Elvis in oibibio

HOE GROOT een reputatie ook is, de eerste dingen die je van iemand hoort, ziet of leest, kunnen je oordeel soms heel lang bepalen. Neem Elvis Presley. Wat ik het eerst zag, waren een paar van zijn films uit begin jaren zestig. Elvis die in Hawaii van een rots dook, Elvis als jolige soldaat. Hij zong een paar mierzoete liedjes en krulde zijn lip omhoog, terwijl het verhaaltje in veel te vrolijke kleuren naar zijn voorspelbare ontknoping strompelde. Hij kreeg het meisje, maar een goede start kon je het niet noemen.

Ook later zaten er nog een paar dingen stevig in de weg: die belachelijke trappelpakjes die hem in mijn ogen dezelfde uitstraling gaven als, pakweg, de Kermisklanten, terwijl hij toch al de omvang van een draaimolen had; die metershoge stellages met zijn naam erop, kortom: Las Vegas. En dan heb ik het nog niet eens over de verering. Duizenden mensen die naar Graceland trokken, het suikertaartpaleis van The King; de plaatjes van Elvis uitgedost als Jezus Christus en, o ja, volgens sommige gelovigen lééfde hij nog. Zijn fans leken me geen mensen om bij te willen horen. De omslag kwam eigenlijk pas toen ik een jaar of negentien was. Een goede vriend zette in zijn studentenkamer een plaat op, en ik keek verbaasd. Elvis?! Hij was toch geen veertiger met een vetkuif? Gek was die vriend ook niet, wist ik, en tussen de rest van zijn platencollectie stonden zoveel van mijn eigen favorieten dat ik eens goed naar Presley ging luisteren. Het zat mee. Het eerste nummer was ‘That’s Alright’, gevolgd door 'Hound Dog’ en 'Heartbreak Hotel’, en ik was verkocht. Wat het precies was, wist ik niet, maar het had iets te maken met passie, met puurheid, met die stem. WAS MIJN LIEFDE voor Elvis dus al een late roeping, hij ontwaakte pas goed toen ik Last Train to Memphis las. In dat boek uit 1994 (!) 'behandelde’ Peter Guralnick wat hij zelf 'the rise of Elvis Presley’ noemde - de periode van zijn geboorte tot het moment dat hij in 1958 op de top van zijn roem in dienst ging - en het was om diverse redenen bijzonder. Dat Guralnick buitengewoon grondig research had gepleegd was één ding, maar dat mag je van elke biograaf verwachten. Het ging om zijn manier van kijken. Hij schreef niet als een hysterische fan of iemand die nog een appeltje met zijn onderwerp te schillen had (zie Elvis van Albert Goldman). Hij was wezenlijk geïnteresseerd in de muziek - de beschrijvingen van opnamesessies en optredens zijn deskundig, maar vooral liefdevol en levendig - en in de persoon in plaats van de icoon. Elvis kwam uit zijn verhaal naar voren als een 'gewone’ jongen uit Tupelo die opgroeide in een arm gezin en geïsoleerd droomde over optreden, platen maken en beroemd worden. Dat dat ging lukken wist je bij het lezen natuurlijk, maar omdat Elvis hier nu eindelijk eens iemand was waarmee je je kon identificeren, was je toch blij toen het gebeurde. Net zoals je blij was om te weten hoe het nummer 'Heartbreak Hotel’ is ontstaan. Het begon gewoon met een berichtje in de krant; een zelfmoordenaar die in zijn afscheidsbriefje schreef: 'I walk a lonely street’. Dat was 1994, maar terwijl Last train to Memphis in de winkels lag en de New York Times het 'een triomf van biografische kunst’ noemde, was de schrijver alweer bezig aan het volgende boek. Het volgende deel, om precies te zijn, want nu hij het mooie, romantische verhaal van de express-trein naar het succes had verteld, zette Guralnick zich aan een op het eerste gezicht heel wat minder aanlokkelijke taak: het beschrijven van de laatste negentien jaar van Presleys leven. Van zijn terugkeer uit het Duitse Neubaden, waar hij als soldaat gelegerd was, tot zijn ontluisterende einde, in een plee van Graceland, met zijn pyjamabroek op zijn enkels en zijn gezicht in zijn eigen kots. De zondeval van een niet zo jonge god. Nu, vier jaar later, is dat boek er. Het heet Careless Love, en Guralnick begint de inleiding zo: 'Dit is een verhaal van roem. Het is een verhaal van beroemdheid en de gevolgen daarvan. Het is, vind ik, een tragedie, en net zomin de plaats voor morele oordelen achteraf als elk ander biografisch werk (…) Niet dat een moreel oordeel verkeerd is, het is gewoon zo dat het niet thuishoort in de beschrijving van een leven.’ Over Elvis is al zo veel gezegd en geschreven, er zijn zo veel oordelen gegeven en zo veel meer of minder pikante details onthuld dat het inmiddels nauwelijks nog mogelijk is om door alle bomen van de mythe 'Elvis’ het bos Elvis Aron Presley te zien. En dat is wat Guralnick uiteraard ook bij dit tweede deel wilde doen: zo veel mogelijk bomen weghakken om uiteindelijk de man te zien staan in de open plek die overbleef. Maar of je alle getuigenissen die de biograaf voor zijn verhaal gebruikt nu zo veel mogelijk met open vizier tegemoet wil treden ('Er zijn in dit verhaal geen schurken’, schrijft hij zelfs ergens) of niet, veel vrolijker wordt het verhaal er niet van. En de schurken worden ook maar een beetje minder schurkachtig. IRONISCH GENOEG begint het verhaal ongeveer waar mijn vooroordelen ooit begonnen. Niet meteen natuurlijk. Eerst lezen we nog dat Elvis een 'good soldier’ was, hoe hij groots werd onthaald bij zijn terugkeer naar Amerika, hoe hij door Frank Sinatra zelve een welkomstcadeautje krijgt in de vorm van een legendarisch tv-duet en hoe hij met groot succes optrad en zijn eerste plaatopnames maakte. Maar toen ging het toch mis. Zijn manager, de mysterieuze Nederlandse ex-kermisklant Dries Van Kuijk, alias Colonel Tom Parker, had nadat hij eerst twee jaar lang de naam van zijn 'jongen’ in de krantekoppen had weten te houden, namelijk de ideale manier gevonden om geld te verdienen: tienerfilms. Het idee was simpel. Elvis zou de hoofdrol spelen in een lange reeks films (als best betaalde acteur van Hollywood) en zou verder alleen nog soundtracks maken met de liedjes waar hij om de tien minuten in uitbarstte. De film zou de soundtrack verkopen of andersom. Een dollarfuik waar je u tegen zei. Maar helaas voor Elvis bleek dat al gauw ook het enige dat het was. Want had hij zelf in het begin nog de ambitie om een serieuze acteur te worden, om hem heen was niemand daarin geïnteresseerd. Niet de beroerde scriptschrijvers en dito regisseurs en casts, niet het publiek en nog het minst van allen surrogaatvader en 'talisman’ Parker. De films hoefden geen Oscars te winnen, zei hij: 'Ze zijn alleen goed om geld mee te verdienen.’ Het was een pijnlijke constatering voor Elvis, en dus vluchtte hij. Bijna tien jaar lang verbleef hij in zijn miniatuurwereldje op Graceland, waar hij een groep 'oude jeugdvrienden’ (lees, ondanks Guralnicks geen-schurken-regel: schaamteloze profiteurs) om zich heen verzamelde en waar hij een bizar leven leidde. In dat leven werd de hoofdrol eigenlijk niet door hem gespeeld, maar onder anderen door vrouwen die zijn vijftienjarige middelbareschoolvriendinnetje of zijn moeder moesten spelen. Met bakken vol eten, een huis-chimpansee en vooral potten vol peppillen, amfetamine, dexadrine, codeïne en andere middelen die hij hardnekkig medicijnen bleef noemen en die hij zéker geen drugs noemde. Guralnick schrijft het allemaal op. Schrijnend nauwkeurig en vrijwel zonder expliciet commentaar. Honderden pagina’s vol deerniswekkende Hollywood-leegte en zo nu en dan dolkomische passages, hoe tragisch ook. Een goed voorbeeld van het laatste is de episode vanaf april '64 die we rustig Elvis’ Oibibio-jaren kunnen noemen. Geheel in de geest van de jaren zestig op zoek naar 'zichzelf’, ontmoette Elvis de jetset-kapper Larry Geller, die bij het knippen van zijn haar geleidelijk aan zijn goeroe werd. Hij gaf hem The Impersonal Life, The Autobiography of Yogi en andere Ronald-Jan-Heijn-boeken te lezen, en Presley smulde ervan. Iedereen in zijn omgeving werd gedwongen mee te lezen, en hij ging zelfs zo in zijn nieuwe religie op dat zich een jaar later de volgende volstrekt bizarre scène kon voltrekken. Boven de woestijn van Amarillo zag hij een wolk. Een wolk met het gezicht van Stalin om precies te zijn. Geller vertelt: ’(“Het is God” schreeuwde hij. “Het is God!” … Tranen stroomden van zijn gezicht en hij omarmde me stevig en zei: “Ik dank je uit de grond van mijn hart. Door jou ben ik hier gekomen. Ik zal je nooit vergeten, man. Het is echt gebeurd. Ik zag het gezicht van Stalin en ik dacht bij mezelf: waarom Stalin? Is het een spiegeling van iets in mij? Probeert God me te laten zien wat hij van me vindt? En toen gebeurde het! Het gezicht van Stalin veranderde in het gezicht van Jezus en hij lachte naar me”.’ Dat hij bezoeken bracht aan een 'zelfrealisatie-centrum’ en dacht dat hij grassproeiers aan kon zetten met zijn gedachten, zal hierna nauwelijks verbazing wekken. PAS ECHT verbazingwekkend waren die paar maanden in '68 en '69, toen de fans, of in ieder geval het jeugdige publiek, allang massaal gevallen waren voor Bob Dylan of The Beatles en Elvis een held uit het verleden dreigde te worden. Tijd om in te grijpen dus, en dat is precies wat er werd gedaan. Eerst door de Kolonel, die een kerstspecial regelde bij tv-zender NBC. Maar toen dat eenmaal gebeurd was, nam de King zelf voor het eerst in tijden het heft weer in handen. Niks achttien kerstliedjes en een smoking! Samen met producer Bob Finkel en regisseur Steve Binder maakte hij een plan waarin hij weer kon laten zien wie hij was voor al die B-films, de echte Elvis. Hoe goed dat lukte is ook op cd te horen. Niet op de officiële soundtrack, waarin zoveel is versneden dat van de oorspronkelijke sfeer nauwelijks iets is overgebleven, maar op de onlangs verschenen, monumentale dubbel-cd Memories, the'68comebackspecial. De eerste cd is al prachtig. Elvis die bijgestaan door een uitgebreid orkest weer zingt of zijn leven ervan afhangt. Misschien was dat wel zo. In ieder geval schakelt hij net zo makkelijk over van een elektrisch geladen uitvoering van 'Hound Dog’ op een ballad als 'Love me Tender’ of een indrukwekkende gospelmedley. 'It’s been a long time’, verzucht hij. Dat gold ook voor de mensen met wie hij de zogenaamde 'informal session’ opnam die op de tweede cd staat. Gitarist Scotty Moore, drummer D.J. Fontana, Charlie Hodge, kortom, de mensen met wie hij had gespeeld voor alle onzin begon. Ze willen het publiek een idee geven van hoe hij klonk toen hij pas begon, vertelt Elvis, 'in 1912, eh 1956’. Het is een zelfspot die hij zich nu weer kon veroorloven, want hij laat in het optreden horen dat hij beter is dan ooit. De rauwe stem is er nog en nu het plezier terug is, is de magie er ook. The Beatles of 'The Beards’, hij kan ze allemaal hebben. Het was een glorieus moment, en het is meteen ook een van de weinige keren dat biograaf Guralnick zich even laat gaan. Hij wijdt er een heel hoofdstuk aan en vertelt er (voor het eerst in Careless Love) een persoonlijk verhaal over. Hoe hij voor de uitzending van de show - waarover hij een recensie moest schrijven - eindeloos staarde naar de hoes van de soundtrack, die hij wel in huis had, maar nog niet wilde draaien. Dan zou de spanning eraf zijn. En het wachten werd dus beloond: 'Het was niet te vergelijken met iets wat ik ooit eerder op televisie had gezien, afgezien van Howlin’ Wolf’s optreden in Shining, het was tegelijkertijd een openbaring én een rechtvaardiging (het was in 1968 zeker niet cool om van Elvis te houden, en zijn wederopstanding was even onwaarschijnlijk als Wolf’s optreden op de landelijke tv). Ik weet niet of ik kan uitdrukken wat een opwindend moment het was - en, hoezeer het optreden door de jaren heen ook overeind is gebleven, ik denk niet dat het ooit nog zo opwindend kan zijn als toen.’ OPWINDENDER ZOU het in het leven van Elvis ook niet meer worden. Hij maakte in de maanden daarna nog een paar mooie plaatopnames en begon vol enthousiasme aan een reeks concerten in Las Vegas, maar juist daar stortte hij weer in. Verveling was waarschijnlijk het trefwoord van de jaren zeventig. Elvis had zich bewezen en moest nu weer op veilig spelen, en daar wordt een mens niet energiek van. Elvis zwol door vreetbuien en druggebruik op als een luchtkussen en zijn optredens werden almaar triestere kermishoogmissen voor het imago waar hij in was verdronken. De glitterpakken, het megalomane 'Also Sprach Zarathustra’ bij opkomst, het maakte niet uit wat hij deed. De mensen kwamen wel, en dus kon het hem ook niet meer schelen. Hij gaf op. Het is het verhaal van zeven jaar in een alinea samengevat, maar zo doet Guralnick het natuurlijk niet. Hij beschrijft het ruim driehonderd pagina’s lang met het gebruikelijke respect en zo 'objectief’ dat de dodelijke repetitie ook bij het lezen voelbaar wordt. Het is morbide, maar je leeft zelf even op als Elvis zo onnavolgbaar doordraait dat hij volstrekt onbegrijpelijke briefjes aan de president begint te schrijven: 'Dear mister President. Ik wil me eerst graag voorstellen. Ik ben Elvis Presley en ik bewonder u en Heb Groot Respect voor uw ambt. (…) De Drugs Cultuur, de Hippie Elementen, de SDS, Black Panthers, etc., beschouwen mij niet als de vijand of zoals zij het noemen het Establishment. Ik noem het America en ik hou ervan.’ In het vervolg schrijft hij dat hij 'een grondige studie’ heeft gemaakt van drugsmisbruik (!) en 'Communistische Hersenspoelingstechieken’, en natuurlijk graag zijn steentje bij zou dragen aan het bestrijden van die kwaden. Dat zou wel een stuk makkelijker gaan als hij officieel Federal Officer zou worden. Hij ontmoette de president en kreeg zijn penning, maar het maakte niet meer uit. Hij deed er niets mee, zoals hij überhaupt niets meer deed, tot zijn dood op 16 augustus 1977. Al met al is Careless Love geen boek dat je met onverdeeld genoegen leest. Het is soms net zo verstikkend als de jaren die het beschrijft en je hebt de neiging om tegen Guralnick te schreeuwen: 'Geef nu eindelijk eens dat ellendige respect op!’ Maar toch is het het tweede deel van een geweldig werk. De 'definitieve biografie’. In het eerste deel maakt de biograaf een mens van de icoon ELVIS, en in het tweede laat hij zien hoe hij langzaam in zijn eigen mythe verdwijnt. Elvis ís niet meer te begrijpen omdat hij zelf ook het gevoel kreeg dat hij niet van deze wereld was. De man die de biograaf op de open plek in het bos had willen vinden, was jaren voor zijn dood al verdwenen. Dat is een pijnlijke conclusie, maar het geeft vreemd genoeg nog meer glans aan die special uit '68. Het maakt het tot een heldere ster in een inktzwarte hemel.