Ellebogen

Heinrich Heine schreef in zijn boek Aus den Memoiren des Herrn Vomschnabelewopski dat de Fran‡aises, evenals de gerechten op de spijskaart in Frankrijk, heerlijk geroosterd, gevuld, gesuikerd, pikant en gevoelvol zijn, maar dat in beide gevallen maar al te vaak de saus belangrijker is dan het eigenlijke stukje vlees.

Aanzienlijk minder tevredenheid klinkt op uit de novelle A vau-l'eau, in het Nederlands vertaald als Op drift. Daarin beschrijft Joris-Karl Huysmans de belevenissen van een buitenshuiseter in Parijs, de stad die ook toen (omstreeks 1880) op eetgebied toch een grote reputatie had.
Een uittreksel: ‘De wijn is versneden met pompwater en de absint stinkt naar koper. Restjes verzuurde witte wijn worden als vermouth verkocht en afwaswater soep genoemd. De runderlap is van elastiek, de gekookte groenten lijken op restjes uit het huis van bewaring en veel gerechten scheiden een scherpe petroleumlucht af.’ Klagen op schrift is makkelijker dan complimenteren. Maar logisch, want vooral een echte schrijver wil graag voor een kritisch mens doorgaan.
In hetzelfde Parijs - sommigen noemen het nog steeds Lutetia, wat Modderland betekent - is op nummer 13 in de rue de l'Ancienne-ComÇdie Le Procope te vinden. Dat beroept zich erop het oudste, nog bestaande cafÇ ter wereld te zijn.
La Fontaine, Rousseau, Balzac en Victor Hugo dronken en aten er wat, en je kunt er nog steeds met je ellebogen op dezelfde tafel leunen als Verlaine destijds deed.
Ikzelf bewaar nog een enkele aantekening in verband met de 'kwartels met rozijnen op canapÇ’ die ik daar nuttigde. 'Waarvan er een in gebakken potloodslijpsel gevallen lijkt te zijn, de tweede smaakt iets minder branderig. De begeleidende frites zijn nog net niet vloeibaar maar vertonen wel een lichte stearinesmaak.’