Vroeger behoorden zuidelijke politici doorgaans tot de Democratische partij. Ze wisten als commissievoorzitters veel macht te vergaren, maar uiteindelijk bleven ze een diersoort die niet buiten zijn reservaat kwam. Sinds Ronald Reagan zijn ze echter massaal overgelopen naar de Republikeinse partij, gesteund door religieus rechts. Het gevolg: de politiek van de dorpspomp krijgt nu ook Washington in zijn greep. Het punt van de aanklagers was dan ook typisch dorps: de president moet worden beoordeeld op dezelfde gronden als iedere andere burger. Als ze nu maar haarfijn aantoonden dat hij had gelogen, was zijn afzetting onvermijdelijk. Helaas voor de dertien Perry Masons is de president geen willekeurige burger, maar de hoogste gekozen vertegenwoordiger van het Amerikaanse volk. Aanklager Bob Barr (Georgia) werd ruw uit de droom gewekt toen de Democratische senator Tom Harkin zijn zorgvuldig voorbereide praatje onderbrak. Harkin protesteerde tegen het feit dat Barr de Senaat een ‘jury’ noemde: ‘Wij zijn geen jury, wij zijn een politiek college.’ De boodschap was duidelijk: zelfs al loog Clinton, dan nog moet de Senaat op politieke gronden beoordelen of het opportuun is hem af te zetten. De arme Barr raakte bijna in paniek. Hij besefte dat zijn betoog was doorgeprikt, maar hij begreep niet waarom. Je hoorde hem denken: ‘Well, bust mah breeches!’