Elly Jaffé-Freem (1920-2003)

Elly Jaffé-Freem (1920-2003)

Aan haar stem, die anders altijd glashelder en opgewekt klonk, hoorde ik dat er iets aan de hand was. Elly Jaffé belde me omdat ze me wilde spreken. Het was vrijdagmorgen 31 oktober. ’s Middags zat ik aan haar bed in haar kamer in het verzorgingshuis in Amsterdam Oud-Zuid, een uur voordat haar dokter zou komen.

Zonder omwegen vertelde Elly me dat ze twee attaques had gehad, verder verlamd was geraakt, drie dagen achter elkaar had gehuild en opeens een serene vrede in zich had voelen neerdalen. «Mijn tong wil wel weer een beetje. Maar na al die jaren polio weet ik heel goed wat een loden last het lichaam kan zijn. Nu ben ik helemaal aan bed gekluisterd. Ik heb een besluit genomen. Ik wil niet verder.» Dat wilsbesluit stond vast. Elly had alles grondig doordacht en geregeld.

Voor de allerlaatste keer spraken we over leven en letteren; over haar liefde voor de Franse literatuur; over terreur en terrorisme in Irak en Israël en hoe de 21ste-eeuwse schrijver zich in taal teweer kan stellen; over Frans Thoméses Schaduwkind en de dood; over het «niets en nergens» van de dood.

Twee weken later stierf Elly. Met haar is iemand heengegaan die een gave voor vriendschap had, die niet alleen inspireerde maar ook tot intellectuele én emotionele scherpte dwong.

Elly Jaffé leerde ik kennen in 1999 toen zij samen met de Vereniging van Letterkundigen een stichting in het leven riep die met vertaalprijzen en stipendia de Franse literatuur in Nederland wilde stimuleren. In 2000 was de Dr. Elly Jafféprijs (45.000 euro) een feit. Het initiatief van Elly baarde opzien en de prijs had meteen prestige. Voor velen leek er uit het niets een mecenas te zijn opgestaan.

Maar Elly kwam niet uit het niets. Ze was jarenlang een bevlogen docente Frans aan een Amsterdamse middelbare school geweest, en ze had van 1963 tot halverwege 1977 voor De Groene Amsterdammer honderden recensies over Franse literatuur geschreven. Getrouwd was ze met Hans Jaffé, conservator van het Stedelijk Mu seum. Elly kon met veel (zelf)spot vertellen over het huwelijksaanzoek dat Hans haar vlak na de oorlog deed (hij moest dagenlang op haar antwoord wachten), over zijn morsige voorkomen en over haar eigen scherpe tong binnen en buiten het huwelijk. Ze vertelde dat ze eens een aankomende schrijver die als een hinderlijk hondje achter haar aan liep, had afgepoeierd. De naam van die veelbelovende jongeman? W.F. Hermans.

Tussen haar indringende Groene-stukken over onder anderen Sarraute, Beckett, Camus, Sartre, De Beauvoir, Robbe-Grillet en Simon valt één persoonlijk stuk op. In het kerstnummer 1969 van De Groene schrijft ze over de «Twee wortels van mijn bestaan». Ze heeft het over de Griekse tradities en «de kwaliteit van het licht» op de Acropolis anno 1954 die haar tot tranen toe beroert. Over haar bevrijdende Israël-reis van 1959 noteert ze openhartig. «Sinds mijn puberteit had ik geworsteld met het probleem dat ik (…) halfjoods was. Geen vlees en geen vis, een bijzonder onbevredigende toestand die me in en na de oorlog een flinke dosis schuldgevoelens bezorgde. In Israël zei ik dat eens, terloops, aan iemand. Waarop de ander antwoordde: ‹Halfjood: bestaat niet. Vader of moeder joods? De laatste? Nou, dan bén je het, doodeenvoudig.› Deze woorden betekenden voor mij een verlossing, ze veroorzaakten een innerlijke bevrijding.»

Op zondag 16 november betekende de dood voor Elly een innerlijke bevrijding.