Profiel: Kofi Annan

Eloquent en zonder vijanden

Kofi Annan, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, is voor alles een beheerst man. In zijn veertigjarige VN-carrière heeft zelden iemand hem kwaad gezien. Hooguit één keer, onthulde Elisabeth Lindenmayer, die al zo’n vijftien jaar zijn naaste medewerker is. «Hij leek een brullende leeuw», zei zij in The New Yorker. «Hij was boos met zijn hele lijf — met zijn ogen. Zijn stem ging naar beneden en koos het laagste register, zoals bij een orgel. Als iemand niet vaak kwaad wordt en plotseling heel kwaad is, dan is dat erg indrukwekkend. Het is heel, heel angstaanjagend.»

Die uitbarsting van woede dateert van heel wat jaren terug en had te maken met een in de huidige context onbenullig akkefietje op de afdeling personeelszaken. Terwijl de VN na het rampjaar 2003 serieus in de touwen hangen, lijkt Annan dezer dagen als vanouds gedragen en beheerst. Zijn fluisterdiplomatie is op dit moment meer dan ooit nodig om de geloofwaardigheid van de organisatie na de eigengereide Amerikaanse aanval op Irak te herstellen.

Annan werd in 1997 binnengehaald als hervormer en zal nu werkelijk aan de bak moeten. Dat realiseert hij zich. «Gebeurtenissen hebben het internationale systeem door elkaar geschud», erkende hij twee maanden geleden voorafgaand aan de Algemene Vergadering. «Ik heb een ongemakkelijk gevoel dat het systeem niet werkt zoals het zou moeten werken», voegde hij daaraan toe. Dat getuigt van realisme. In zijn toespraak voor de in New York samengekomen regeringsleiders en ministers van Buitenlandse Zaken benadrukte hij eind september dat de Verenigde Naties «radicale hervormingen» te wachten staan.

Hoewel al bijna tien jaar lang gediscussieerd wordt over grondige herziening van vooral de Veiligheidsraad — in december 1993 werd de befaamde Open-einde Werkgroep over de Vraag van Evenwichtige Vertegenwoordiging en Toename in het Lidmaatschap van de Veiligheidsraad in het leven geroepen — is de tijd nu rijp om werkelijk met veranderingen te komen, vindt Annan. Bijna alle lidstaten zijn het erover eens dat de V-raad een meer bijdetijdse afspiegeling van de lidstaten moet worden: de huidige permanente leden zijn de overwinnaars van de Tweede Wereldoorlog en vertegenwoordigen de internationaal-politieke constellatie van 1945, toen nog maar 51 landen lid waren. Zuid-Amerika, Afrika maar ook het Midden-Oosten zijn daardoor in de Veiligheidsraad niet permanent vertegenwoordigd. Vooral over India, dat met meer dan een miljard inwoners een niet te veronachtzamen deel van de wereldbevolking uitmaakt, en Brazilië of Zuid-Afrika als andere representanten van de «Derde Wereld» lijkt onder de afgevaardigden overeenstemming. Deze nieuwe permanente leden van de Veiligheidsraad zouden het zonder vetorecht moeten doen, zoveel is duidelijk. Maar Annan wil, zoals eerder in vele publicaties van de Open-einde Werkgroep is voorgesteld, ook iets doen aan het huidige vetorecht. Een van de voorstellen is het alleen nog te laten gelden voor de core business van de VN: kwesties van vrede en veiligheid. Inperking van het vetorecht van de huidige permanente leden zal nu evenwel onhaalbaar zijn.

Annan weet dat deze overwegend cosmetische maatregelen niet voldoende zijn om de VN door de 21ste eeuw te loodsen. Belangrijker is het de Verenigde Staten weer binnenboord te krijgen. Wat dat betreft heeft hij de juiste papieren. Zijn aanstelling als secretaris-generaal heeft hij voor een groot deel aan dat land te danken. Toen in 1996 Annans voorganger Boutros Boutros-Ghali zich opnieuw kandideerde, heeft de regering-Clinton alles in het werk gesteld een gebruikelijke tweede termijn voor deze falende professor te voorkomen. Minister van Buitenlandse Zaken en voormalig Amerikaans VN-ambassadeur Madeleine Albright liet vrijwel direct na zijn nieuwe kandidatuur weten desnoods haar veto in de Veiligheidsraad in stelling te brengen om de Egyptenaar, die in Amerika symbool was geworden van de archaïsche en bureaucratische VN, te dwarsbomen. Zolang «Boo Boo Ghali» op de 38ste etage aan de East River zetelde, konden de VN fluiten naar de lang niet betaalde Amerikaanse contributie. Hoewel de andere leden van de Veiligheidsraad geen overwegende bezwaren tegen Boutros hadden, en Frankrijk op zijn beurt ook weer met een veto dreigde tegen iedere andere kandidaat dan de in Frankrijk geschoolde Boutros, werd Kofi Annan, op dat moment ondersecretaris-generaal, in stelling gebracht. Nadat Annan had aangetoond behoorlijk Frans te spreken, lieten de Fransen morrend hun bezwaren vallen.

Zonder twijfel is Annan uitgegroeid tot de meest populaire secretaris-generaal sinds de oprichting van de VN. Op straat, waar hij meer dan eens door gillende menigten verwelkomd wordt, maar vooral ook in het internationale diplomatieke circuit. Vijanden heeft hij niet. Iedereen is het erover eens dat zijn waardigheid en zijn natuurlijke overwicht gesprekspartners voor hem innemen. Hij heeft, als telg van een traditionele leidersfamilie uit het Ghanese Fante-volk, een koninklijk aura dat hem een bijkans onschendbare status bezorgt. Zo’n uitstraling is in zijn functie onontbeerlijk. Want hoewel de baas van de Verenigde Naties zich permanent ophoudt in kringen van wereld leiders en door het grote publiek op één lijn wordt gesteld met Bush, Blair en Chirac, heeft hij als secretaris-generaal de facto weinig in de melk te brokkelen. Een secretaris-generaal regeert niet over een afgebakend grondgebied, staat niet aan het hoofd van een leger of een politiemacht en kan geen belasting heffen. Hij heeft zelfs geen stem in de Algemene Vergadering van zijn eigen Verenigde Naties maar is in alle gevallen dienstbaar aan zijn opdracht gevers, de 191 lidstaten. De secretaris-generaal van de VN heeft geen praktische maar vooral morele macht. Annans eloquentie en statige presentatie helpen hem daarbij.

Kofi A. Annan werd in 1938 geboren in de toenmalige Britse kolonie Goudkust. Zijn vader was in het dagelijks leven eenvoudig werknemer van een dochteronderneming van Unilever, maar kon mede dankzij de aristocratische familiebanden — Kofi’s beide grootouders waren chief — zijn zoon het best denkbare koloniale onderwijs bieden. Uit de tijd dat Kofi Annan op de prestigieuze jongenskostschool Mfantsipim zat, dateert het enige activistische wapenfeit dat van hem bekend is en dat keer op keer als voorbode van zijn latere leiderschap wordt opgelepeld. In zijn jongste jaren slaagde hij erin met een hongerstaking succesvol te protesteren tegen het onsmakelijke eten dat hem dagelijks werd voorgeschoteld. Behalve van kennelijke leiderskwaliteiten getuigt deze anekdote ook van het bevoorrechte milieu waaruit Annan voortkwam. Terwijl de onafhankelijkheidsbeweging onder aanvoering van Kwame Nkrumah het Britse koloniale bewind aan het wankelen bracht en veel van Annans leeftijdgenoten in extase de straat op stuwde, studeerde de latere topdiplomaat onverstoorbaar door. Natuurlijk was hij blij dat in maart 1957 Ghana als eerste land in sub-Sahara-Afrika onafhankelijkheid verwierf, maar voor hem veranderde er op achttienjarige leeftijd niet veel, zei hij vele jaren later in een interview.

Hij kreeg de mogelijkheid door te studeren in de Verenigde Staten. Met een beurs van de Ford Foundation — die veelbelovende toekomstige Afrikaanse leiders sponsorde — vertrok hij naar Minnesota waar hij een bachelor in de economische wetenschappen behaalde. Na aanvullend onderwijs in Genève kreeg hij in 1962 zijn eerste VN-baantje bij de Wereldgezondheidsorganisatie. Uit deze tijd dateert Annans huidige handelsmerk: zijn ringbaardje. Nu mag zoiets gedistingeerd overkomen, toen was een «Lumumba-baard» in de eerste plaats een politiek, pan-Afrikaans statement. De gekozen premier Patrice Lumumba van Congo werd in januari 1961 na vastgelopen VN-bemiddeling van toenmalig secretaris-generaal Dag Hammarskjöld op Amerikaanse-Belgische instigatie door troepen van legerleider Mobutu geliquideerd. Het baardje, dat bij zelfbewuste jonge Afrikanen nog altijd populair is, stond voor hoop op betere tijden na de koloniale periode. Het was Annans ingetogen manier om zich aan deze beweging loyaal te verklaren. Aan de ontwikkeling van Afrika probeerde Kofi Annan rechtstreeks zijn steentje bij te dragen door in Addis Abeba, Ethiopië, zes jaar lang in VN-dienst de Economische Commissie voor Afrika te dienen. Maar als gevolg van een naar eigen zeggen «nogal vroege midlifecrisis» ging hij op zijn 33ste weer terug naar de universiteitsbanken om aan het prestigieuze Massachusetts Institute of Technology een masters degree in de bestuurskunde te halen.

Binnen de Verenigde Naties was Annan vóór zijn aanstelling tot hoogste baas in woelige jaren formeel verantwoordelijk voor de afdeling vredeshandhaving. Maar de rampzalig verlopen VN-vredesoperaties in Somalië, Bosnië en Rwanda hebben hem opmerkelijk genoeg geen imagoschade toegebracht. Dit komt voor een deel door de onmogelijkheid van Annans taak: zijn afdeling kampte met een permanent geldgebrek en met de geringe wil van lidstaten om voor vredesmissies troepen te leveren. Sommige mensen noemen het een wonder dat er überhaupt nog vredestroepen konden worden uitgezonden. Maar toen de situatie in Bosnië-Herzegovina, waar veel minder dan de door Annan gevraagde blauwhelmen zogenaamd «veilige enclaves» beschermden, zo ernstig uit de hand liep, zette de Navo de VN ondubbelzinnig aan de kant en stelde uiteindelijk orde op zaken. De VN leden gezichts verlies, maar Annan bleef overeind. Dat gold eerder in 1994, toen zich rondom Rwanda het meest schrijnende voorbeeld van een blunderende VN aandiende. De Canadese VN-commandant Romeo Dallaire wendde zich per fax rechtstreeks tot Annan om toestemming te vragen Hutu’s te ontwapenen die volgens de commandant een massaslachting leken voor te bereiden. Annan reageerde afwijzend. De VN-macht waaraan Dallaire leiding gaf, was daar slechts gestationeerd om erop toe te zien dat het vredesakkoord zou worden nageleefd en de vigerende Hutu-regering zou een dergelijk initiatief van de VN als «vijandig» kunnen beschouwen.

Dat deze mislukkingen Annan persoonlijk geen schade hebben toegebracht, is bovenal te danken aan de wijze waarop hij met het falen van de VN is omgesprongen. «Zoals de zaken ervoor staan, zal de geschiedenis ons tamelijk negatief beoordelen aangaande Rwanda», erkende hij direct na het Rwanda-debacle in buurland Burundi. Annan stak de hand in eigen boezem en liet voor VN-begrippen harde rapporten opstellen over de tekortkomingen in Bosnië en Rwanda. Hij slaagde er bovendien in zijn afdeling fors te hervormen. Zijn strijd tegen de bureaucratie heeft hem in de gratie gebracht bij de Amerikanen en hem uiteindelijk als eerste carrièrediplomaat de hoogste VN-post opgeleverd. De VS wilden geen staatsman of bevlogen politicus, maar een be stuurder. En die kregen ze. Begin 1998 bluste Annan hoogstpersoonlijk in Bagdad de toen al bijna geëscaleerde veenbrand over Saddam Hoesseins wapenarsenaal. Door met de Irakezen nieuwe afspraken te maken over wapeninspecties, voorkwam hij acuut gezichtsverlies voor de democratische Amerikaanse regering, die toen al geconfronteerd werd met republikeinse hardliners in het Congres enerzijds en anti-oorlogsdemonstranten anderzijds. Op langere termijn heeft het akkoord Annan lelijk opgebroken. Hem wordt, sinds bleek dat de wapeninspecties weinig uithaalden, verweten dat hij indertijd bij terugkeer in New York wel heel erg uitgelaten was over zijn afspraken met het onbetrouwbare tirannieke regime in Irak.

Na 11 september 2001 veranderde alles — ook voor Kofi Annan, die een paar maanden eerder was herbenoemd voor een nieuwe termijn van vijf jaar en aan de wankele wereldorde ná de aanslagen de Nobelprijs voor de Vrede overhield. Zijn ambitieuze Millenniumdoelstellingen voor onder meer armoedebestrijding en milieuprotectie hebben geen prioriteit meer. «Ik ben er niet zeker van of de overeenstemming en het beeld die de millennium verklaring uitdrukten, nog intact zijn», verklaarde hij onlangs licht teleurgesteld. De absolute soevereiniteit van staten, de eerste bestaansgrond van de Volkerenbond en later de VN, komt in een geglobaliseerde wereld waar de mensheid vecht tegen «problemen zonder grenzen» zoals terrorisme en massavernietigingswapens, aids en armoede, zwaar onder druk te staan. Als eerste VN-topman verklaar de hij, overigens al vóór de aanslagen van 11 september, dat de nationale soevereiniteit soms op de tweede plaats komt als aan mensenrechtenschendingen een eind gemaakt moet worden.

Maar preventief ingrijpen, zoals de Amerikanen dit jaar deden in Irak, gaat ook Kofi Annan te ver. Daarover heeft hij zich bij de laatste Algemene Vergadering in de richting van de Verenigde Staten tamelijk ondubbelzinnig uitgelaten. Niettemin zal hij mét die Amerikanen nu moeten gaan werken aan een grondige verbouwing van de VN. Dat dat lastig wordt, is een open deur. Neoconservatieve haviken als Richard Perle adviseren de regering-Bush gevraagd en ongevraagd de VN bij vraagstukken van vrede en veiligheid definitief te laten vallen. Maar hoewel Annan de wensen van superstaat Amerika in het belang van de toekomst van de organisatie op veel punten tegemoet zal moeten komen, heeft hij al laten doorschemeren aan deze eis niet toe te geven. De VN zijn niet opgericht om louter de «softe bedreigingen» aan te pakken, maar in de eerste plaats als een organisatie voor vrede en veiligheid of, zoals het Handvest zegt: «Om toekomstige generaties de gesel van de oorlog te besparen.»