INTERVIEW MET CAS WOUTERS

Emancipatiekramp

Overal in de westerse wereld worden de manieren informeler. Dat is niet hetzelfde als verruwing, zegt socioloog Cas Wouters. Integendeel. Maar in de omgang met moslims schuilt nog een hardnekkig staartje standsverschil.

NATUURLIJK, zegt Cas Wouters (1943). Er zit iets provocerends in de informalisering van omgangsvormen. Daarom koos hij voor de vrijpostige clown op het omslag van zijn boek Informalisering: Manieren en emoties sinds 1890. Het is ook een sinistere clown, enigszins A Clockwork Orange-achtig: wit gezicht, rode neus, bolhoed, superieur glimlachje. En wat doet die krant daar onder zijn arm? Dit is iemand die welbewust het gezag en de goede zeden tart.
Cas Wouters: ‘Naarmate de verhoudingen gelijker worden, zullen groepen die voorheen moesten zwijgen hun stem verheffen. Maar ook de manieren gaan op de schop, want een op hiërarchie gebaseerde omgang verliest dan zijn geldigheid. En daarmee verandert ook de psyche. De daarin neergeslagen autoritaire verhoudingen garandeerden lange tijd een strikte zelfbeheersing. Maar wanneer “lagere” groepen emanciperen, emanciperen ook de “lagere” emoties mee. Gedrag en gevoel worden zo soepeler, spontaner, vrijmoediger.
En ja, ik hecht aan die verandering. Iedereen lijkt vergeten te zijn hoe ondraaglijk saai en onrechtvaardig het hier was. Tot diep in de jaren zestig was de omgang gebaseerd op standsverschillen. In al onze manierenboeken zie je terug hoe het “lagere volk” op grote afstand gehouden moest worden. Alleen al de liefdadigheid: wie op stand leefde zag niet hoe vernederend dat was.
Ook toen de verschillen tussen de seksen, generaties en klassen al kleiner werden, hielden we hier nog vast aan stijfburgerlijke codes: niemand wilde de indruk wekken dat hij zijn grenzen niet kende. Pure statusangst. Daardoor konden de jaren zestig hier zo’n revolutie worden, waar de informalisering zich in andere landen veel geleidelijker en minder vergaand doorzette. Het verklaart ook waarom in de romantisch-conservatieve tijden van nu de jaren zestig als wortel van alle kwaad worden gezien.’

Wouters is veranderingsvorser van beroep. Al een leven lang bestudeert hij verschuivingen in macht, codes en idealen. De beroepspraktijk van stewardessen is daarbij niet minder interessant dan de op- en afmars van korsetten; dansstijlen en aanspreekvormen zijn niet minder relevant dan transities in de verzorgingsstaat, rouwen en trouwen, liefde en lust. Evenals zijn leermeester Norbert Elias (1897-1990) baseert Wouters zich op een rijke historische bron: het manierenboek. De dominante regels van een bepaalde samenleving zijn niet alleen een weergave van de machtsverhoudingen, maar ook van de verlangens, lusten en angsten van een tijd. Daartussen bestaat volgens Wouters – en Elias – een dwingend verband: met de maatschappelijke structuur verandert de ‘emotiehuishouding’ mee.
Hij houdt van de vele voorbeelden die hij vond. Cas Wouters: ‘Neem de afstandelijke benadering van vrouwen vroeger. Conform hun ondergeschikte positie droegen ze lange rokken – een reepje blote huid was volgens de etiquette niet alleen onbetamelijk, het was ook voor henzelf “gevaarlijk”. Het bracht hen in contact met emoties die ze niet als van henzelf herkenden, en dus niet hadden leren beheersen. Maar steeds weer gaan mensen op zoek naar nieuwe vormen. Zo ontstond in de negentiende eeuw het Nederlandse “kaarsje springen”. Vrouwen sprongen dan over een kaars, zodat de mannen toch een reepje huid zagen. Dat moet toen heel geil zijn geweest.’
Wouters’ standaardwerk over informalisering (verschenen als Van minnen en sterven, 1990) kreeg er met de recente publicatie van Informalisering niet alleen een historische maar ook een internationale dimensie bij. Hij vergelijkt daarin de Nederlandse, Duitse, Engelse en Amerikaanse manierenboeken sinds 1890. Op de lange termijn bezien doet zich in al die landen, in eigen tempo, eenzelfde ontwikkeling voor: veel van wat vroeger verboden was, is tegenwoordig toegestaan.
‘Er mag veel meer dan vroeger, ja. Maar er móet ook veel meer. Dat is de kant van informalisering die altijd wordt vergeten. Ik heb het niet over de permissieve samenleving of “alle teugels los”. Een kleinere sociale en emotionele afstand tussen mensen stelt juist hógere eisen aan de emotieregulering. In de omgang draait het steeds meer om onderlinge afstemming en instemming. Niemand durft zich nog op zijn afkomst of positie te beroepen. We schámen ons daarvoor. Zelfs het klassebegrip is vrijwel taboe.’
U spreekt van ‘de beheerste versoepeling van emotiereguleringen’. Is dat niet vooral een ideaal?
Cas Wouters: ‘Het is een féit. De meeste mensen hebben geleerd om minder stijf en gespannen met elkaar om te gaan. Maar daarin schuilt ook weer de sociale én zelfdwang, want iedereen wil “authentiek” zijn. Leuk, ad rem, spontaan, attent – en bovenal “zichzelf”. Ik noem dat de dwang tot ongedwongenheid. Dat stelt huizenhoge psychische eisen. Maar gemeenzaamheid is de norm geworden. Het impliceert een grotere sensitiviteit.’
Leidt dat niet tot grote onzekerheid, onhandigheid, eenzaamheid?
‘Onzekerheid: ja. Het is ook vermoeiend, de hele tijd maar taxeren wie je voor je hebt, wat de situatie is. Maar op den duur gaat dat vanzelf. Over vervreemding hoor je trouwens vrijwel niemand meer. En eenzaamheid, dat is een luxeprobleem geworden. Het is nu zoveel makkelijker om contact met andere mensen te maken. Ook met jezelf, mede dankzij de psychoanalyse.’
Waarom is de angst voor verwildering en verval dan zo groot?
‘Het hele toekomstbeeld is minder florissant geworden. De mondialisering heeft mensen op een ongekende schaal afhankelijk van elkaar gemaakt. Velen ervaren dat als een bedreiging van het wij-gevoel, en dat wordt nog eens geaccentueerd door spanningen rond nieuwe Nederlanders. Dan gaan mensen weer hechten aan formele regels. Allerlei onbehagen klampt zich vast aan de manieren. Strengere normen, law and order moeten de zekerheid herstellen. Het is schijnzekerheid, nostalgie.
De angst doet zich ook voor bij sociale stijging. Bij emanciperende groepen is de nieuwe levensstijl nog geen habitus geworden: alles kan ze nog afgenomen worden. Dat is de angst om weer te “vallen”. Daarom zoekt de lagere middenklasse weer aansluiting bij de traditie. Ik ontken dus niet dat er aan de randen van de samenleving dingen gebeuren die het daglicht niet verdragen; ik ontken dat we massaal aan de rand van de afgrond staan. Cijfer onze eigen gevoeligheid niet weg. Geweld en vernedering wekken veel meer walging op dan vroeger.’
U draagt de informalisering een warm hart toe…
Cas Wouters: ‘Ik beschrijf historische processen en de fasen daarin. Die voltrekken zich onafhankelijk van mijn warme hart. Informalisering is de onbedoelde uitkomst van langetermijnprocessen waarin mensen onderling steeds afhankelijker werden. Vooral in de negentiende eeuw zijn de commerciële en bestuurlijke netwerken sterk uitgebreid, en dat ging gepaard met een krachtige golf van formalisering. De gezagsstructuren werden steeds hiërarchischer en de omgangsvormen steeds strakker.
Zo ontstond een type persoonlijkheid dat die regels als “tweede natuur” verinnerlijkte – een autoritair geweten met een grote angst voor “het hellend vlak”. Pas daaruit kon later een “derde natuur” ontstaan – een flexibeler type persoonlijkheid met voldoende zelfcontrole om zich te laten gaan, ook op het hellend vlak, zonder af te glijden naar de afgrond. Natúúrlijk zijn er ook altijd mensen die doorslaan, zoals er anderen zijn die juist als stijve harken dichtslaan. Maar het gros van de mensen houdt de kerk in het midden.’
Hoeveel ‘beschaving’ kunnen we verwachten nu de formalisering niet meer in de cultuur is ingebakken?
‘Maar formalisering is geen cultureel programma. Het is een beperking aan gedrag die voortkomt uit de verhoudingen tussen mensen, vooral hun machtsverhoudingen. In hiërarchische samenlevingen is de culturele vorming doorgaans nauwkeurig geregeld, maar zijn de omgangsvormen doordrenkt van superioriteit en inferioriteit. Voor ons is dat zeer onbeschaafd. De zorg om “de beschaving” is veelal een vorm van dichtslaan. Uit angst voor de vrijheid, voor het hellend vlak, angst om je te laten gaan, om de verkeerde beslissing te nemen, angst om aan het roer van je leven te staan. Allemaal emancipatiekramp. Want we móeten wel. Er is geen alternatief voor de complexiteit van het heden.’
Maar, zegt de conservatief, voor het eerst is de mens in staat om zijn eigen cultuur te vernietigen.
‘Verníetigen? Er zijn mensen die geen krant meer lezen en geen museum meer bezoeken. Als dat samenhangt met hun lage maatschappelijke positie en onderwijsniveau is dat een probleem: dan wachten hun nog harde tijden in de mondiale concurrentie. Vroeger kon je arbeiders en “onwetenden” proberen te verheffen, maar door het gelijkheidsideaal én de neoliberale zelfbeschikking is dat moeilijker geworden.
Maar hoogopgeleide mensen die liever Hazes horen dan Mozart, dat hoort bij de informalisering – hogere groepen die zich opeens “volks” gaan gedragen. Dat is geen vernietiging, dat is een verbreding van voorkeuren. Eenzelfde morele paniek zie je nu rond internet: iedereen schrikt hevig van de porno en het gescheld. Het is niet mooi, maar het hoeft niet zo te blijven. Smaak en “beschaving” ontwikkelen zich in fasen.
Mondiaal gezien verkeert Nederland natuurlijk in een reusachtige transitie. De gevestigde orde begint nu te begrijpen dat ze een beetje moet inschikken met al die nieuwkomers erbij. Maar omdat zij niet meer kan roepen: “Weg met de buitenlanders”, roept ze om een canon en erfgoed. Daarin uit zich ook een afkeer van zogenaamd “lagere” of “onbeschaafde” nieuwkomers. Dat dat niet rechtstreeks meer kan worden gezegd, die schaamte, lijkt mij toch vooruitgang.’
In de omgang met immigranten tekent zich toch ouderwetse superioriteit af?
‘Het doet denken aan de adel die de burgers wilde beschaven, zoals de burgers later weer de arbeiders. En toch: zelfs iemand als Wilders doet moeite om niet van racisme beschuldigd te worden. De polarisatie van nu is een reactie op de totale ontkenning van integratieproblemen – het etnisch taboe. De oorlog wordt daar vaak als verklaring bij genoemd, als zouden we uit schuldgevoel over de jodenmoord niet aan integratiebeleid durven. In tal van manierenboeken ontdekte ik een andere verklaring: het taboe op standsverschillen. Door het gelijkheidsideaal is het moeilijk om de ongelijkheid bij de naam te noemen zónder tegelijk te suggereren dat je over “inferieure” mensen spreekt.’
Is de informalisering niet een blokkade voor een succesvolle integratie?
‘Het kan problemen geven bij mensen die in autoritaire verhoudingen zijn opgegroeid. Ze zijn gewend aan een grote ongelijkheid en veel sociale controle, en veel minder aan de wederzijds verwachte zelfbeheersing van hier. Onze zogenaamd “vrije moraal” kan ze op het verkeerde been zetten en ze overvragen. Maar informalisering kan ook betekenen dat de gevestigden een beetje plaatsmaken, zodat de buitenstaanders kunnen integreren. Uiteindelijk hangt hun lot af van de emotieregulering van de gevestigden: in hoeverre zij hun angsten de baas kunnen, zich met nieuwkomers kunnen identificeren en hen hogerop helpen. Het omgekeerde leidt tot grote ongelukken. Dat is de motor van het terrorisme.’
U beschrijft de Taliban als een extreme vorm van reformalisering. En de islam dan?
‘Tja, volken die zich bedreigd voelen grijpen terug op de traditionele moraal – Nederlanders evengoed. Overal wordt daar de religie bij ingezet; alleen is het hier niet meer bon ton om er de kanonnen mee te zegenen. Maar sinds 9/11 vechten “wij” tegen een imaginaire vijand: er wás helemaal geen al-Qaeda in Irak. Die war on terror is een stick zonder carrot. Daardoor verharden de verhoudingen en vertraagt het mondiale integratieproces. Want wat vroeger nationale tegenstellingen waren, met name tussen sociale klassen, heeft zich nu naar een mondiaal niveau verplaatst – het verzet tegen de hegemonie van het Westen. Zolang de afstand tussen volken groot is, worden het “instinctieve leven” en de “natuurlijke spontaniteit” geromantiseerd en geprezen. Maar zodra de verschillen kleiner beginnen te worden, en mensen afhankelijker van elkaar, staan allerlei angsten op. Ook in Nederland. Maar ondertussen gaat de informalisering er gewoon door.’
In uw boeken schrijft u dat de informalisering ‘tot nu toe’ geen ombuiging in het civilisatieproces van Elias betekende. Kán er iets veranderen?
‘Alles! Als de mondiale integratie met al te onstuimige integratieconflicten gepaard gaat, kun je de totale vernietiging van de mensheid niet uitsluiten. Vooral tussen staten zijn integratieconflicten moeilijk te beheersen en nauwelijks voorspelbaar. Maar over het vervolg van een civilisatieproces à la Elias ben ik net zo pessimistisch als optimistisch. De voortzetting van de mondiale vervlechting zet weliswaar aan tot het ontstaan van dergelijke conflicten, maar ook tot het beteugelen ervan. Want tegelijk neemt het gezamenlijk belang toe. Dat zou niet alleen de aanzet kunnen zijn tot een geweldsbeheersing op wereldschaal, maar ook tot een wereldomspannende identiteit als mensheid. De kapitalisten aller landen zijn al verenigd. Nu de “arbeiders” nog.’

Cas Wouters, Informalisering: Manieren en emoties sinds 1890. Bert Bakker, 384 blz., € 29,95