Elvis herleeft 25 jaar na zijn dood

Elvis Presley en de Amerikaanse tragedie

De koning is terug. Vijfentwintig jaar na zijn dood heerst Elvis weer over de hitlijsten. Waar de ene Hollander — kolonel Tom Parker — hem bijna vernietigde, bracht de andere — Junkie XL — hem weer aan de top.

Op 21 december 1970 meldde zich bij de ingang van het Witte Huis een man met een paars satijnen pak, bijpassende cape, een grote zonnebril en een met chroom belegde Colt uit de Tweede Wereldoorlog op zak. Elvis Presley kwam op bezoek bij president Nixon, met als doel zijn zorgen te uiten over het anti-Amerikanisme binnen de hippiebeweging en de president zijn diensten aan te bieden in zijn strijd tegen dit gevaar, zoals te lezen stond in de brief die Elvis ’s ochtends vroeg aan de verbijsterde poortwacht van het Witte Huis had overhandigd.

«Dear mr. President», zo begon de brief aan Nixon. «Laat me mezelf eerst voorstellen. Ik ben Elvis Presley en ik ben een groot bewonderaar van u en uw regering. Drie weken geleden sprak ik met vice-president Agnew in Palm Springs waarbij ik hem mijn zorgen over dit land kenbaar maakte. De drugscultuur, de hippie-elementen, de Zwarte Panters etc. beschouwen me niet als hun vijand of als Het Establishment zoals ze dat noemen. Ik noem het Amerika en I love it. Ik bied u mijn diensten aan voor dit land… ik ben niet uit op een titel of een benoeming, maar ik zou beter kunnen helpen als ik federale agent in buitengewone dienst kon worden. Via mijn contacten met mensen van alle leeftijden zou ik zeker van nut zijn. In de eerste plaats ben ik een entertainer, al wat ik nodig heb zijn federale credentials.»

Elvis verzocht de president om een korte audiëntie teneinde elkaar beter te leren kennen. Nixons chief of staff Bob Haldeman dacht aanvankelijk dat het een grap was, maar stemde uiteindelijk wel in met het bezoek. Nixon kampte met een gapende generatiekloof en kon alle hulp gebruiken die hij krijgen kon, zeker uit de popindustrie.

De metgezellen van de zanger waren er niet erg gerust op. Elvis was niet in goeden doen in die dagen. Hij was 35 jaar en ten prooi gevallen aan een diepe existentiële crisis, die hij eerst naar beproefd recept had proberen te verdrijven met een rondje gun shopping (een dag voor de ontmoeting met Nixon sloeg Elvis voor twintigduizend dollar aan wapentuig in). Een dag eerder had Elvis, uiterst geagiteerd en rusteloos, het eerste het beste vliegtuig uit Memphis genomen. De bestemming bleek Washington. Aan boord van het vliegtuig ontmoette hij een senator en had hij opeens het idee opgevat de verdrukte president te hulp te schieten. Niemand kon voorspellen wat Elvis voor de president in petto had.

Die dag liep Elvis om 13.30 uur door de gangen van het Witte Huis. Nadat hij eerst de revolver die hij als presentje voor de president had bedoeld, had moeten inleveren bij de security, liep hij verwonderd om zich heen kijkend over de met Amerikaanse adelaars bedekte vloer naar de Oval Office. Volgde een wat ongemakkelijke kennismaking, waarbij de president volgens een bewaard gebleven memo van de staf van het Witte Huis opmerkte dat het belangrijk was dat Elvis als idool van de jeugd zijn geloofwaardigheid zou behouden. Elvis begon de president ongevraagd zijn opinie te geven over de Beatles, die volgens hem het middelpunt vormden van anti-Amerikanisme. «Ze zijn naar dit land gekomen, hebben hun geld gemaakt, zijn teruggegaan naar Engeland waar ze nu het anti-Amerikanisme voeden.» De president, aldus het memo, had «instemmend geknikt en tevens uiting gegeven aan enige verbazing».

«Presley gaf de president op zeer emotionele wijze te kennen dat hij ‹aan uw kant staat›», zo bericht het memo verder. «Presley bleef herhalen dat hij wilde helpen, dat hij de eerbied voor de vlag wilde herstellen, die volgens hem verloren was gegaan. Hij liet weten slechts een arme jongen uit Tennessee te zijn die een hoop aan dit land heeft te danken, waarvoor hij op een of andere manier wil terugbetalen. Hij merkte ook op sedert al meer dan tien jaar een studie te maken naar communistische hersenspoeltechnieken, als ook naar de drugscultuur. Hij zei daaromtrent veel te weten en dat hij werd vertrouwd door de hippies. Hij zei dat hij zich binnen elke willekeurige groep jonge mensen of hippies kon bewegen en zou worden geaccepteerd en dat dit wellicht van nut zou kunnen zijn in de strijd tegen de drugs. De president wees Elvis nogmaals op het belang zijn geloofwaardigheid te behouden.»

Elvis kreeg zijn felbegeerde badge van het Federal Bureau of Narcotics and Dangerous Drugs. Terug in Memphis trok hij er volgens zijn biograaf Albert Goldman in zijn schandaalkroniek Elvis (1981) vaak ’s nachts op uit om busjes met hippies klem te rijden, zwaaiend met de speciale badge van de president. Dit laatste gegeven ontbreekt in Careless Love: The Unmaking of Elvis Presley, het drie jaar geleden verschenen tweede en laatste deel van de monumentale Elvis-biografie van Peter Guralnick, die het bovenstaande memo van Nixons secretariaat aangaande het bezoek van Elvis Presley aan de vergetelheid ontrukte.

Guralnicks boek behandelt het leven van de King vanaf het moment dat hij in 1958 werd ingelijfd bij het Amerikaanse leger in Duitsland tot aan zijn tragische dood in zijn privé-paleis Graceland op 16 augustus 1977. Over de periode die daaraan voorafging — de absolute gloriejaren van Elvis Presley — publiceerde Guralnick eerder het al even monumentale Last Train to Memphis.

In Careless Love wordt het volle drama van het leven van Elvis Presley als nooit tevoren inzichtelijk gemaakt. De kracht van Guralnick is dat hij, anders dan zijn voorganger Albert Goldman — die een pathologische haat cultiveerde tegen alles wat met de «late Elvis» (dat wil zeggen de Elvis van de jaren zeventig, van de witte showpakken in Las Vegas) te maken had — het leven van Elvis altijd met compassie schildert. De val van Elvis doet hem beduidend meer pijn dan collega-biograaf Goldman, die vooral leek gedreven door de nodige lustgevoelens aangaande de fatale implosie van de moddervette, door pep- en slaappillen aangetaste koning van de rock ’n’ roll in Las Vegas. Goldman zou later in een even honend geschreven biografie van John Lennon dat recept herhalen. Net als Elvis voerde Goldman de ex-Beatle ten tonele als een door drank en drugs gevormde karikatuur van zichzelf, ten prooi gevallen aan zelfoverschatting, een deerniswekkend slachtoffer van de eigen roem.

Guralnick, die zich nadrukkelijk presenteert als een bewonderaar van Elvis, heeft veel meer oog voor de grote artistieke prestaties die Elvis op latere leeftijd neerzette, en is ook geneigd veel milder te oordelen over de jaren van isolement en decadentie die Goldman de Elvis van de jaren zeventig zo onbarmhartig aanrekent. Hij heeft veel meer oog voor de tegenstrijdigheden in het leven van Elvis. Bovendien schrijft hij met aanzienlijk meer kennis van de feiten over de zelfvernietiging waaraan de populairste artiest aller tijden ten prooi viel.

Ontegenzeggelijk markeerde Presleys legendarische bezoek aan Nixon een breuk met de jeugdcultuur. Elvis distantieerde zich nadrukkelijk van alles wat juist door hem tot stand was gekomen. Vijf jaar eerder had Elvis de Fab Four uit Liverpool nog op audiëntie gehad in Hollywood, en daarbij had hij in elk geval geen blijk gegeven van speciale antipathie jegens John, Paul, George en Ringo. Alleen in het begin was de ontmoeting wat stroef. De Beatles bleven de King zo lang zwijgend aanstaren dat hij had gezegd: «If you boys have got nothing to say I might as well go to bed.» Met Lennon bleek Elvis een voorliefde voor Peter Sellers te delen (Elvis was gek op dr. Strangelove) en Lennon riep bij het afscheid ook nog «Long live ze King!» Presley had ook nummers van de Beatles op het repertoire.

De grote psychedelische revolutie van het hippiedom was hem anno 1970 kennelijk opeens een brug te ver, maar eigenlijk was Elvis een hippie avant la lettre. Al in 1960, zo schrijft Peter Guralnick, las Elvis boeken als De geheime leer en De stem van de stilte van H.P. Blavatsky, Cosmic Consciousness van Richard Maurice Buck, Krishnamurti’s Vrijheid van het bekende, Nikolaas Roerichs Flame in Chalice en Het Tibetaanse dodenboek. Het had het leeslijstje van een willekeurige beatnik of hippie kunnen zijn.

Elvis las veel, en intens, zo schrijft Guralnick. Boeken als The Autobiography of a Yogi van Paramahansa Yogananda, Krishnamurti’s First and Last Freedom, dozijnen boeken over numerologie, kosmologie en metafysica. De boeken kreeg hij van zijn kapper, Larry Geller uit New York, die Elvis inwijdde in het bestaan van de oosterse meesters. «Wie zijn de meesters, verdomme?» zou Elvis zich hebben afgevraagd. Priscilla Presley schrijft in haar biografie Mijn leven met Elvis: «Elvis ontdekte dat er naast Jezus Christus nog heel wat meer leermeesters waren. Boeddha bijvoorbeeld, Mohammed, Mozes en vele anderen, allemaal ‹door God gekozen om een doel te dienen›. Plotseling kwam dat deel van zijn persoonlijkheid naar voren dat hunkerde naar antwoorden op alle fundamentele levensvragen. Dan vroeg hij aan Larry waarom juist hij, van alle mensen ter wereld, was uitverkoren om zoveel miljoenen zielen te raken. En hoe kon hij vanuit die unieke positie iets bijdragen om de wereld te redden waar zoveel honger, ziekte en armoede heersten? Waarom was er eigenlijk zoveel menselijk lijden? En waarom voelde hij zich niet gelukkig, ook al had hij meer dan iemand nodig heeft? Hij had het gevoel dat hij iets miste in het leven. Hij hoopte met behulp van Larry het pad te vinden dat hem naar de antwoorden zou leiden. Hij verlangde van ons allemaal — en met name van mij — dat we alle wijsheid zouden indrinken die hijzelf tot zich nam.»

Volgens Larry Geller las Elvis een boek per dag. «Het volstond niet om een boek alleen maar te lezen; hij moest het absorberen, het overdenken, eraan twijfelen, het in verbinding brengen met gedachtes en ideeën die hij eerder had gehoord. Voor Elvis was lezen geen passieve activiteit; ieder boek beloofde een nieuw avontuur, een nieuwe manier van kijken naar de dingen. ‹We moeten onze verlangens beheersen›, vertelde Elvis aan zijn vrouw, ‹zodat die ons niet beheersen.›»

Onder invloed van zijn joodse goeroe Geller liet Elvis een persoonlijk zegel vervaardigen waarin de davidster en het kruis in elkaar overgingen. Vader Vernon Presley, niet vrij van antisemitische smetten, was er niet blij mee. Later onderzoek wees overigens uit dat Elvis’ overgrootmoeder Martha Tacket van joodse komaf was, terwijl hij ook Afro-Amerikaans bloed zou hebben en verwant zou zijn aan talkshowkoningin Oprah Winfrey.

Elvis las niet alleen graag psychedelica, hij slikte ze al even graag. Geen lsd zoals de bloemenkinderen van Woodstock, maar wel kilo’s amfetaminen en slaapmiddelen, uppers and downers, die een al even hallucinerende blik op de wereld geven. Elvis slikte al speed vanaf de jaren vijftig, precies zoals Hank Williams ook gedaan had. Gaandeweg de jaren zeventig ontwikkelde hij zich tot een farmacologische junkie die met grote kennis van de medische handboeken zijn eigen drugsmenu samenstelde. Elvis zag de realiteit minstens zo psychedelisch als bekende grootverbruikers als Jimi Hendrix en Jim Morrison.

Het was in Las Vegas dat Elvis begon te schelden op de pers: «I’ll tear their lungs out.» Bewaard gebleven zijn de lange monologen van Elvis op het podium, orerend als een Lenny Bruce uit het zuiden. Zijn altijd creatieve manager wist zelfs daarmee geld te verdienen. In 1972 kwam de officiële plaat Having Fun with Elvis on Stage uit, een compendium van de even hilarische als zorgwekkende speedmonologen van de King («I got something on my lip, hum, it’s Bob Dylan») waarin ook opgenomen de beruchte lachaanval van de King tijdens het ten gehore brengen van Are You Lonesome Tonight (met de improvisatie: «When I gaze at your bold head and wish you had hair»).

De shows van Elvis in Las Vegas hadden een behoorlijk psychedelische inslag. Alleen al het begin, met de dreigende paukenslagen van de ouverture van Also sprach Zarathustra, maakte duidelijk dat er een goddelijk opperwezen in aantocht was, en in wat volgde stond Elvis als een god in zijn eigen show. Het Hilton Hotel in Las Vegas werd in de jaren zeventig een soort kerk waar Elvis jaar in, jaar uit zijn eigen extatische eredienst leidde. Wie de vele opnamen van die concerten beluistert, wordt automatisch overrompeld door de grenzeloze bezieling en het grenzeloze meesterschap die Elvis telkens weer wist te brengen.

De jaren zeventig waren zeker niet de jaren van stilstand, zoals Albert Goldman beweerde. Integendeel, voor het eerst genoot Elvis de creatieve vrijheid om naast zijn hits oude bluesklassiekers en gospels ten gehore te brengen, even goed een deel van zijn muzikale invloed als bijvoorbeeld zanger Mario Lanza.

Elvis was aanvankelijk werkelijk op zijn plaats in Las Vegas. Dat hieraan overwegingen van pragmatische aard ten grondslag lagen — Elvis’ manager «kolonel» Tom Parker genoot onbeperkt krediet aan de goktafels van Las Vegas — deed er niet zo veel toe. Hij voelde dat het de aangewezen plek was om Elvis te zijn. «It’s hard to live up to one’s image», vertelde hij eens. De gokstad in de Amerikaanse woestijn, in het hart van de Amerikaanse Droom, bleek de perfecte plek om dat te doen. Gaandeweg werd hij er natuurlijk ook een gevangene van de miljoenencontracten die zijn Hollandse manager afsloot. Elvis was de best verdienende artiest van zijn tijd, maar ongetwijfeld ging hij tegelijkertijd gebukt onder het lot altijd maar aan een plek te zijn gebonden.

Het blijft een drama dat Elvis uiteindelijk niet vrij over de wereld heeft kunnen zwerven, om zijn zwaar getormenteerde geest («Ik heb nog nooit iemand zo bang om gekwetst te worden gezien als Elvis», zo vertelt een der ingezetenen van Elvis’ hofhouding in Memphis) te kunnen laten waaien en andere wezens te ontmoeten dan een bende jaknikkers en zijn onafscheidelijke seksverslaafde chimpansee Janter. Die culturele ballingschap, die bij uitstek als de Amerikaanse Tragedie kan worden geschetst, leidde ertoe dat Elvis vervreemdde van zijn omgeving.

Maar helaas, reizen, laat staan optreden in het buitenland, was niet mogelijk, en wel omdat zijn manager als Nederlands onderdaan een illegal alien was in de VS en zonder paspoort het land niet uit kon en Elvis er natuurlijk niet alleen op uit wilde laten trekken. Het is een collectieve last die wij Nederlanders als een soort erfzonde tot in lengte van dagen met ons mee zullen moeten torsen. Gelukkig loste Junkie XL, pardon JXL, met zijn moderne bewerking van Elvis’ A Little Less Conversation, iets in van deze nationale ereschuld. Dankzij de Nederlandse deejay ontdekt een nieuwe generatie dat Elvis nog wel degelijk cool is. En anders dan de kolonel verdient hij er naar eigen zeggen geen dollar mee.