Emoties van beton

WIE OVERGEVOELIG is voor geluid, mijde dezer dagen Berlijn. Een kakofonie van bouwkabaal omklinkt de stad. Niet alleen verrijzen her en der overheidsgebouwen en kantoren, ook worden door de Muur gedeelde metrolijnen weer aaneengesmeed, legt de stad nieuwe treinverbindingen en autotunnels aan om de verwachte toevloed van forenzen te kanaliseren en zet men appartementsgebouwen neer om de Bonner ambtenaren die zich wél in een echte stad willen vestigen, onderdak te bieden. En het zagen, hameren en boren beperkt zich niet tot de omgeving van Reichstag en Potsdamer Platz. In Oost gaan hele huizenblokken schuil achter renovatiestellages, in West maakt troosteloze wederopbouwarchitectuur plaats voor de probleemflats van de jaren 2030.

In het hart van deze bouwexplosie blijft één terrein opvallend stil. Iets ten zuiden van de Brandenburger Tor, ingeklemd tussen de nieuwe Amerikaanse ambassade en de toekomstige vertegenwoordigingen van de Duitse deelstaten, ligt twintigduizend vierkante meter grond nu al drie jaar op bebouwing te wachten. En terwijl Baustelle Berlijn zich elders gul aan nieuwsgierige blikken blootstelt, houdt hier een hoge schutting passanten op afstand.
OVER DE ZANDVLAKTE achter deze omheining strekten zich tot het einde van de Tweede Wereldoorlog de Ministergärten uit, de tuinen van diverse nazi-ministeries. Hitlers Reichskanzlei en de bunker waarin hij zelfmoord pleegde grensden eraan. De bunkers van zijn lijfwacht en van de familie Goebbels lagen er zelfs middenin. Na 1961 bereikte de Todesstreifen tussen de eigenlijke Muur en de afrasteringen aan de Oost-Duitse zijde daarvan hier zijn grootste breedte. Op dit historisch beladen terrein had drie jaar geleden al de bouw van het ‘Mahnmal für die ermordeten Juden Europas’ ofwel het Holocaustmonument moeten beginnen.
Als het aan bondskanselier Kohl ligt, begint de bouw er binnenkort alsnog. De laatste streefdatum die hij noemde is 27 januari 1999, de 54-ste bevrijdingsdag van Auschwitz. Maar de kans dat Kohl zijn zin krijgt, is klein. Want de plannen voor het monument zijn de afgelopen maanden alweer vastgelopen in onnavolgbare discussies.
En dat terwijl het idee van een Holocaustmonument in 1993 met zo veel instemming werd ontvangen. Bonn doneerde gul de gigantische lap braakliggende grond en een bedrag van vier miljoen mark, Berlijn beloofde eenzelfde financiële bijdrage, en een door talloze klinkende namen - Willy Brandt, Günter Grass, Heiner Müller, Christa Wolf - ondersteunde Förderverein begon voortvarend de rest van het benodigde geld bijeen te brengen. In april 1994 werd een wedstrijd uitgeschreven die meer dan vijfhonderd ontwerpen opleverde.
Maar meteen na het bekend worden van het wedstrijdresultaat in april 1995 bekoelde het enthousiasme aanmerkelijk. Moest Duitsland de wandaden van het voorgeslacht werkelijk herdenken met een 'grafplaat’ ter grootte van een voetbalveld, waarin de namen van 4,2 miljoen vermoorde joden zouden worden gegraveerd? Een monument van ontspoorde rouwverwerking, oordeelde het liberale weekblad Die Zeit. Een betondeksel op het verleden, schreef de linkse Berlijnse Tageszeitung.
Ook Ignatz Bubis, CDU-lid te Frankfurt en als voorzitter van de Centrale Raad voor Joden in Duitsland in principe voorstander van het monument, kon het winnende ontwerp niet waarderen. Het idee om bezoekers van het monument een symbolisch bedrag te laten betalen voor het ingraveren van een slachtoffernaam kwalificeerde hij als 'obscene aflaathandel’.
Daarop verklaarde ook Kohl zich tegen wat inmiddels de Judenplatte was gaan heten. Hij moest wel. Hij had zijn joodse partijgenoot in 1993 beloofd dat er een apart monument voor de vermoorde joden zou komen als de Duits-joodse gemeenschap hem zijn Neue Wache, het omstreden Bundesehrenmal voor álle slachtoffers van oorlog en geweld, gunde. Hij kon Bubis nu niet met een ongewenst monument afschepen.
TERWIJL KOHL, BUBIS en de Förderverein blijven hameren op het politieke en morele belang van een monument, klinken in de publieke opinie steeds meer principiële bezwaren. Opvallend genoeg is juist ter linkerzijde, onder intellectuelen die zich sinds de jaren zestig inspannen om de herinnering aan de shoah een centrale plaats in de Duitse samenleving te geven, de angst groot dat een officieel nationaal monument de verwerking van het naziverleden zal smoren.
Wat overigens niet wil zeggen dat voor- en tegenstanders zich langs links-rechtslijnen laten indelen. Terwijl de Bonner CDU overwegend vóór het monument is, is de Berlijnse CDU-burgemeester Diepgen uitgesproken tegen. En waar de Bonner SPD in toenemende mate tegen is, is de Berlijnse SPD weer grotendeels voor.
Ondanks alle verwarring wordt in juli 1997 een tweede wedstrijd uitgeschreven. Die levert dit jaar in januari vier voorlopige winnaars op. Kohl maakt meteen duidelijk waar zijn voorkeur ligt: bij het Feld der Erinnerung van de Amerikanen Peter Eisenman, architect, en Richard Serra, beeldhouwer. De drie overige ontwerpen verdwijnen daarmee meteen uit de publieke belangstelling.
Niet dat het publiek zich ook bij Kohls keuze aansluit. Omdat het monument nog steeds in de uitgestrekte Ministergärten gepland staat, hebben ook Eisenman en Serra een gigantisch geheel ontworpen - een labyrint van vierduizend betonzuilen met een hoogte tot vier meter. 'Een plaats waar men zich alleen en verlaten voelt’, schrijven de ontwerpers gevoelvol. Een orgie van kille, nietszeggende esthetiek, oordeelt de buitenwereld.
BEGIN FEBRUARI 1998 publiceert een groep prominente intellectuelen een open brief waarin ze de opdrachtgevers oproept het hele Mahnmal-idee op te geven: 'We zien niet hoe een abstracte installatie van reusachtige afmetingen een plaats van stille rouw en herinnering, van waarschuwing of zinvolle voorlichting kan zijn. (…) We vrezen dat een gigantisch “nationaal” gedenkteken eerder een plaats van afwending, ontwerkelijking en koude abstractie zal blijven.’ Onder de ondertekenaars bevindt zich Günter Grass, in 1993 nog een van de drijvende krachten achter het monument. Meer indruk maakt de handtekening van György Konrád, de bekende Hongaars-joodse schrijver, sinds mei 1997 voorzitter van de Berlijnse Akademie der Künste. 'Didactische kitsch’ noemt deze de hele monumentenwens.
Kohl reageert niet op de open brief. Kohl is in paniek. De bondsdagverkiezingen naderen, de SPD staat op winst, straks is hij kanselier-af en heeft hij zijn belofte niet kunnen waarmaken. Hij vraagt Eisenman en Serra hun ontwerp aan te passen. Kanselier en kunstenaars ontmoeten elkaar een paar maal; op verzoek van Kohl houden de laatsten voor zich wat er besproken is. Eisenman slaat aan het schaven, Serra trekt zich begin juni terug uit het project. Uit persoonlijke overwegingen, haasten Eisenman en Bonn zich aan de media mede te delen.
Was het monument ten tijde van de eerste plannen in 1993 nog een zaak van het trio Bonn, Berlijn en Förderverein, steeds meer wordt het nu Chefsache. Het herziene Feld der Erinnerung wordt bewaakt als een staatsgeheim. De media speculeren over de vraag waar het model zich bevindt, wat er precies aan gewijzigd is en wie het heeft mogen bekijken. Eind juni sijpelt het bericht door dat 'Kohls staatskunstenaar’ de zuilen verlaagd en in aantal verminderd heeft en dat het geheel nu door een verzachtende bomenrij omgeven zal worden, maar afbeeldingen blijven uit.
Het enige waarvan de media wel uitvoerig op de hoogte worden gehouden, is de discussie tussen Bonn en Berlijn over de vraag wie nu eigenlijk wanneer beslist wat er verder gebeurt inzake het Mahnmal. Op 18 augustus zal de Berlijnse senaat zich over zijn monumentenstandpunt buigen, berichten de kranten eind juli. Een paar dagen later is de bijeenkomst alweer verschoven naar 25 augustus. Gaat er dan ook iets besloten worden? Dat durven de persvoorlichters niet te beloven. Maar mogen de media het model dan tenminste bezichtigen? Nee: het herziene ontwerp wordt op gezag van de kanselarij pas openbaar als Bonn, Berlijn en Förderverein tot een beslissing gekomen zijn.
OP 19 JULI, met nog twee maanden Wahlkampf voor de boeg, gebeurt dat wat Kohl al maanden zegt te vrezen: het Holocaustmonument wordt een verkiezingsthema. Die dag maakt zijn SPD-rivaal Gerhard Schröder bekend dat hij in het nieuwerwetse schaduwkabinet dat hij naar Brits voorbeeld om zich heen verzamelt, Michael Naumann tot staatssecretaris van Cultuur heeft benoemd. De kandidatuur slaat in als een bom; niet alleen bezit Naumann - voormalig journalist, momenteel uitgever in New York - een charme en een esprit waar alle Bonner koppen bleek bij afsteken, ook zegt de man tijdens het tv-interview dat hem diezelfde avond wordt afgenomen plompverloren dat hij niets in het Holocaustmonument ziet. Een natie die de herinnering aan een door haar begane misdaad in de vorm van een esthetisch bevredigend monument in de regeringswijk van haar hoofdstad plaatst, zal volgens hem 'vroeger of later van schaamteloosheid worden beticht’. Een dag later laat hij via de Tagesspiegel weten dat hij het hele Mahnmal-plan 'Albert Speer-achtig’ vindt.
Nu wil iedereen weten wat Schröder zelf er eigenlijk van vindt. Eerst houden SPD-zegslieden zich op de vlakte: Naumann heeft op persoonlijke titel gesproken. Vertegenwoordigers van de joodse gemeenschap in Berlijn haasten zich tegenover de pers te verklaren dat Schröder zich in de gesprekken die zij met hem hebben gevoerd, nooit afwijzend heeft uitgelaten over het monument. Maar op 21 juli komt Schröder met een uitspraak die voor een standpunt kan doorgaan: 'Ik sta dicht bij Naumanns mening.’
Vervolgens beginnen ook andere SPD'ers zich over het monument uit te spreken. 'Mich hat Naumann nachdenklich gemacht’, antwoordt, eerst nog voorzichtig, minister-president Clement van Nordrhein-Westfalen begin augustus op vragen van Der Spiegel. Daarna laat hij elke terughoudendheid varen. Mocht Kohl, zo dreigt hij, het in zijn hoofd halen de komende weken nog voor het monument te beslissen, dan zal een nieuwe SPD-regering niet aarzelen dat besluit terug te draaien.
HET EINDE VAN het Holocaustmonument? Dat valt nog maar te bezien. Niet alleen zal Schröder, mocht hij inderdaad kanselier worden, zich wel tweemaal bedenken voor hij een project dat ook internationaal zo veel aandacht trekt rigoureus schrapt. Ook lijkt er sprake van een voorzichtige omslag in het publieke debat. Juist nu de antistemming zo algemeen is, begint een aantal opiniemakers de monumentenplannen weer bij te vallen.
De opvallendste pro-monumentbijdrage verschijnt al begin dit jaar. Kort na de voorlopige uitslag van de tweede wedstrijd steekt James Young, Amerikaans-joods historicus, in de Frankfurter Allgemeine Zeitung uitvoerig de hand in eigen boezem. Al enige tijd is hij bij de discussie betrokken; zijn cynische anti-opmerkingen zijn overal aangehaald. Maar sinds kort kwelt hem de gedachte dat zijn sarcasme niet zonder gevaar is: 'Hoe leerzaam de discussies ook waren, ze hebben de nieuwe generatie neonazi’s niet bereikt.’ Het is tijd, schrijft hij daarom nu, dat de Duitse intellectuelen hun 'dialektische Hochsitz’ verlaten en zich afvragen of ze werkelijk willen dat Duitsland zijn regering naar Berlijn verhuist zonder daar duidelijk te tonen wat er de laatste keer dat Duitsland uit Berlijn geregeerd werd, gebeurd is.
Er is geen reden aan te nemen dat Kohl zijn Mahnmal ook als bezwering van nazi-spoken, als Gründungsopfer voor de Berlijnse republiek ziet. Een Macher doet niet aan dergelijke poespas. Staatsman Kohl wil het monument omdat ieder 'normaal’ land zo'n monument heeft, zo simpel ligt het.
Maar toch. Wie zich herinnert hoe hij in 1984 hand in hand met de Franse president op het slagveld van Verdun stond en hoe zijn hele onhandige postuur daar smeekte om een blik van begrip van de in chauvinisme versteende Mitterrand, gelooft dat de herdenkingswens van de mens Kohl oprecht is. En dat de hoon vanaf de diverse 'Hochsitze’ niet helemaal terecht is. Kohl wil het door Duitsland veroorzaakte leed niet wegmoffelen onder beton. Hij vindt alleen geen andere uitdrukking voor zijn gevoelens dan betonblokken. En zijn verhouding met het meer uitdrukkingsvaardige deel van de natie is al sinds zijn aantreden in 1982 zo slecht dat hij liever volhardt in zijn 'Wat kunst is, dat bepaal ik’-houding dan hun om raad te vragen.
uist daarom biedt de kandidatuur van Schröder nieuwe perspectieven voor het Holocaustmonument. Als de stemming straks inderdaad omslaat, zal hij behendig meezeilen. En aangezien hij wél in staat is intellectuelen als Naumann aan zich te binden, slaagt hij er wellicht ook in een fijngevoeliger uitdrukking te vinden voor de complexe emoties van de nazaten van 'Hitlers gewillige beulen’. Maar als het dan werkelijk tot een Holocaustmonument komt, moet hij Kohl de eerste krans laten leggen. Al was het alleen maar omdat te veel handigheid er ongepast blijft.