De democratie staat wél onder druk

Emancipatie van de borrelpraat

De Tweede Kamer representatiever door de PVV? Meindert Fennema maakt zich kennelijk geen zorgen over de pretenties van het rechtse populisme.

Medium groene bleich

HOE KAN HET VOLK zijn macht tot gelding brengen? Het antwoord ligt in de taal besloten, de Griekse in dit geval: door middel van de democratie. To dèmos betekent het volk, to kratos de macht. Dèmokrateia staat dus voor de macht van het volk. Duidelijk en heerlijk simpel. Maar over de vraag hoe het volk die macht het best kan uitoefenen, zijn de geleerden het nog lang niet eens. In de Griekse stadstaat Athene hadden ze het zo geregeld dat de belangrijkste besluiten werden genomen door de volksvergadering die tien keer per jaar bij elkaar kwam en waaraan alle Atheense burgers konden deelnemen. Een vorm van directe democratie.
Het Atheense model is in de tegenwoordige natiestaten niet toepasbaar. Die zijn te groot om alle stemgerechtigden tien keer per jaar in vergadering bijeen te roepen. Bovendien kon dat ook destijds in Athene alleen omdat meer dan de helft van de bevolking van de politieke besluitvorming was uitgesloten: slaven, vreemdelingen en vrouwen mochten niet meedoen. ‘Het volk’ dat wetten maakte en beslissingen nam, viel maar in beperkte mate samen met de bevolking, slechts een deel van het volk had politieke macht.
De tegenwoordige democratie stamt niet in rechte lijn van de Atheense af, al blijft het een enorm inspirerende gedachte dat zo'n 2400 jaar geleden in die Griekse stad serieus werk werd gemaakt van de beslissingsmacht van burgers. Het zijn veeleer de Amerikaanse Revolutie ('no taxation without representation’) en de Franse Verlichting die aan de wieg hebben gestaan van ons huidige politieke stelsel. De achttiende-eeuwse Franse denker Charles de Montesquieu bedacht met vooruitziende blik een remedie tegen machtsmisbruik: de scheiding tussen wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht. Hoezeer hij daar gelijk in had, zou al meteen tijdens de Franse Revolutie blijken, toen de Jacobijnen hun politieke tegenstanders in groten getale naar de guillotine sleepten, zonder enige behoefte te voelen aan het oordeel van een onafhankelijke rechter. Maar ook in onze tijd blijkt de scheiding der machten allerminst een overbodige luxe. Kort geleden nog aanvaardde de Tweede Kamer een initiatiefwet van Femke Halsema om rechterlijke toetsing van nieuwe wetgeving aan de grondwet mogelijk te maken. Daarentegen lijkt een voorstel van het kabinet-Rutte om wettelijke minimumstraffen in te voeren de onafhankelijkheid van de rechter juist aan banden te willen leggen.

TEGENPOOL van Montesquieu is Jean-Jacques Rousseau, met zijn volonté générale. De moeilijkheid daarbij is dat nauwelijks is vast te stellen wat 'de algemene wil van het volk’ is? In de praktijk zijn uiteenlopende interpretaties van Rousseau’s 'algemene wil’ zichtbaar geworden: een dictatuur van de meerderheid, zoals die zich bijvoorbeeld tijdens de Commune van Parijs of de Münchense Radenrepubliek manifesteerde, of een dictatuur waarin de charismatische leider zegt de volkswil te belichamen (de fascistische dictaturen zijn het meest pregnante voorbeeld, maar ook de dictatuur van Juan Perón in Argentinië hoort tot deze categorie). Als ik met het pistool op de borst zou moeten kiezen, dan maar de Commune of de Radenrepubliek. Maar afgezien van het feit dat dergelijke vormen van directe massademocratie alleen kort en in woelige tijden lijken te kunnen bestaan, zijn ze ook principieel niet wenselijk.
Een dictatuur van de meerderheid schiet te kort vergeleken met een democratie die niet alleen voorziet in besluitvorming door de meerderheid, maar evenzeer het recht op vrije meningsuiting van allen en de bescherming van de rechten van minderheden garandeert. Anders dan bij Rousseau is het uitgangspunt van de democratie, zoals die in de westerse wereld en ook elders (Zuid-Amerika, India) vorm heeft gekregen, dat er niet een algemene volkswil is, maar dat het volk bestaat uit diverse groeperingen met eigen, vaak tegenstrijdige belangen en meningen. De democratie maakt het mogelijk die naar voren te brengen en via besluitvorming door een meerderheid van gekozen volksvertegenwoordigers tot gelding te brengen. Juist via de botsing van belangen en opvattingen komen democratische besluiten tot stand. Met andere woorden: de democratie zal pluriform zijn of ze zal er niet zijn.
Bestaat er ook zo'n onverbrekelijke band tussen democratie en sociale vooruitgang? De Franse verlichtingsdenker Nicolas de Condorcet dacht van wel. In zijn Esquisse d'un tableau historique des progrès de l'esprit humain uit 1794 schetst hij hoe vooruitgang en democratie zullen leiden tot toenemende gelijkheid tussen naties, de afschaffing van klassenverschillen en het scheppen van gelijke kansen. Dat kan volgens Condorcet door middel van vrijhandel, sociale zekerheid voor zieken en bejaarden, het uitbannen van oorlog, gelijke rechten voor vrouwen en bovenal onderwijs voor iedereen. Het is een prachtige, profetische tekst en toch is het niet waar. Democratie valt niet per definitie samen met sociale vooruitgang. Liberalen, christen-democraten of conservatieven zijn niet minder democratisch dan sociaal-democraten en kunnen evengoed verkiezingen winnen. De Nederlandse socialisten waren verbaasd en bitter teleurgesteld toen de invoering van het algemeen kiesrecht in 1917 (en kort daarop het vrouwenkiesrecht) niet hun aan een meerderheid hielp, maar decennialang zorgde voor een stabiele parlementaire overmacht van katholieke en christelijke partijen.
Zonder algemene verkiezingen, gekozen volksvertegenwoordiging (vaak ook president), en besluitvorming bij meerderheid in het parlement is er geen sprake van democratie. Daarover zal iedereen het eens zijn. Er kunnen ook nog aanvullende middelen worden gebruikt om de wil van het volk te peilen, zoals referenda. Waarbij het niet zo is dat het referendum per se als perfectionering van de democratie moet worden beschouwd, het kan zich ook lenen voor manipulatie via de vraagstelling. Een naar het autoritaire neigende staatsman als de Franse president Charles de Gaulle was dol op het referendum.
Om van democratie te kunnen spreken, moet niet alleen aan de formele criteria worden voldaan, ook de geest van liberté en égalité die aan dit politieke stelsel ten grondslag ligt, moet tot zijn recht komen. Zonder persvrijheid, godsdienstvrijheid en vrijheid van organisatie is er hoogstens een soort schijndemocratie (zoals in Poetins Rusland). Even essentieel is het uitgangspunt van de gelijkheid, meestal opgevat als gelijke rechten, gelijke kansen, gelijke behandeling onder gelijke omstandigheden. De liberté en égalité zijn voor het eerst geconcretiseerd in Déclaration des droits de l'homme tijdens de Franse Revolutie en bijna twee eeuwen later verder verfijnd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het Europees Verdrag voor de Mensenrechten. Een democratie die deze rechten niet eerbiedigt, is geen democratie, maar hoogstens een dictatuur van de meerderheid.
Tussen de formele en de materiële grondslagen van de democratie (het democratisch proces en de democratische waarden) kan spanning ontstaan. Dat bleek bijvoorbeeld in de jaren negentig van de afgelopen eeuw in (voormalig) Joegoslavië, waar zowel in Servië als in Kroatië militante nationalisten door vrije verkiezingen aan het bewind waren gekomen. Zowel de partij van Milosevic als die van Tudjman was niet bereid de rechten van anderen dan de eigen bevolkingsgroep te waarborgen, met een rampzalige oorlog als gevolg. De meest recente illustratie van de spanning tussen democratie als proces en democratie als cultuur is zichtbaar in de uitslag van de eerste vrije verkiezingen in Tunesië: grote winst voor de conservatief islamitische Ennahda-partij. Staat dit haaks op de democratie? Dat hoeft niet, dat zou alleen het geval zijn als een door Ennahda gesteunde regering gaat tornen aan de prille vrijheid van meningsuiting of aan de (in Tunesië al lang bestaande) rechten van vrouwen of van niet of anders gelovigen. Dan zou de Tunesische lente geen democratie hebben voortgebracht, maar een nieuwe, in dit geval moslim-fundamentalistische tirannie.

VERKEERT in Nederland de democratie in een crisis? Op het eerste gezicht lijkt die vraag onzinnig. Bij uitstek democratische waarden als vrijheid van meningsuiting en tolerantie jegens andersdenkenden rusten hier op een fundament van eeuwen. Vanaf halverwege de negentiende eeuw heeft de parlementaire democratie zich rustig maar gestaag verder ontwikkeld, met de realisering van het algemeen actief vrouwenkiesrecht in 1922 als kroon op het werk. Nieuwe politieke stromingen kunnen dankzij de evenredige vertegenwoordiging met gemak in het parlement komen en dat gebeurt ook, van D'66 via Fortuyns LPF tot en met de PVV. De opkomst bij verkiezingen ligt weliswaar lager dan in het verleden, maar gemiddeld altijd nog ruim boven de zestig procent (met uitzondering van Europese verkiezingen). Dus hoezo crisis?
En toch staat de democratie hier te lande wel degelijk onder druk. Om te beginnen van de kant van Europa. Wil de gemeenschappelijke Europese munt op den duur houdbaar blijven, dan is het onvermijdelijk dat de eurolanden eenzelfde financieel-economisch beleid gaan voeren. Alleen als het speelveld overal gelijk is, verdwijnt voor de financiële markten de aanleiding om landen tegen elkaar uit te spelen. Maar zo'n gemeenschappelijke economische politiek vereist een supranationaal, federaal Europa - wat trouwens ook de enige mogelijkheid is om te voorkomen dat enkele rijke, machtige landen permanent de dienst uitmaken.
Op zichzelf zou zo'n federaal Europa, met een Europees parlement en een regering die daaraan verantwoording schuldig is, beslist democratisch kunnen zijn. Het grote probleem is echter dat - niet alleen in Nederland - de kloof tussen de burgers en het niveau van de Europese politiek nog vele malen groter is dan de afstand die de bevolking nu al scheidt van de in Den Haag zetelende politici. Dat zou in de toekomst kunnen veranderen, maar op korte termijn ligt hier een bron van spanningen die ofwel het Europese project of het vertrouwen in de werking van de democratie sterk kunnen belasten.
Ook het vertrouwen van de burgers (die met elkaar 'het volk’ vormen) in de 'eigen’ nationale politiek houdt niet over. In de beeldvorming, waarin de media uiteraard een grote rol spelen, ogen partijen als CDA, PVDA en VVD vermoeid en uitgeblust. 'Oude politiek’ is uit. Het ledenaantal van de partijen neemt af, jongeren hebben er nauwelijks nog een band mee, de traditionele partijen zijn veel minder dan vroeger geworteld in de samenleving en daarmee vermindert hun legitimiteit. Op deze manier treedt verschraling op, want levendige partijen met een betrokken achterban en een geprofileerde eigen visie vormen het kloppende hart van de democratie.
De huidige malaise is overigens niet uniek; ook halverwege de jaren zestig van de vorige eeuw leken de confessionele partijen (het latere CDA) en de PVDA aan het eind van hun Latijn en werden de oude partijen of 'de grote vijf’ door velen al afgeschreven. Het politieke engagement van de toen opgroeiende protestgeneratie bracht daar verandering in. Hun actiegroepen en buitenparlementaire bewegingen beoogden de samenleving op allerlei terreinen te democratiseren en werknemers, studenten en consumenten meer zeggenschap te geven. Dat heeft slechts bescheiden resultaten opgeleverd; het grootste politieke succes van de buitenparlementaire activisten was paradoxaal genoeg dat ze de parlementaire democratie hebben gerevitaliseerd. Partijen lieten zich voeden door de nieuwe impulsen vanuit de samenleving, ze ondergingen een verjongingskuur. Het politieke bestel onderging een transformatie, de verzuilde politiek waarbij elke partij kon rekenen op een vaste, trouwe aanhang maakte plaats voor een minder stabiel, dynamischer stelsel dat afhankelijk is van actieve communicatie tussen politici en hun (potentiële) aanhangers. Daarmee gaat het nu niet goed, noch uit de partijen noch uit de civil society komen voldoende krachtige impulsen om de impasse te doorbreken. Politieke hypes en wekelijkse opiniepeilingen creëren bovendien een sfeer van permanente nervositeit waarin partijen zich erop richten om op korte termijn te 'scoren’.

DE VERTROUWENSCRISIS ten aanzien van de 'gevestigde’ politiek leidt tot nu toe niet tot een streven naar vernieuwing, maar tot een opbloei van populisme. Ter linkerzijde weet de SP veel naar sociale zekerheid hakende burgers aan zich te binden. De SP draagt klassiek socialistische standpunten uit en is eurosceptisch. Ze wil nadrukkelijk de arme kant van Nederland vertegenwoordigen. Toch betwijfel ik of de SP anno 2011 populistisch is.
Want wat is populisme? De Amsterdamse politicoloog Meindert Fennema definieert het als 'het idee dat een volk zonder tussenkomst van een elite de macht kan uitoefenen’. Het lijkt me preciezer om te spreken over 'het idee dat een volk zonder politieke representatie de macht kan uitoefenen’, terug naar Rousseau’s volonté générale. Voor populisten (links of rechts) zijn verkiezingen op z'n hoogst een hulpmiddel, het vehikel waarmee zij aan de macht hopen te komen. Een veelheid aan politieke stromingen om het hele scala aan opvattingen onder de bevolking naar voren te brengen, is in de ogen van populisten niet nodig, zij zijn immers degenen die de wil van het volk kennen en vertolken. Vandaar ook herhaalde uitspraken van zowel de Lijst Pim Fortuyn als de groep Wilders over 'de anderhalf miljoen kiezers die achter ons staan’. Alsof er niet miljoenen anderen niet op hen gestemd hebben. Het is een raadsel waarop populisten de gedachte dat zij de volkswil representeren baseren, maar deze pretentie maakt hen antipluriform en potentieel antidemocratisch. Zoals gezegd, ik betwijfel zeer of de huidige SP de heils- en waarheidspretentie van het populisme heeft.
Zulke twijfel is niet nodig bij het rechtse populisme dat in Nederland een stabiele en succesvolle representant heeft gevonden in Wilders’ PVV. Met haar mengeling van sociale en xenofobe standpunten en het retorisch talent van haar grote voorman lijkt het eind van de opmars van deze groepering nog niet in zicht. De partij van Wilders onderschrijft in theorie de uitgangspunten van de democratie, maar handelt in de praktijk geregeld anders - door andersdenkende politici voortdurend te ridiculiseren ('bedrijfspoedel’, 'doe es normaal’), door het niet al te nauw te nemen met de onafhankelijke rechtspraak (het vertrouwen van Wilders in de rechterlijke macht hing geheel af van zijn vrijspraak, verklaarde hij ten tijde van zijn proces), maar vooral door het voornemen de vrijheid van godsdienst en de in de grondwet verankerde gelijke behandeling af te schaffen. Van de verhoopte matiging door het meedoen als gedoogpartner is tot nu toe niets te bespeuren. Maar de PVV wordt wel steeds meer gezien als een gewone partij die er ook bij hoort.
Sommigen gaan nog verder. In de special van De Groene Amsterdammer over de elite (23 februari 2011) poneerde Meindert Fennema de stelling dat LPF en PVV een bijdrage hebben geleverd aan 'politieke democratisering’, door over thema’s als immigratie, integratie en milieu standpunten te vertolken die al onder het volk leefden, maar die niet in de politiek werden (mochten worden) besproken. In een recente bijdrage op de opiniepagina van de Volkskrant (26 oktober) geeft Fennema de partij van Wilders nog een ander compliment: zij bevordert ook de sociale emancipatie van de lager opgeleiden en daarmee het vertrouwen in de politiek. Want lager opgeleiden zijn het vaker dan hoger opgeleiden eens met de harde opvattingen van Wilders over immigratie, integratie en bestrijding van criminaliteit. Stuur het leger naar Gouda en schiet Marokkaanse straatterroristen in de knieën, zeg ik altijd maar. Maar o jee, als ik dit met het nodige sarcasme te berde breng, ben ik natuurlijk elitair en dreig ik me zelfs tegen 'de wil van het volk’ te keren. Ik ben namelijk hoger opgeleid, overigens net als ongeveer een derde van de Nederlandse bevolking, een behoorlijk grote elite.
Fennema zet de wereld op z'n kop. Het is niet verwijtbaar als iemand een lage opleiding heeft genoten. Lager opgeleiden hebben dezelfde politieke rechten als wie dan ook. Maar het ligt enigszins voor de hand dat veel (niet alle) lager opgeleiden wat minder kennis en inzicht, ook in politieke zaken, hebben. Dat komt namelijk door die minder goede opleiding. Wat valt eraan te doen? Politici zouden zich helder en zo eenvoudig mogelijk moeten uitdrukken. Burgerschapskunde zou ook op vmbo en mbo een serieus vak moeten zijn. Er zou bevorderd moeten worden dat nog meer mensen beter onderwijs kunnen volgen (Middenschool?). Wat niet bijdraagt tot de emancipatie van lager opgeleiden of van wie dan ook is het verlagen van de politiek tot het niveau van scheldpartijen of oproepen tot discriminatie. Dat leidt - en dan druk ik me vriendelijk uit - alleen tot emancipatie van de borrelpraat.
Van alle bedreigingen voor de democratie in Nederland - euromoeheid en gebrek aan democratie op Europees niveau, slijtageverschijnselen in beproefde politieke partijen en het rechtse populisme - is die laatste verreweg het gevaarlijkst. Afwijzing en bestrijding van het rechtse populisme door een brede coalitie van democraten is een voorwaarde voor elke poging de democratie te behouden en te vernieuwen.


Van Anet Bleich verscheen onlangs De boze babyboomer, Balans, 64 blz., € 6,95