dat mensen tot zoiets in staat waren. Dat pleitte juist voor haar.’

Vogelaar bashen werd een sport. Zo kreeg Jort Kelder in het tv-programma Pauw & Witteman de gelegenheid om op denigrerende toon Vogelaar aan te raden ‘wat charisma-cursusjes te gaan volgen’. En ook pvv-leider Geert Wilders had geroken dat hij met Vogelaar een minister tegenover zich had die niet terug had van het getreiter waar hij juist zo goed in is. Hij noemde haar knettergek. Vogelaars pleidooi voor integratie van wat destijds nog allochtone minderheden werden genoemd en het toestaan van boerka’s betitelde hij als ‘capitulatiegebabbel’. Maar pas echt hard was haar eigen partijleider Wouter Bos. Als minister kreeg ze vanuit de kabinetsformatie de opdracht om de probleemwijken in de grote steden aan te pakken. Veertig Vogelaarwijken werden er aangewezen, krachtwijken die prachtwijken moesten worden. Maar toen daar ook geld voor nodig was, gaf Bos – die zelf minister van Financiën was – haar geen cent.

Of die wijken een succes zijn geworden, daar verschillen de meningen over. Maar om hardnekkige problemen te moeten aanpakken zonder geld of directe invloed op de vele andere partners in die wijken waarmee moet worden samengewerkt – woningbouwverenigingen, vormingswerk en politie – dat is een welhaast bovenmenselijke klus. De kans om er lang aan te werken kreeg Vogelaar ook niet. Na twintig maanden kwam de dolksteek, in de rug en opnieuw van haar eigen partijleider. Die wist zich daarin overigens gesteund door een groot aantal PvdA-Kamerleden. Zonder Vogelaar echt te hebben geraadpleegd kwam Bos met een nota waarin hij een nieuwe lijn uitzette voor het integratiebeleid. Dat was harder dan voorheen en ook harder dan wat Vogelaar als minister van Integratie voorstond. Hoofdmotief voor deze koerswending was het teruglopend aantal leden van de PvdA. Schrijnend is dat Bos Vogelaar destijds een voorbeeldbrief in de hand drukte van hoe je dat doet als minister, ontslag nemen.

Naar buiten toe heette het dat Bos zijn vertrouwen in Vogelaar had opgezegd omdat ze niet voldoende gezag had weten op te bouwen. Daarmee maakte Bos gebruik van het beeld dat Castricum van haar had neergezet, maar hij had zelf haar gezag ook ondermijnd. Telkens liet hij haar in de steek, hij offerde haar voor het partijbelang. Zie dan maar eens gezag op te bouwen. Zo hard waren ze zelfs bij de vakbond niet geweest.