Film: Elvis & Nixon

Elvis in het Oval Office

Medium film
Michael Shannon in Elvis & Nixon, regie Liza Johnson © September Film Distribution

Elvis & Nixon, een slap gemaakte, slecht geacteerde film, legt onbedoeld de giftige relatie tussen vermaak en politiek bloot die zo evident is in de huidige tijdgeest. Het uitgangspunt van het verhaal past naadloos in het post-waarheid-tijdperk, namelijk het incident in december 1970 toen Elvis Presley hoogstpersoonlijk bij de ingang van het Witte Huis stond met het verzoek de president te spreken. Elvis had namelijk zijn zinnen erop gezet een agent van de federale narcoticadienst dea te worden. Niet als publiciteitsstunt, maar voor het echt. De popster had genoeg van de destructieve effecten van de counter culture; volgens hem was het tijd dat Amerika weer great werd gemaakt. En wie beter om dat voor elkaar te krijgen dan de King.

‘Echt’ is relatief in deze film. Nooit zien we hoe Elvis echt denkt over de stormachtige ontwikkelingen die de Amerikaanse politiek en cultuur in die tijd teisterden. De burgerrechtenbeweging, Woodstock, Vietnam – in Graceland kijkt Elvis ernaar op drie televisieschermen tegelijk en wordt zo boos dat hij zijn pistool trekt en ze kapotschiet. De implicatie hiervan is kennelijk dat hij terugverlangt naar de conservatieve, naoorlogse normen en waarden die zo nadrukkelijk tot uiting komen in de stroom films vol vrolijkheid en fantasy die hij in de jaren vijftig en zestig maakte (Fun in Acapulco, Girls! Girls! Girls!, Follow That Dream). Dat hij daarom besluit naar Washington te reizen om eens flink met de president te gaan overleggen is even onwaarschijnlijk als het idee dat zijn filmwerk of zijn muziek ook maar iets met de werkelijkheid te maken heeft.

De president is natuurlijk Richard Milhous Nixon, een realist met nauwelijks een gevoel voor humor, maar in ieder geval iemand die zou openstaan voor de punten die Elvis wil ‘aankaarten’. De ontmoeting vond uiteindelijk plaats. In het echt. De foto die in het Oval Office werd gemaakt, is blijkbaar de ‘meest opgevraagde’ foto van het Nationale Archief in Washington.

De uitstekende acteur Michael Shannon speelt Elvis alsof hij even een klus tussendoor klaart: zo slecht, dat ik tijdens het schrijven van dit stuk zit te twijfelen of het in werkelijkheid niet zo bedoeld was. Dat zou betekenen dat Shannon met zijn slaapwandelende Elvis een of ander diep statement wil maken over de perversiteit van de vervlechting van vermaak en politiek in het Amerikaanse publieke leven. Maar zo slim is deze film nooit. Ook hebben we Kevin Spacey als Nixon: zo mogelijk nog slechter dan Shannon. Hij acteert alsof hij als grap een Nixon-imitatie voor een paar vrienden doet.

Dat feit en fictie in toenemende mate niet van elkaar vallen te onderscheiden is duidelijk dankzij de televisieseries House of Cards en Veep die even dramatisch zijn als de dagelijkse actualiteiten in en om het Witte Huis. Maar dit idee is aanzienlijk minder ‘grappig’ of boeiend dan een paar jaar geleden. Elvis & Nixon is daarom een pijnlijk anachronisme. Misschien valt hier een les te leren: wanneer vermaak zo’n belangrijk deel van het leven is, verwordt de echte wereld tot niets meer dan een verzameling schaduwbeelden. Inmiddels is duidelijk hoezeer deze situatie een vruchtbare voedingsbodem vormt voor de komst van een entertainer-in-chief.


Te zien vanaf 17 augustus