Elsevier als republikeins bolwerk

Het interessantst van het forum vond ik de rol van forumvoorzitter Hendrik-Jan Schoo, hoofdredacteur van Elsevier. Er zaten zo te zien en te horen veel Oranjeklanten in de zaal, inclusief menige lezer van Nederlands politiek meest gematigde weekblad. Niettemin was de vraagstelling zo kritisch dat Schoo zelfs forumlid Hans van den Bergh, woordvoerder van het Republikeins Genootschap, links wist te passeren.

Onderwerp van discussie was het boek Aan het hof, het portret dat Remco Meijer van de koninklijke huishouding heeft gemaakt.
‘Iedereen die dit boek leest kan maar tot één conclusie komen’, zei Schoo. 'De monarchie maakt op de een of andere manier onvrij. Allen die er mee te maken krijgen - dienaren, ambtenaren, voorlichters - veranderen onmiddellijk in zwijgers.’ Want: 'Welke brave dienaar kan weerstand bieden aan de vorst?’ Zelfs de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, die gehoor moest geven aan de majesteitelijke wens een ambassade in Jordanië te openen. Er is geen twijfel aan: 'Beatrix bemoeit zich met vrijwel alle staatszaken.’ Onze 'ijskoningin’ heeft 'een eigen ministerie ingericht, met driehonderd ambtenaren, die wel degelijk een politiek invloedrijke macht vormen’.
Na afloop gaf ik Schoo een welgemeend compliment over de wijze waarop hij de hofdignitarissen onder zijn gehoor had getrotseerd. 'Maar ik bén republikein!’ sprak Schoo.
ZIJ HINNIKT
De republikeinse gedachte is niet meer exclusief voorbehouden aan een splintergroepje halfgare ex-PSP'ers. De tegenstanders van de monarchie zitten inmiddels op invloedrijkere posten dan Paleis Noordeinde lief zal zijn. Laat ik mij concentreren op het Reed-Elsevier-concern. Het is een, vanuit een koningsgezinde optiek, dramatisch gegeven dat niet minder dan vier ex-commissarissen of ex-president-commissarissen tot de oprichters van het Republikeins Genootschap behoren: R.J. Nelissen, A. Schuitemaker, P. Vinken en L. van Vollenhoven. Plus André Spoor en Ben Knapen, hoofdredacteur van NRC Handelsblad, toen deze krant nog tot het Elsevier-concern behoorde. Men voege hierbij Elseviers sterinterviewer Hugo Camps, corresponderend lid voor België vanwege het Republikeins Genootschap, plus aspirant-lid Pim Fortuyn, Schoo’s stercolumnist. Fortuyn schreef twee weken geleden een bijdrage over de hysterie rond onze Argentijnse aspirant-koningin. Daarin was sprake van 'irrationele gekte’, die bewees 'dat het koningshuis een instituut is uit een voorbije tijd’. Als het om het koningshuis gaat, constateerde Fortuyn, was de ratio ver te zoeken, zowel bij het volk als bij de elite. 'Een elite die zich vrijwel zonder uitzondering slaafs en serviel gedraagt als het gaat om het Koninklijk Huis in het algemeen en de majesteit inzonderheid.’ Vandaar zijn suggestie om 'met de abdicatie van Beatrix het koningshuis af te schaffen’.
Het is krachtige taal die onder Schoo’s voorgangers, H.A. Lunshof en Ferry Hoogendijk, tot een ware paleisrevolutie zou hebben geleid.
De ware vrienden van de koningin zitten niet bij Elsevier maar bij Vrij Nederland, het eens ongebreideld republikeinse weekblad, dat een paar jaar geleden een kritiekloos portret van haar publiceerde. Zij is onfeilbaar als de paus, constateerde men aan de Raamgracht, zij is de president-commissaris van de BV Nederland en er is in feite maar één ding op haar aan te merken: 'Zij hinnikt als zij lacht.’
WEE DE ONDERDAAN!
De auteur van het boek, Remco Meijer, is sinds enige jaren Elseviers correspondent ten paleize.
Hij is geen lakei, integendeel, zijn schets van de koninklijke huishouding is tamelijk onthutsend. Moge Beatrix in haar openbare optreden nog tot enige constitutionele gematigdheid zijn gedwongen, binnen de muren van paleis Noordeinde regeert zij als een totalitair vorst, in een minirijkje zonder medezeggenschap, democratie en vrijheid van meningsuiting. Wee de onderdaan die in ongenade valt! Die kan dezelfde dag nog zijn biezen pakken.
Op haar beurt is Beatrix, anders dan haar vader, zo analyseert de schrijver, géén automatisch verlengstuk van het bedrijfsleven. Koninklijke bezoeken worden, zoals men weet, over het algemeen gekoppeld aan handelsmissies, waarbij de koningin - de Lockheed-affaire gedachtig - weigert als 'koninklijke smeerolie’ te dienen. De heren ondernemers regelen hun zaakjes maar zelf, meent zij. 'Politiek gekozen staatshoofden gaan veel onbeschaamder de boer op met hun topmannen uit het bedrijfsleven’, constateert Meijer. 'Het hebben van een koningin is alleen een voorsprong als je het voordeel ook ten volle benut, vinden de ondernemers. Zij wijzen erop dat ook sommige buitenlandse monarchieën, zoals de Zweden en de Belgen, veel minder terughoudend zijn in de koppeling van staatsbelang en bedrijfsbelang.’ Het is een van de centrale passages in het boek, die verklaart waarom een belangrijke stroming in handeldrijvend Nederland meent veel meer baat te hebben bij een republiek dan bij een monarchie.
Zal het onder koning Willem IV anders gaan? Nee, daarvoor is die jongen veel te verstandig door zijn strenge moeder opgevoed. Ook hij pleegt zich tijdens staatsbezoeken terughoudend op te stellen en het is geen toeval dat het aanstaande staatshoofd een ongevaarlijk specialisme als het 'watermanagement’ heeft gekozen.
EEN ATOOMGRANAAT
Na afloop kregen wij de gebruikelijke bitterballen, weg te spoelen met een glaasje receptiewijn.
Kijk, daar is mijn vriend en geestverwant Hugo Camps! Hij heeft recentelijk ten overstaan van de tv-camera een paar kritische woorden gesproken over de wijze waarop koningin-in-hope Maxima ten behoeve van het 'oranjehongerige volk’ als 'een atoomgranaat’ tot ontploffing is gebracht. Een dergelijke formulering is in het Nederland anno 1999 nog steeds niet vrij van risico. 'Toen ik even later bij een benzinepomp tankte riep een vent, volledig buiten zinnen: “Vuile Belg! Wat doe je hier!”(’
Ulli Jesserun d'Oliveira, collega-republikein en docent internationaal recht, memoreerde het gesprek dat hij onlangs met Beatrix heeft gehad. Het was bij de uitreiking van de Grote Prijs der Nederlandse Letteren. De vorstin was zich al te goed bewust van het belang van de moedertaal. Zij is immers, tijdens de oorlog, op Engelstalig grondgebied opgegroeid en heeft zich pas op latere leeftijd het Nederlands eigen gemaakt.
D'Oliveira: ’(“Ja, ik weet het”, zei ik, “en bovendien hebt u eigenlijk nog steeds de Engelse nationaliteit.” Dat viel niet in goede aarde. “Dat zijn alleen maar praatjes in de pers”, antwoordde de Majesteit, tamelijk bits. Het feit dat ik vervolgens vertelde dat niet de pers, maar ik dit feit heb achterhaald maakte het er niet veel beter op. Ik probeerde nog wat vriendelijks te zeggen, maar zij had mij inmiddels haar Koninklijke Rug toegekeerd.’
In de deuropening wachtte ik, in het gezelschap van twee Elsevier-collega’s, op een taxi. 'De mijne is groter dan de jouwe’, sprak de een. Toen ik nog klein en onschuldig was ging zoiets over onze jongenspikkies. Nu betrof het de wederzijdse zaktelefoons.